Bekijk het origineel

Antwoord per brief

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Antwoord per brief

14 minuten leestijd

Aan een jong meisje,

Heel begrijpelijk wil je niet graag dat ik je naam vermeld in deze brief. Je bent nog jong en daarom heb ik je ook maar niet de benaming van mevrouw gegeven. Ik wil je vragen op zulk een wijze trachten te beantwoorden, dat niemand begrijpt aan wie ik zit te schrijven, zelfs je ouders niet. Wat ik wil schrijven als antwoord op je vragen, is ook voor andere jonge mensen bestemd, want ik weet dat wat in jouw hart leeft, in de gedachtewereld van vele jonge mensen te vinden is. Zeer openhartig heb je me doen weten watje inwendig bezig houdt.

Je denkt veel aan het leven na dit leven. Maar je komt er niet uit. Je vindt het allemaal zo moeilijk. Je hebt juist in de kerk ook weer een preek beluisterd die je deed horen hoe gelukkig Gods volk is na dit leven. Eeuwig zal men God al de eer geven. Je denkt dat het me vreemd in de oren klinkt, als je me zegt dat je niet altijd God al de lof zal kunnen geven. Als je eerlijk bent, zoals je me schrijft, ga je liever niet naar de kerk dan wel. Je gaat wel elke zondag twee keer, maar in plaats van naar de preek te luisteren, denk je aan andere dingen. En nu vraag je mij: hoe kan ik die denk dat ik God niet altijd eren kan, nu ooit tot God bekeerd worden?

Op een eerlijke wijze schrijf je me dat dus. Maar als je me dat zo eerlijk schrijft, maak je het daarmee voor mij gemakkelijker om je te antwoorden. Dat eerlijke schrijven brengt mij ertoe om ook maar eerlijk en ronduit te schrijven wat vooral ook in deze tijd zoveel verzwegen en ontkend, ja geloochend wordt. Men stelt het de mensen in preken en schrijven veelal zo voor, alsof men uit zichzelf wel in waarheid naar de Heere zal vragen. Maar zo wordt de doodstaat waarin de mens van nature verkeert, niet eerlijk de mensen onder het oog gebracht.

De vakantietijd ligt nu weer achter ons en daarom neem ik de gelegenheid nu ook maar waar om jou eerst maar een antwoord op je vragen te geven. Ik heb al heel wat brieven klaar liggen,

maar andere vragenstellers moeten dan nog maar een poosje langer op een antwoord wachten. En toch moet ik ook aan de oude mensen denken, die zeker niet ver meer van de dood vandaan zijn. Het is me gebeurd dat ik een oud mens ook al spoedig een antwoord op zijn vragen gaf, maar toch kwam mijn antwoord in ons blad nog net te laat, daar hij nog juist even tevoren overleden was. Maar jong zijnde, kan het ook sterven voor je worden. In de vakantietijd die nu weer achter ons ligt, zijn ook weer jonge mensen verongelukt en is het ineens eeuwigheid voor hen geworden. Daar hadden ze niet op gerekend toen ze van huis gingen, dat ze de plaats van hun bestemming hier op aarde niet zouden bereiken, maar op hun eeuwige bestemming zouden aanlanden.

Gun ik de mensen in deze jachtige tijd niet een beetje vakantie en ontspanning? Och, ik zie het bij de jeugd om me heen, dat men dat wel nodig heeft. Maar het doet me ook wel weer pijn, als ik zie waar men zich het meest mee bezighoudt. Er is waarlijk in de natuur ook veel moois te zien en te beleven. Maar leidt dat ook onze gedachten op tot die God Die alles geschapen heeft? Och, het is in heel het leven van de natuurlijke en onbekeerde mens toch zo duidelijk te zien wat men zoekt en waar men mee bezig is. Om maar iets te noemen wat toch wel onschuldig lijkt, denk ik aan de lectuur waar men naar grijpt. Lange tijd verdiept men zich in een dik boek dat wel zeer spannend of ontspannend is om te lezen, maar dat ons in het minst niets doet weten van wat voor ons het voornaamste moet zijn. We lezen echter zo'n boek liever dan een boek van godsdienstige inhoud. En zo blijven de goede geschriften die ons wijzen op de eeuwige dingen, ongebruikt liggen. Wat zegt ons dat nu? Dat wat in jouw hart leeft, in ons aller hart leeft. En hoe komt dat? Omdat de mens geestelijk dood is.

De geestelijke doodstaat van de van God afgevallen mens houdt heel wat in. We leven in onze onbekeerde staat van onze Schepper gescheiden. In de staat der rechtheid vóór de val mocht de mens in de gunst en gemeenschap van zijn Schepper een onuitsprekelijke zaligheid genieten. Maar voor de afval van de levende God zijn we onuitsprekelijk rampzalig geworden. Buiten God is er geen leven, maar alleen de dood. De Heere had tot de mens gezegd dat men van alle bomen des hofs vrijelijk eten mocht. Alleen mocht men niet eten van de boom der kennis des goeds en des kwaads. Ten dage als men daarvan zou eten, zou men de dood moeten sterven. Is de mens op die zelfde dag als men van die boom gegeten heeft gestorven? Ja, want men is gelijk sterfelijk geworden. Geheel het leven dat de Heere de mens hier op aarde geeft, is niet anders dan een gestadige dood.

De mens heeft zich echter door die afval van de levende God ook in een geestelijke doodstaat gebracht. En de eeuwige dood hiernamaals is daaraan verbonden. Maar de geestelijke doodstaat betekent niet alleen dat men nu gescheiden leeft van zijn Maker. Die geestelijke doodstaat betekent heel wat meer. Men is vijandig geworden tegen God en afkerig van de ware zaligheid die alleen in de gemeenschap met Hem te vinden is. In je briefje heb je dat ook duidelijk geopenbaard, als je me eerlijk en oprecht geschreven hebt dat de godsdienst je eigenlijk niet aanstaat. Je gaat liever niet naar de kerk dan wel. Je gaat wel netjes met je ouders mee naar de kerk, maar naar de preek luister je meestal niet. Dan denk je aan andere dingen. Als er thuis over andere dingen gesproken wordt dan aards tijdelijke dingen, dus over geestelijke dingen, dan zitje er onverschillig bij. Je doet dan ook net of je dat geheel niet interesseert.

Ik schrijf dit nu maar zoals je het mij in je brieve hebt doen weten. Moet ik dat nu zo letterlijk uit je brieve overnemen in dit antwoord per brief? Och, hoewel je daar wel je voor moet schamen, behoefje toch voor anderen je daar niet voor te schamen, want we zijn hierin allen aan elkaar gelijk. We zijn allen afkerig van de ware godsdienst geworden. De mens in de onbekeerde staat weet niet meer waarin het ware zielsgenoegen is te vinden. Men zoekt het in alles wat ons toeroept: "Bij mij is het niet, bij mij is het niet, bij mij is het niet!" En toch blijft men daar zijn vermaak en genoegen in zoeken. Maar men komt met alles wat de wereld biedt beschaamd uit. Het leven is vol teleurstellingen. De straf op de zonde kan ook niet uitblijven, want God is een heilig God Die met de minste zonde geen gemeenschap kan hebben. De zonde is een onwettigheid en dat betekent een ongerechtigheid. Alles wat met het recht in strijd komt, komt ook met Gods heiligheid in strijd. God is de goedheid zelf En al wat niet goed is, kan niet anders dan kwaad over ons brengen. We zien dat duidelijk in alles wat thans in de wereld om ons heen zich afspeelt. Hebben die mensen een gelukkig leven, die thans vele gruwelen bedrijven? Wat zijn de gevolgen ervan? En nu behoeven we ons nog niet op zulk een gruwelijke wijze uit te leven, want we kunnen op een zogenaamd nette manier ook een zondig leven hebben. Maar kunnen we daarin ware vrede vinden voor onze ziel? Nee, de dichter van Psalm 119 zegt: "Die Uw wet beminnen, hebben groten vrede, en zij hebben geen aanstoot". Ik voel echter uit je schrijven wel aan, dat je ook geen vrede hebt. Je hebt eerlijkje hart aan me gelucht, maar je hebt gelijk de vraag gesteld: als je zo doet, kan je toch nooit tot God bekeerd worden? En je schrijft ook nog eerlijk naar me: ik leef zo'n beetje tussen twee werelden in. De ene keer doe ik met alles mee en probeer ik alles uit, maar de andere keer denk ik: waarom doe ik dit eigenlijk allemaal? Dat vindt God vast niet goed. Maar toch ga ik iedere keer weer door.

Omdat je zo eerlijkje hart aan me hebt gelucht, wil ik ook graag zo spoedig mogelijk je mijn brief aan je onder het oog doen komen. Ik voel aan datje er geen vrede bij hebt dat het zo bij je is. En och, dan is mijn hart ook over je bewogen en tegelijk niet alleen over jou, maar ook over vele jonge mensen met jou. Je vraagt me of je zo nog bekeerd zou kunnen worden. Je consciëntie spreekt je dus nog wel aan over watje verkeerd doet. Er zijn dus nog wel indrukken bij je van dood en eeuwigheid. Ik wil je de ernstige raad geven om daar toch niet overheen te leven. Laat je door de begeerlijkheden der wereld niet verleiden. De jeugd en de jonkheid is ijdelheid. We willen graag uitwendig ook nog mooier zijn dan dat we zijn. Maar de oorversierselen werden er bij Israël toe gebruikt om het gouden kalf te maken. En toen heeft de Heere Mozes doen weten dat Hij Zelf niet meer met het volk zou optrekken. Op de smeekbede van Mozes is de Heere wel weer mee opgetrokken door de woestijn naar Kanaan, maar dan moesten de kinderen Israels de gouden oorversierselen afleggen. Dat heeft ons dus ook wel heel wat te zeggen. Luister daarom ook nog maar naar de vermaningen van je ouders. In de hel zal de mens tot een eeuwige afgrijzing zijn. Ik kan je niet zeggen hoe verschrikkelijk het zijn zal om voor eeuwig verloren te moeten gaan. Verschillende malen heb ik in mijn antwoord per brief de lezers aangeraden om dat bijzondere boek van Boston over de viervoudige staat des mensen te kopen en te lezen. Van zijn geschriften wordt ook veel misbruik gemaakt, want men gebruikt die het liefst maar voor een verkeerde voorstelling van het aanbod van genade, zoals hij het niet heeft bedoeld. Maar hij besluit zijn boek over de viervoudige staat des mensen met een zeer indrukwekkende voorstelling van wat de mens tot in eeuwigheid te wachten staat als men onbekeerd sterft. Laat men dat eens goed lezen. Ik zou het alles wel willen neerschrijven in deze brief wat daarover in dat boek te lezen is. De schrik des Heeren mocht nog eens bewegen tot het geloof Boston schrijft, dat als men miljoenen van eeuwen in de hel zal zijn, dat men nog maar aan het begin is.

Is God dan zo hard om een mens eeuwig zo te doen lijden? Nee, de mens is hard met tegen God te zondigen. Tegen die God Die hem hier op aarde nog met zoveel goedertierenheden omringt. Die hem hier ook nog zo ernstig laat waarschuwen en een weg der verlossing van het verderf doet voorstellen die- Hij in Zijn Eigen geliefde Zoon geopend heeft voor de grootste der zondaren. Toen de mens van God afviel, was hij niet de minste tijdelijke weldaad meer waardig. De door God geschapen mens moest immers ook door zijn Schepper onderhouden worden. Maar dat behoefde de Schepper nu niet meer te doen. Toch wil Hij nog algemene genade aan de van Hem afgevallen mens bewijzen. Dagelijks betoont Hij daarin nog onverdiend Zijn goedertierenheden. Maar als de mens sterft, houdt die betoning van Zijn goedertierenheid op. Dus dan krijgt men geen druppel water meer. Is God daar dan onrechtvaardig in?

Och, dat toch de goedertierenheden des Heeren ons tot bekering mochten leiden! Geef je niet over aan de boze inblazingen van het verdorven hart en aan de verleidingen des duivels. Ik heb je echter geschreven dat de mens geestelijk dood is. Men is in die doodstaat wel onmachtig ten goede, maar niet ten kwade. We liggen van nature wel in een doodstaat waarin we niets meer tot onze zaligheid kunnen doen, maar we zijn ook vijandig dood en

zeggen tegen God: "Wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben we geen lust". De dienst van God bekoort ons niet. Nu moet ik je vraag beantwoorden, of je dan toch nog wel tot God bekeerd kunt worden. Ja, want daartoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou. Je kunt nog bekeerd worden. De Zoon van God heeft aan het kruis gehangen om aan dat kruis de vijandschap teniet te doen die in ons aller hart te vinden is. Vijanden kunnen nog met God verzoend worden. We worden niet om enige verdiensten onzerzijds, maar uit genade zalig. Die genade Gods wordt ons in het Evangelie altijd maar weer zo ruim voorgesteld.

Och, vraag toch of de Heere je een lust zou willen geven in de kennis van Zijn wegen. In de dienst des Heeren is te vinden wat heel de wereld je niet bieden kan. Die dienst kan ik je op mijn oude dag nog aanprijzen. Gedenk toch aan je Schepper in de dagen van je jongelingschap. De afbraak van de aardse tabernakel die we in Prediker 12 beschreven kunnen vinden en die ik nu ook steeds meer zo gevoelig bij mezelf moet waarnemen, doet me gedurig tot de jonge mensen zeggen dat ze aan hun Schepper moeten gedenken in de dagen van hun jongelingschap. God laat Zich hier nog vinden in de zoekenstijd, in de welaangename tijd en de dag der zaligheid. Als de oprechte keus om voor God te leven in je jonge tijd mag vallen, dan kan ik je de verzekering ervan geven dat het een onberouwelijke keus is. En die Persoon des Middelaars Die als de opperste Wijsheid in Spreuken 8 Zich op zulk een uitnemende wijze aan ons voorstelt met al wat in Hem te vinden is, is al onze liefde waardig. Met Hem komen we niet beschaamd uit, in dit leven niet en ook niet in de doodsjordaan. En nooit is het te zeggen wat tot in alle eeuwigheid Gods Kerk te wachten staat in de zalige gemeenschap met Hem. Om de uitnemende kennis van Hem mocht je ook eens alles wat voor het vlees begeerlijk is, schade en drek leren achten.

Ik zou nu wel aan de gang willen blijven in dit schrijven aan je, maar och, de Heere heeft niet vele woorden van mij nodig. Hij mocht dit schrijven voor jou en andere jonge mensen met je willen gebruiken tot je eeuwige zaligheid. Ik gun je dat zo van harte, want voor de schadelijke weg des verderfs heb ik je niet over. Het is de begeerte van mijn ziel dat ik aan het einde van mijn leven nog ertoe gebruikt zal mogen worden dat er nog pareltjes gehecht mochten worden aan die gezegende Middelaarskroon van Koning Jezus. En bedenk toch dat wat ik nu voorgehouden heb over de geestelijke doodstaat van de mens, niet wegneemt dat we toch redelijke schepselen zijn gebleven en volle verantwoordelijkheid dragen voor al onze daden. Je weet wel dat ik niet op een verkeerde wijze met de verantwoordelijkheid van de mens wil werken, zoals zoveel gedaan wordt, alsof er van ons nog iets bij zal moeten en kunnen komen in het werk der zaligheid. Maar je mag wel aan de Heere vragen of Hij je nog eens recht je verloren staat zal willen doen zien, opdat je nog eens in die onmogelijkheid zult komen, waarin het geen vragen, maar een roepen wordt uit de nood van je ziel. De Heere gedenke je daartoe naar Zijn vrijmachtig welbehagen en Hij geve je om verder onmogelijk nog door te kunnen leven zoals het nu nog bij je is. Als ik het nog beleven zou, dan hoop ik nog eens wat goeds van je te mogen horen. En niet alleen van jou, maar ook nog van andere jonge mensen, de oudere mensen daarbij niet uitgesloten. Dit is de hartelijke wens van de schrijver van het antwoord per brief.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 2001

De Wachter Sions | 8 Pagina's

Antwoord per brief

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 2001

De Wachter Sions | 8 Pagina's

PDF Bekijken