Bekijk het origineel

Antwoord per brief

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Antwoord per brief

16 minuten leestijd

Geachte heer D. te IJ.,

Van u heb ik geen brief gehad, maar bij een ontmoeting ergens hebt u mij gevraagd om eens iets over Martha te schrijven, de zuster van Lazarus en dan naar wat we van haar vermeld vinden bij de opwekking van Lazarus uit de dood. Het was juist bij het afscheid nemen dat u mij dat hebt gevraagd, zonder me de reden te laten weten waarom u mij dat vroeg. Nu, ik zal proberen om iets over deze geschiedenis en dan in het bijzonder over Martha te schrijven. De Heere Jezus heeft steeds een aangenaam verblijf onder het vriendendak van Martha, Maria en Lazarus gevonden. Het is dus wel een aantrekkelijke geschiedenis waar ik nu iets over moet schrijven. Toch is de leiding des Geestes hierin toch ook weer zo onmisbaar.

In Johannes 11 kunnen we de opwekking van Lazarus uit de dood beschreven vinden. In het evangelie naar de beschrijving van Lukas kunnen we lezen hoe Martha een keer door de Heere Jezus is bestraft, als ze er een aanmerking op maakte dat Maria aan Jezus' voeten bleef zitten en haar alleen liet dienen. Ze wilde dat de Heere Jezus daarover Maria een berisping zou geven, maar ze kreeg zelf een berisping. Zij heeft gezegd: "Heere, trekt Gij U dat niet aan, dat mijn zuster mij alleen laat dienen? Zeg dan haar, dat zij mij helpe." Maar het antwoord van de Heere Jezus is daarop geweest: "Martha, Martha, gij bekommert en ontrust u over vele dingen. Maar één ding is nodig; doch Maria heeft het goede deel uitgekozen, hetwelk van haar niet zal weggenomen worden."

Was Martha een onbegenadigd mens? Nee, dat moeten we uit die woorden van de Heere Jezus niet opmaken. Ook moeten we er ons van weerhouden om in onze verklaring van die geschiedenis zo overgeestelijk te zijn, dat we Martha ons in moeten denken als een mens die ter onderscheiding van Maria de zaligheid nog wat meer in haar eigen werk zocht, terwijl dat Maria wat meer geestelijke kennis had mogen verkrijgen. We moeten in beider gedrag iets anders zien. Martha wordt steeds het eerste genoemd, ook in de geschiedenis die we thans voor ons hebben. En in dit hoofdstuk lezen we ook juist: "Jezus nu had Martha en haar zuster en Lazarus lief" Dus in deze woorden die van de liefde van Jezus tot dit drietal spreken, wordt Martha ook nog wel het eerste genoemd. Men denkt wel dat zij weduwe zal zijn geweest en dat Maria en Lazarus nu bij haar inwoonden. Er wordt immers ook gezegd dat Martha Jezus in haar huis ontving. En daar zij Hem in haar huis ontving, bracht dat als vanzelf met zich mee, dat zij zich in het bijzonder als de aangewezene ertoe gevoelde om voor een goede maaltijd te zorgen. Daarbij kwam de Heere Jezus nooit alleen, maar bracht steeds nog twaalf mannen met Zich mee. Dus heel begrijpelijk gaf dat Martha toch wel een hele zorg om dit gezelschap zo goed mogelijk in haar huis te ontvangen. En dat zeker ook wel omdat het de Zoon van God was Die ze in haar huis ontving.

Maar de Zoon van God was er niet toe gekomen om Zich eens goed in haar huis door haar te laten bedienen. Dat ene nodige waarover Hij sprak, stelde Hij Zich ook altijd voor ogen. Daar was Hij voor op aarde gekomen en daar mocht Hij ook met Maria over spreken. En met een heilbegerige ziel mocht Maria aan Zijn voeten zitten om dat onderwijs van Hem te ontvangen. Zo mocht ze daarin het goede deel uitkiezen, althans daar meerdere blijk van geven dan Martha, hoewel Martha toch ook wel het goede deel heeft mogen uitkiezen. Wat zij deed in die huishoudelijke zorg die ze aan dit gezelschap besteedde, deed ze ook in ware liefde.

Maar nu gaan we naar de geschiedenis die in het bijzonder onze aandacht vraagt. We kunnen ook weer niet te uitvoerig op geheel die geschiedenis ingaan. En ik neem aan dat dit ook uw bedoeling niet zal zijn. Al wat de Heere Jezus sprak en deed, was van zeer veel betekenis. In de wonderen die Hij verrichtte, had Hij de schare ook altijd zeer veel te zeggen. En dan zeker wel als Hij zulk een groot wonderwerk deed als de opwekking van iemand uit de dood. Als Hij blinden het gezicht gaf, liet Hij daarmee zien hoe Hij ertoe gekomen was om aan geestelijk blinden het gezicht te geven. Als Hij doven het gehoor gaf, wees dat erop dat Hij gekomen was om aan geestelijk doven het gehoor te schenken. En als Hij doden opwekte, dan wees dat op een opwekking uit de geestelijke doodstaat waartoe die Middelaar in de wereld gekomen was en dus ook op het ware geestelijke en eeuwige leven dat Hij de Zijnen schenkt. Maar wie van al die mensen die Hem zo Zijn wonderwerken zagen verrichten, had daar oog voor? Zelfs aan degenen die een nieuw leven mochten bezitten, moest dat te verstaan gegeven worden. Dat moeten we ook in deze geschiedenis van de opwekking van Lazarus zien. Maria en Martha hadden reeds een boodschap aan Christus doen brengen met de mededeling: "Heere, zie, dien Gij liefhebt, is krank." Toen leefde dus Lazarus nog. Maar Jezus heeft een wonderlijk antwoord op die boodschap gegeven. Hij heeft gezegd: "Deze krankheid is niet tot den dood, maar ter heerlijkheid Gods; opdat de Zone Gods door dezelve verheerlijkt worde." Hij bleef daar toen nog twee dagen. En toen zei Hij tot Zijn discipelen: "Laat ons wederom naar Judéa gaan." Daar hadden de discipelen niet veel mee op. De Joden hadden Hem daar onlangs nog gezocht te stenigen. En als Jezus sprak over een slaap van Lazarus, dan begrepen ze niet dat Hij de slaap des doods bedoelde. Thomas heeft toen ook nog gezegd: "Laat ons ook gaan, opdat wij met Hem sterven." Daar kwam ook de aard van Thomas weer in voor de dag.

Als Jezus te Bethanië kwam, lag Lazarus al vier dagen in het graf Martha hoorde dat Jezus daar kwam en ging gelijk naar Hem toe met de opmerking: "Heere, waart Gij hier geweest, zo ware mijn broeder niet gestorven." Toch had ze blijkbaar nog wel een groot geloof, want ze zei: "Maar ook nu weet ik, dat alles wat Gij van God begeren zult. God het U geven zal." Toch dacht ze nu ook weer te gering over Zijn Godheid. Als Jezus zei dat haar broeder weder op zou staan, heeft ze gezegd: "Ik weet, dat hij opstaan zal in de opstanding ten laatsten dage." Maar daarop kreeg ze zo'n treffend antwoord te horen, als Hij gezegd heeft: "Ik ben de Opstanding en het Leven, die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven. En een iegelijk die leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. Gelooft gij dat? " Ja, Martha geloofde dat Hij de Christus was, de Zone Gods, Die in de wereld komen zou. Ze heeft haar zuster geroepen en tot haar gezegd: "De Meester is daar en Hij roept u." Maria is toen ook gelijk naar Jezus gegaan en heeft Hem hetzelfde gezegd als Martha. "Heere, indien Gij hier geweest waart, zo ware mijn broeder niet gestorven." Jezus betoonde Zijn hartelijk medeleven, als Hij Maria zag wenen. En dan vinden we de kortste tekst in de Bijbel: "Jezus weende." Daar is op zichzelf ook al genoeg over te zeggen, maar daar komen we vanzelf ook nog wel toe, als we hebben te wijzen op de betekenis van de opstanding van Lazarus.

Jezus is tot het graf gekomen. Het was een spelonk en een steen was daar opgelegd. Jezus gaf de opdracht om die steen weg te halen. Maar dan wist Martha te zeggen: "Heere, hij riekt nu al, want hij heeft hier vier dagen gelegen." Maar het wonderwerk dat Jezus nu zou verrichten, zou nu nog meer te zien geven dan de opwekking van het dochtertje van Jaïrus en van de jongeling van Naïn, waartoe de Middelaar in de wereld gekomen was. Het dochtertje van Jaïrus was nog in huis en de jongeling van Naïn werd naar het graf gebracht, maar Lazarus lag al in het graf en hij riekte al. Ja juist, nu moest er een stinkende Lazarus uit het graf komen. Verstaan we de betekenis daarvan? Weten we nog wel wat de geestelijke doodstaat van de mens ons zegt? Ja, daar weten we het antwoord misschien nog wel op. We zullen uit de geestelijke doodstaat moeten worden opgewekt. Maar weten we ook wat het zeggen wil, dat we stinken in die geestelijke doodstaat? Dat schijnen velen nog niet goed te weten. Ze kennen aan de geestelijk dode mens nog wel een vermogen toe dat hij niet meer heeft. Er is met zo'n dood mens toch nog wel wat te beginnen. Hij moet naar Jezus komen, dan wordt hij levend. Moet dat

niet gepredikt worden, dat het geloof in Jezus nodig is tot het ware leven en de zaligheid der ziel? Ja zeker, dat moet altijd gepredikt worden, als het maar goed gedaan wordt. God eist niet minder dan een waarachtige bekering en een geloof in Jezus tot onze zaligheid.

Dit is echter het verschrikkelijkste van onze geestelijke doodstaat, dat het onze grootste ellende is dat we onze ellende niet recht kennen. Er is geen plaats voor Jezus in ons hart. Het is bij ons niet anders dan bij die Joden in Jezus' dagen. Als Lazarus door Hem uit de dood is opgewekt, waren er onder die grote schare die dat grote wonderwerk hebben aanschouwd, die naar de farizeeën gingen om te vertellen wat er gebeurd was. En wat was het gevolg daarvan? We lezen: "De overpriesters dan en de farizeeën vergaderden den Raad, en zeiden: Wat zullen wij doen? Want deze Mens doet vele tekenen. Indien wij Hem alzo laten geworden, zij zullen allen in Hem geloven." Kajafas wist wel te zeggen: "Gij overlegt niet, dat het ons nut is dat één Mens sterve voor het volk, en het gehele volk niet verloren ga." Dit moest hij ook nog zeggen als hogepriester, dus ambtelijk. Het kan daarin dus ook ver gaan. Ambtsdragers kunnen grote waarheden verkondigen, die zij zelf niet recht verstaan. Maar de vijandschap kwam toch bij Kajafas in wat hij sprak wel goed openbaar. Christus moest de dood in. En geloof nu maar dat het bij elk mens van nature niet anders is dan bij het Christusverwerpende Jodendom. Laten we toch eens eerlijk met onszelf zijn. Met onze algemene overtuiging van de Waarheid kunnen we toch wel goed in het leven blijven? Hebben we nu Jezus wel waarlijk nodig tot het behoud van onze kostelijke ziel? Och, laten we het u toch maar eerlijk zeggen: zolang het geen verloren zaak voor ons wordt, is er voor Jezus bij ons geen plaats. Is dit nu Evangelie, wat ik nu schrijf? Ja, dit is een ruim Evangelie voor een mens die er oog voor krijgt wat zijn totale geestelijke doodstaat betekent, een doodstaat waarin hij stinkt van ongerechtigheid. Die ziet voor zichzelf geen weg tot zijn behoud. Maar die mag misschien van ons uit dit schrijven beluisteren dat Jezus voor zulke mensen in de wereld gekomen is. Zou het geen Evangelie zijn waarin dat beluisterd mag worden? Onder zulk een Evangelie mogen we nog leven. Onder een Evangelie waarin de noodzakelijkheid van de ware zielsontdekking ons wordt voorgehouden waardoor er plaats voor zulk een Jezus komt. Die voor zulke ellendige walgelijke zondaren tot zaligheid in de wereld gekomen is. Een Evangelie waarin ons het werk van die dierbare Goddelijke Persoon des Geestes wordt gepredikt, Die het hart bearbeiden wil om er plaats in te maken voor zulk een rijke en volle Zaligmaker. Dit is waarlijk Evangelie. En zulk een Evangelie verstaan zij niet die de mond vol hebben over een evangelie wat geen evangelie is. Martha was door zulk een evangelie niet te verleiden. Zij wist te zeggen dat het niet meer mogelijk was dat er nog een wonder van levendmaking aan Lazarus kon plaatsvinden. Lazarus riekte al.

Maar hier, waar dit wonder onmogelijk scheen, zou dit wonder juist plaatsvinden. Wat zien we hierin? Wel, dat Martha wel geloofde dat Jezus de Zoon van God was, zoals zij beleed, maar zij wist toch nog niet goed waar Hij door Zijn Godheid toe in staat was. Als God was Hij de Almachtige. En als de Almachtige werkt God altijd door de onmogelijkheid heen. Dat zien we in het bijzonder in het werk der verlossing van zondaren. En daar is in al wat de gelovigen van de oude dag hebben moeten ondervinden, altijd zo duidelijk op gewezen. We denken dan in het bijzonder wel aan Abraham, die oud geworden was en ook Sara met hem. Hoe kon er nu nog een zoon geboren worden? Dit was onmogelijk geworden. Maar wat onmogelijk is voor de mensen, is mogelijk bij God. Sara zou een zoon krijgen en uit dat kind zou een groot volk voortkomen en ook Christus als dat bijzondere beloofde Zaad. Zo werkt God in het zaligen van zondaren door de onmogelijkheid heen. Dit is Evangelie. Dit Evangelie hebben we te prediken voor een mens die zich als een dode stinkende Lazarus in het graf ziet liggen. Die is wel aan de weet gekomen dat men niet als een verbondskind in de wereld is gekomen, zoals men met zo'n oppervlakkige verbondsbeschouwing de mensen weet voor te houden. Ik heb dat juist nog weer gelezen van zo'n verbondsprediker die nog wel liefst professor doctor is bij de Gereformeerde Bond. Als in een Bijbelse ge­ schiedenis de kinderen voorgehouden wordt dat ze een nieuw hart moeten krijgen, noemt hij dat een bekeringstheologie. Zulk een bekeringstheologie acht hij niet nodig. Het doopformulier zou ons volgens hem in de dankzegging na de doop toch leren dat de Heere al die kinderen die gedoopt zijn tot Zijn kinderen aangenomen heeft. God zou al die kinderen de zonden hebben vergeven en door Zijn Heilige Geest tot lidmaten van Zijn eniggeboren Zoon, en alzo tot Zijn kinderen hebben aangenomen. Maar dat leert ons die dankzegging in het doopformulier niet, want dan zou men daarmee een afval der heiligen leren. Hoeveel gedoopte kinderen gaan er immers verloren. Dat zal niemand tegen kunnen spreken als men ziet hoe vele gedoopten hun leven in een zondige weg doorbrengen en in diezelfde zondige weg beëindigen.

De dankzegging in het doopformulier zegt ons heel eenvoudig dat de doop er ons op wijst dat de Heere gevallen Adamskinderen tot Zijn kinderen heeft willen aannemen. Dat is het wonder van het werk der zaligheid. We worden niet als een vroom verbondskind zalig. We liggen allen van nature in een verbroken werkverbond. Maar dat woord werkverbond gebruikt men nimmer met zijn verbondsbeschouwing. Men weet alleen maar over het genadeverbond te spreken. Dat is dan het evangelie dat men weet te brengen. Men wil er niet van weten dat we van nature als een stinkende Lazarus in het graf der zonden liggen, in een verbroken werkverbond. Maar dat zal God al Zijn volk doen weten. Buiten ware kennis der ellende weten we dat niet. Men kan dan met wat vrome godsdienst ook nog wel een aardig bekeerd mens zijn. Er zijn onder de godsdienst meer mooie doden dan lelijke doden. De steen is nooit bij hen van het graf gegaan. Jezus zeide: "Neemt den steen weg." Nee, zegt Martha, dat kunnen we niet doen. Hij ligt er al vier dagen in en hij riekt al. En dan zegt Jezus: "Heb Ik u niet gezegd dat zo gij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zult zien? "

Zo is nu pas werkelijk de heerlijkheid Gods te zien. Jezus hief de ogen opwaarts en zeide: "Vader, Ik dank U, dat Gij Mij gehoord hebt, doch Ik wist, dat Gij Mij altijd hoort; maar om der schare wil, die rondom staat, heb Ik dit gezegd, opdat zij zouden geloven, dat Gij Mij gezonden hebt." Hij behoefde niet te bidden als een Elia en een Elisa bij de opwekking van een dode. Hij stond daar als de Zoon van God, de Vader even gelijk. Hij was ook de Almachtige. Dus Hij behoefde het zomaar niet te vragen aan de Vader of Hij dat mocht doen. De Goddelijke Personen zijn dat van eeuwigheid met Elkaar overeengekomen om Zich op deze wijze te verheerlijken in het werk der zaligheid. Om Zich te verheerlijken in het uit de geestelijke dood opwekken van een gruwelijke vuile goddeloze zondaar. Dat wordt het wonder voor al degenen die zich zo leren kennen.

Mijnheer D. te IJ., u hebt me gevraagd of ik eens over dit onderwerp zou willen schrijven, maar u hebt me niet gezegd waarom u me die vraag stelde. Maar nu mag ik u toch ook wel vragen of ge u ook al eens als zo'n stinkende zondaar hebt leren kennen? Hebt ge u ook zo al eens uit het graf zien opkomen, gebonden aan handen en voeten met grafdoeken? Ik vraag dat niet op een verkeerde achterdochtige wijze. Ik zie ze graag zo uit het graf opkomen. De farizeeërs zagen dat niet graag. Zo'n Jezus die daarvoor in de wereld was gekomen, moest nodig gekruisigd worden. Maar deze liefderijke Jezus sprak: "Doet die grafdoeken nu maar weg. Ontbindt hem en laat hem heengaan." Er waren er uit de Joden, die tot Maria gekomen waren, en aanschouwd hebben wat Jezus gedaan had, die in Hem geloofden. Dat zijn er altijd velen. Al zijn het er weinigen in vergelijking met degenen die verloren gaan, zo is het toch een schare die niemand tellen kan. Het zijn er altijd velen die aan zo'n wonderwerk geloof mogen leren hechten, want het is een wonder als één mens dat mag geloven. Maar Martha, Maria en Lazarus waren er goed mee. Het volgende hoofdstuk laat ons weten, dat die drie mensen Jezus een maaltijd hebben bereid. Maria heeft Hem toen gezalfd en Lazarus zat ook aan. Wat is dat toen een lief gezelschap geweest. Het zal toch wat zijn om straks eeuwig met die mensen aan te zitten aan die ronde tafel van de bruiloft des Lams. Ik ga er zin in krijgen. U en de lezers ook? Nu moet ik maar ophouden. Zou men zo'n Middelaar de eer niet gunnen voor zo'n wonderwerk? Hartelijk gegroet en Gode bevolen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 augustus 2004

De Wachter Sions | 8 Pagina's

Antwoord per brief

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 augustus 2004

De Wachter Sions | 8 Pagina's

PDF Bekijken