Bekijk het origineel

Antwoord per brief

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Antwoord per brief

16 minuten leestijd

Geachte mevrouw N.N. te N.,

U hebt me gevraagd om eens iets te schrijven over de bekende gelijkenis van de verloren zoon. Daar zult u zeker ook wel een bedoeling mee hebben. Dat hebt u mij niet doen weten. Maar ik hoop Gods Woord te laten spreken en daar hebben we ons toch altijd maar aan te toetsen.

In Lukas 15 kunnen we die bekende gelijkenis beschreven vinden. We vinden daar drie gehjkenissen die op elkaar aansluiten. De eerste gelijkenis is die van het verloren schaap en de tweede gelijkenis is die van de verloren penning. Daarop volgt de gelijkenis van de verloren zoon. Het is wel goed daarop acht te geven. Als we de gelijkenis van de verloren zoon op zichzelf zien, zijn we geneigd te denken dat er toch iets in die gelijkenis niet klopt. Immers wordt er in die gelijkenis gesproken over een weggelopen zoon die we weer terug zien keren tot de vader. We hebben dan toch wel in het bijzonder te denken aan God de Vader als de eerste Persoon in het Goddelijke Wezen. Tot Hem mag de mens die zich ook als een verloren zoon leert kennen terug keren met een waar berouw. Maar buiten Christus zal men toch niet tot de Vader kunnen komen? Nee, dat heeft Christus Zelf gezegd, dat niemand tot de Vader kan komen dan door Hem. We moeten echter zien dat de drie gelijkenissen die we in Lukas 15 beschreven vinden, zoals ik opmerkte, op elkaar aansluiten. In de gelijkenis van het verloren schaap kunnen we in het bijzonder het werk van Christus als de goede Herder beschreven vinden. De tweede gelijkenis van de verloren penning wijst ons in het bijzonder op het werk des Geestes in het zoeken naar die verloren penning.

Dus we bepalen ons nu in het bijzonder bij de gelijkenis van de verloren zoon. Van deze gelijkenis zijn er verschillende verklaringen te vinden. En steeds gaat het dan om de vraag wie er met de jongste zoon en wie er met de oudste zoon bedoeld wordt. Velen denken dat de Heere Jezus met de jongste zoon de heidenen heeft bedoeld en met de oudste zoon de Joden. En werkelijk, die gedachte heeft ons zeker ook voor deze tijd wel wat te zeggen. Maar we moeten toch nooit de gelegenheid vergeten die er Christus aanleiding toe gaf om deze gelijkenissen te gebruiken. We lezen immers in het begin van het hoofdstuk: "En al de tollenaars en de zondaars naderden tot Hem om Hem te horen. En de farizeeën en de Schriftgeleerden murmureerden zeggende: Deze ontvangt de zondaars, en eet met hen." En daarop heeft de Heere Jezus deze drie gelijkenissen gesproken.

Dus hebben we in die gelijkenissen in het bijzonder te zien hoe de Heere Jezus het vrome farizeeïsme heeft doen weten, dat Hij niet gekomen was om rechtvaardigen in eigen oog, maar zondaren te roepen tot bekering. De leer der vrije genade zien we dus weer duidelijk in die gelijkenissen ons voorgesteld. De tollenaren en zondaren behoorden ook tot het Jodendom. Maar nu hield de Heere Jezus Zich niet met de farizeeërs en Schriftgeleerden op, maar wel met tollenaren en zondaren. De farizeeërs en Schriftgeleerden waren geen zondaren. Althans zo kenden zij zichzelf niet. Als we echter geen zondaar zijn, is er voor die Persoon des Middelaars bij ons geen plaats. Dat heeft de Heere Jezus met die gelijkenissen die farizeeërs en Schriftgeleerden goed doen weten. En zo heeft Hij met die gelijkenissen ook die scherpe scheidslijn doen zien die er liep door het natuurlijk zaad van Abraham. Zo wijzen die gelijkenissen ons dan ook op de scheidslijn die door God getrokken wordt dwars door de godsdienst neen. Zo hebben die gelijkenissen ons voor deze tijd ook veel te zeggen. Het geslacht is nog niet uitgestorven dat er zich op beroemt Abrahams zaad te zijn. Maar dat geslacht kan zijn beeld zeer duidelijk vinden in de oudste zoon die nog nimmer het gebod zijns vaders heeft overtreden. Dus we behoeven niet zo lang te zoeken naar de strekking van die gelijkenissen, dus ook niet iiaar die van de verloren zoon.

We zijn allen van nature aan de oudste zoon gelijk, ook al belijden we de leer der zuivere Waarheid. Maar ook de jongste zoon is bij ons te vinden. We hebben allen het huis des Vaders verlaten. De jongste zoon is het leven in het huis des vaders moe geworden en begeert niet langer onder toezicht en de zorg van de vader te staan. Ons aller afval van de levende God kunnen we er ons in zien voorgesteld. Er waren geen redenen toe om de Schepper vaarwel te zeggen. De mens mocht als het pronkstuk van de schepping Gods in de gunst en gemeenschap van zijn Schepper zich verlustigen. Hij was geheel met Gods beeld versierd, maar dat was hem niet genoeg. Hij wilde zijn Schepper gelijk zijn. Dus hij wilde van het toezicht des Vaders ontslagen zijn. Dat is de gruwelijke val des mensen geweest. Maar nu zien we in de gelijkenis van de verloren zoon ons voorgesteld hoe de zondaar door het ontdekkend werk des Geestes zijn gevallen staat leert kennen en geen rust meer kan vinden buiten het huis en de gemeenschap des Vaders. De oudste zoon spreekt alleen maar over het genadeverbond. U moet erop letten dat u die nooit hoort spreken over het verbond der werken. Maar de jongste zoon zal weten dat God eenmaal een werkverbond met de mens gesloten heeft en dat hij dat moed-en vrijwillig verbroken heeft. God heeft in het werkverbond de mens voor de keus geplaatst om van de boom der kennis des goeds en des kwaads te eten of er niet van te eten. Wel had God het eten van die boom verboden, maar de mens had toch een vrije wil waardoor hij zelf bepalen kon of hij door gehoorzaamheid de Schepper getrouw zou blijven of door ongehoorzaamheid zich van zijn Schepper los zou maken. Daarom wordt er in de gelijkenis gezegd dat de vader dadelijk de wil van de jongste zoon opvolgde en hij deelde hun het goed. De jongste zoon is zo spoedig mogelijk weggereisd naar een vergelegen land. Hij had geld genoeg tot zijn beschikking om naar dat vergelegen land te reizen, maar hij zou geen geld meer hebben om weder te keren. De verloren zoon heeft al zijn goed doorgebracht in dat vergelegen land. Het stond in het vermogen van de mens om zich van God af te keren, maar het staat niet meer in zijn vermogen om weder te keren. Daar ligt hij nu, voor eeuwig van God en Zijn gemeenschap gescheiden, vervreemd van het burgerschap Israels, geen hope en zonder God in de wereld, vreemdeling ook van de verbonden der belofte. Dat zegt de apostel van hen die eertijds heidenen waren, maar dat geldt ook van ons zoals we leven onder de openbaring of bediening van het verbond der genade. Dat laat de gelijkenis ons ook wel weten, want heeft die verloren zoon kunnen denken dat hij toch weer zo liefderijk door de vader zou worden ontvangen? Och, de rijke inhoud van dat genadeverbond kennen we niet, want daar zal God alleen maar kennis van geven als er zulk een wederkering zal mogen komen als bij de verloren zoon.

De verloren zoon heeft al zijn goed doorgebracht in een vergelegen land. Daar ziet u ons beeld. Burgerlijk, kerkelijk en godsdienstig goed kunnen we nog wel bezitten, maar al is het dat we ons daarop beroemen, het wordt alleen maar door ons misbruikt. En zaligmakend en geestelijk goed zijn we ten enenmale door onze diepe val verloren. Om Gods gemeenschap bekommeren we ons niet meer. Maar van de verloren zoon lezen we dat hij gebrek begon te lijden. We lezen ook dat hij tot zichzelf gekomen is. Maar daar is toch ook nog wat aan voorafgegaan. Er is een grote hongersnood gekomen in dat vergelegen land. En nu had hij in dat land alles verteerd in zijn overdadig leven, maar hij keerde toch maar niet dadelijk naar zijn vader terug. Hij voegde zich bij een van de burgers van dat land en die zond hem in zijn land om de zwijnen te weiden. Welk een vernedering, inzonderheid voor de Joden, voor wie de zwijnen toch onreine dieren waren. De tollenaars hadden zich ook gesteld in dienst van de Romeinen, maar met dat zwijnendraf konden de tollenaars die tot Jezus kwamen, hun buik niet meer vullen. Het waren dus geen zondaren die in een zondige weg door konden gaan, die tot Jezus kwamen. Jezus at en dronk met boetvaardige tollenaars en zondaars. En die konden het ook niet doen met de zwijnendraf van die vrome godsdienst van die schijnheilige farizeeërs. Wel lezen we van die verloren zoon dat hij begeerde om zijn buik te vullen met de draf die de zwijnen aten. Och, het is bij ons allen wel zo, dat we in ons leven buiten God ons gebrek zoeken te vervullen met al wat ons buiten God

nooit vervullen kan. Zo zoeken we dan nog wel terug naar een verloren paradijs. De een zoekt zijn vergenoeging in de zonden en de ander in de godsdienst, maar hoewel we gebrek lijden, toch lijden we geen gebrek op zulk een wijze als de Heere Jezus in de gelijkenis van de verloren zoon heeft willen voorstellen. Die zo gebrek lijden, gevoelen een smartelijk Godsgemis en hongeren naar een gerechtigheid waarvan ze zich door eigen schuld beroofd zien en die ze buiten zichzelf zullen moeten vinden, want alle eigengerechtigheid is niet anders dan zwijnendraf Ze hebben wel gezocht om daarmee hun buik te vullen, maar die zwijnendraf is ze ook nog onthouden.

Die verloren zoon moest recht tot zichzelf komen. We lezen: "En tot zichzelven gekomen zijnde, zeide hij: Hoevele huurlingen mijns vaders hebben overvloed van brood, en ik verga van honger." De burgers van het land hebben hem niet gezegd dat hij het beste maar terug kon gaan naar zijn vader. Nee, die proberen je met van alles wel zoet te houden buiten het huis des Vaders. Die zeggen u niet dat u teruggebracht zult moeten worden waar u uit gevallen zijt. U moet er maar op letten dat daar die burgers van het land altijd aan te kennen zijn. Die spreken liefst niet over de gevallen staat van de mens en die zeggen ons niet wat er aan de mens gebeuren moet. Maar als God ons ontdekt, dan kunnen we het bij die burgers van het land ook niet uithouden. Ze geven ons stenen voor brood. Maar met die zwijnendraf kunnen we het dan ook niet doen. Dit moet ons nu juist bij de oorzaak van onze ellende brengen. En dit moet ons doen zien dat niet minder nodig is dan een oprechte wederkering tot die God Die we verlaten hebben en tegen Wie we gezondigd hebben. Als de verloren zoon tot zichzelf gekomen is, dan heeft hij gezegd: "Hoevele huurlingen mijns vaders hebben overvloed van brood, en ik verga van honger." Zo was het met die tollenaars. De farizeeërs mochten hen verachten, maar zij verachtten dus die farizeeërs niet. Al kregen ze van hen ook maar zwijnendraf waarmede ze hun buik niet vullen konden, maar ze keken niet vanuit de hoogte op hen neer. Dat laat de gelijkenis van de farizeeër en de tollenaar in de tempel ons wel weten. Die farizeeër zag wel de tollenaar staan en die sprak het maar openlijk uit dat hij gelukkig niet was als die tollenaar. Maar de tollenaar stond van verre en durfde zijn ogen niet op te heffen naar de hemel. Zo'n tijd wordt door de verloren zoon gekend, dat hij tegen een uitwendig oppassend godsdienstig mens hoog opziet, want men ziet zichzelf maar als een grote doorbrenger. Maar als hem de zwijnendraf onthouden wordt waar anderen het wel mee kunnen doen, dan gaat hij toch aan de Vader denken, aan die God tegen Wie hij gezondigd heeft. Men moet het erkennen dat men het niet waardig is om nog een kind genaamd te worden. De verloren zoon wordt zo eerlijk en oprecht gemaakt dat hij zijn schuld niet meer bedekt, maar het erkent dat hij gezondigd heeft. Die God Die zijn Schepper was, was zijn Vader, maar hij heeft door zijn afkeer van de levende God een breuk geslagen die door hem niet meer te helen is. En zo moet zijn Vader nu zijn Rechter zijn. Die heeft over hem te beslissen wat Hij met hem zal doen. Er schiet alleen voor de verloren zoon niet anders over dan Hem in de handen te vallen, want hij vergaat van honger. Een omkomen wordt het voor die zondaar buiten God, maar dan schiet er toch niet anders voor hem over dan om als een gans schuldige die God in de handen te vallen, ook al zal het dan toch ook een omkomen voor hem moeten worden. Hij wil alleen dan toch maar oprecht belijden dat dit alles zijn eigen schuld is.

Wat is het voor die verloren zoon toch een meevallen geworden. "En als hij nog ver van hem was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen; en toelopende viel hem om zijn hals en kuste hem." Hij zag hem dus niet met een oog vol toorn en een hart vol gramschap aan. Nee, hij werd met innerlijke ontferming over hem bewogen. Zo ontdekt zich de eeuwige liefde Gods des Vaders. De verloren zoon is wel uit de gemeenschap Gods des Vaders gevallen, maar niet uit Zijn liefdehart. God is van eeuwigheid al in Zichzelf bewogen geweest en heeft ook die verloren zoon van eeuwigheid al in Christus aanschouwd. En zo heeft Hij hem aanschouwd in zijn zondige staat en leven, als hij nog in dat vergelegen land zich ophield. Hier had geen oog medelijden met hem, want hier werd de zwijnendraf hem nog onthouden. Maar God zegt: "Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde en Ik heb wel gehoord dat zich Efraïm beklaagt, zeggende: Gij hebt mij getuchtigd, en ik ben getuchtigd geworden als een ongewend kalf Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn, want Gij zijt de HEERE mijn God. Zekerlijk, nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw gehad, en nadat ik mijzelven ben bekend gemaakt, heb ik op de heup geklopt; ik ben beschaamd, ja ook schaamrood geworden, omdat ik de smaadheid mijner jeugd gedragen heb. Is niet Efraïm Mij een dierbare zoon, is hij Mij niet een troetelkind? Want sinds Ik tegen hem gesproken heb, denk Ik nog ernstiglijk aan hem; daarom rommelt Mijn ingewand over hem; Ik zal Mij zijner zekerlijk ontfermen, spreekt de HEERE."

O, als de Vader Zich eens in die eeuwige liefde zal doen kennen, dan zal die verloren zoon door die liefde als verslonden worden. Dan zal men weten hoe de Vader Zelf de verzoening tot stand gebracht heeft. Het staat er zo treffend dat de Vader hem van verre zag. Wat is dat toch een verborgenheid voor de ziel. Zeker, er kan van die liefde al wel wat door de ziel gesmaakt zijn. Hoe ruim kan de weg der verlossing in Christus voor de ziel ontsloten zijn bij God vandaan. En zo heeft men het getuigenis er ook van ontvangen dat vlees en bloed dit niet heeft geopenbaard, maar de Vader Die in de hemel is. Niemand heeft ooit God gezien, maar de eniggeboren Zoon Die in de schoot des Vaders is. Die heeft Hem ons geopenbaard. Maar toch, de verloren zoon moet door de Middelaar tot de Oorsprong der zaligheid gebracht worden, om waarlijk de volle Vaderlijke liefde te mogen smaken en te mogen weten hoe met eerbied gesproken de Vader heeft uitgezien naar het ogenblik dat Hij die verloren zoon aan Zijn hart kon drukken, om hem weer een thuiskomen bij Hem te doen vinden. Het is menselijk zo gesproken, maar Christus heeft dit op een menselijke wijze zo ook voorgesteld. Men kan zich het minste plekje in het huis des Vaders niet waardig keuren, maar wordt toch op zo'n eervolle wijze in het vaderlijke huis ontvangen, alsof men nooit gezondigd had. Het beste kleed moest voor hem gehaald worden. Dat moest niet nog geweven worden, want dat lag al klaar. Wie kan dat wonder vatten! Zo wordt het werk der zaligheid bij God vandaan verklaard in het hart. Die zoon was een verloren zoon. Het woord verloren wordt in alle drie de gelijkenissen door Christus gesproken, gebruikt. Er wordt over een verloren schaap, over een verloren penning en over een verloren zoon gesproken. Maar die verloren zoon, die niet verloren ging, maar eigenlijk verloren lag, mocht niet verloren gaan. Hij kreeg ook nog een ring aan zijn hand en schoenen aan zijn voeten. Dat is de ring van trouw, want hij mag niet voor eeuwig verloren gaan. Hij krijgt ook schoenen aan de voeten, want hij zal toch nog een doornig pad moeten gaan. Daarom moet hij nog een wapenrusting aan hebben ook.

De oudste zoon is het er al zo niet mee eens dat hij weer zo in liefde door de vader is ontvangen. Daar is ook nog wel wat over te zeggen en te schrijven. Die oudste zoon heeft nooit het gebod zijns vaders overtreden. Daar is de oudste zoon altijd aan te kennen. Hij wilde niet ingaan. De opmerking is wel gemaakt door een vroom geslacht: "Of de oudste zoon nog tot bekering is gekomen, weten we niet." Nee, die komt niet tot bekering. Men verstaat de strekking van de gelijkenissen des Heeren niet goed. Jezus sprak die gelijkenissen op de opmerking die door de farizeeën en Schriftgeleerden werd gemaakt: "Deze ontvangt de zondaars en eet met hen." De knecht blijft niet eeuwig in het huis. De zoon blijft er eeuwig. Hagar wordt bij de spening van Izak uitgedreven met haar zoon. De dienstknecht zal niet erven met de zoon der belofte.

Zullen er geen Joden meer bekeerd worden? Zeker, daar doet ook deze gelijkenis ons naar uitzien, vooral in deze tijd die we beleven bij alles wat thans gebeurt. Maar als dat gebeurt zal de Jood ook een verloren zoon worden. Dan heeft hij nergens meer recht op. Dan gebeurt hetzelfde als op de Pinksterdag. Dan wordt men verslagen in het hart en roept men uit: "Wat zullen wij doen, mannen broeders? " Mocht dat nog eens spoedig gezien worden. Maar dat is nu voor ons allen nodig. Jonge mensen, het geval van de jongste zoon heeft u toch ook in het bijzonder in uw jonge leven vol van verleiding zeer veel te zeggen! Neemt het nog ter harte. Ik moet afbreken.

Mevrouw, ik wens u met uw gezin, man en kinderen hetzelfde van harte toe.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 2004

De Wachter Sions | 8 Pagina's

Antwoord per brief

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 2004

De Wachter Sions | 8 Pagina's

PDF Bekijken