Bekijk het origineel

DE HEILIGE DOOP

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

DE HEILIGE DOOP

6 minuten leestijd

De doop van Johannes

Johannes de doper getuigt er van, dat hij gezonden was om te dopen, zeggende: "En ik kende Hem niet; maar Die mij gezonden heeft om te dopen met water, Die had mij gezegd: Op Welken gij den Geest zult zien nederdalen, en op Hem blijven, Deze is het, Die met den Heiligen Geest doopt. En ik heb gezien en heb getuigd, dat Deze de Zone Gods is."

Johannes doopte de bekering der zonden, er staat in Matth. 3 : 5-8, 11, 12: "Toen is tot hem uitgegaan Jeruzalem en geheel Judéa en het gehele land rondom de Jordaan; en werden van hem gedoopt in de Jordaan, belijdende hun zonden. Hij dan, ziende velen van de farizeeën en Sadduceeën tot zijn doop komen, sprak tot hen: Gij adderengebroedsels, wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn? Brengt dan vruchten voort der bekering waardig. (...) Ik doop u wel met water tot bekering, maar Die na mij komt, is sterker dan ik, Wiens schoenen ik niet waardig ben Hem na te dragen; Die zal u met den Heiligen Geest en met vuur dopen. Wiens wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren en Zijn tarwe in Zijn schuur samenbrengen, en zal het kaf met onuitblusselijk vuur verbranden."

De doop van Johannes was geen andere, dan de doop door Christus ingesteld. Hoort ds. Isaac Ambrosius daarover, geheel overeenkomstig Gods Woord.

Ds. Is. Ambrosius, in: Het zien op Jezus. Uitg. Den Hertog B.V., 16e dr. 1992: 302.

'Ik kan het niet anders zien, of onze doop en de doop van Johannes zijn in de natuur en in het wezen een en dezelfde, want:

1. "Johannes heeft gepredikt den doop der bekering tot vergeving der zonden." Mark. 1 : 4; zij hadden dan dezelfde leer en belofte.

2. De doop door Johannes bediend, behoort tot de "vervulling van alle gerech­ tigheid", Matth. 3 : 15, en Lukas getuigt, dat de tollenaars en het volk door Johannes gedoopt zijnde "God rechtvaardigde, maar de farizeeën en de wetgeleerden hebben de raad Gods tegen zichzelven verworpen, van hem niet gedoopt zijnde", Luk. 7 : 29, 30. Maar hierin bestaat het onderscheid, dat Johannes doopte in Christus, Die sterven zou en weder opstaan; maar wij dopen in de Naam van Christus, Die gestorven en opgewekt is; daar is een onderscheid in opzicht der omstandigheden, maar niet des wezens. Zo wacht u dan, dat gij de waterdoop niet verwerpt, op het blote voorwenden van het dopen met vuur. Christus (zien wij) heeft dezelve tezamen gevoegd, niemand moet dan dezelve scheiden; Christus is Zelf gedoopt geworden met vuur, en evenwel werd Christus Zelf ook gedoopt met water.'

Tot zover ds. Ambrosius in zijn kostelijke werk 'Het zien op Jezus'.

De H. Doop instelling Gods

De Heere Jezus, waarvan Johannes de doper in de hierboven aangehaalde teksten sprak, heeft Zelf de doop ingesteld, zeggende tot de discipelen in Matthéüs 28 : 19: "Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders, en des Zoons en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb."

En in Markus 16 : 15, 16 luidt de opdracht van Christus als volgt: "Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie allen kreaturen. Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden."

Volgens het doopbevel van de Heere Jezus hebben de apostelen gehandeld, toen zij het Evangelie predikten onder Jood en heiden. Zo lezen we van de doop van omtrent 3000 mensen op de Pinksterdag, in Hand. 3 : 37-41: "En als zij dit hoorden werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen, mannen broeders? En Petrus zeide tot hen: Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen. Want u komt de belofte toe en uw kinderen, en allen die daar verre zijn, zovelen als er de Heere onze God toe roepen zal. En met veel meer andere woorden betuigde hij en vermaande hen, zeggende: Wordt behouden van dit verkeerd geslacht. Die dan zijn woord gaarne aannamen (kanttekening: door de genade Gods gewillig gemaakt zijnde, JAB) werden gedoopt; en er werden op dien dag tot hen toegedaan omtrent drieduizend zielen."

Zo ook handelde Filippus, de Evangelist, gelijk we lezen in Hand. 8 : 13a: "En Simon geloofde ook zelf en gedoopt zijnde bleef gedurig bij Filippus." Doch ook lezen wij daar, hoe de doop geen genade meedeelt, want staat er even later in Hand. 8 : 18-23: "En als Simon zag, dat door de oplegging van de handen der apostelen de Heilige Geest gegeven werd, zo bood hij hun geld aan, zeggende: Geeft ook mij deze macht, opdat, zo wien ik de handen opleg, hij den Heiligen Geest ontvange. Maar Petrus zeide tot hem: Uw geld zij met u ten verderve, omdat gij gemeend hebt dat de gave Gods door geld verkregen wordt. Gij hebt geen deel noch lot in dit woord, want uw hart is niet recht voor God. Bekeer u dan van deze uw boosheid, en bid God, of misschien u deze overlegging uws harten vergeven wierd; want ik zie, dat gij zijt in een gans bittere gal en samenknoping der ongerechtigheid."

Hand. 8 : 37-39: "En Filippus zeide: Indien gij van ganse harte gelooft, zo is het geoorloofd. En hij antwoordende zeide: Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon Gods is. En hij gebood den wagen stil te houden; en zij daalden beiden afin het water, zo Filippus als de kamerling en hij doopte hem. En toen zij uit het water waren opgekomen, nam de Geest des Heeren Filippus weg, en de kamerling zag hem niet meer; want hij reisde zijn weg met blijdschap."

Voor wie de doop de genade Gods in Christus waarlijk betekent én verzegelt, beschrijft Petrus niet onduidelijk, maar met klare en duidelijke woorden in zijn brief aan de verstrooide Joden onder de heidenen, die daar als vreemdelingen verkeerden, in 1 Petr. 1:2: "De uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader, in de heiligmaking des Geestes, tot gehoorzaamheid en besprenging des bloeds van Jezus Christus." Gelijk ook Paulus daar nadrukkelijk over spreekt, in Rom. 11 : 5, 7: "Alzo is er dan ook in dezen tegenwoordigen tijd een overblijfsel geworden, naar de verkiezing der genade. (...) Wat dan? Hetgeen Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen; maar de uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden."

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1999

De Wachter Sions | 8 Pagina's

DE HEILIGE DOOP

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1999

De Wachter Sions | 8 Pagina's

PDF Bekijken