Bekijk het origineel

Antwoord per brief

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Antwoord per brief

16 minuten leestijd

Aan een jong meisje,

Je briefje heb ik ontvangen, waarin je me kinderlijk en openhartig hebt doen weten wat er in je binnenste omgaat. Je hebt lang getwijfeld of je me zou schrijven, maar mijn antwoord aan andere jonge mensen heeft je er nu toe gebracht om hetzelfde te doen als zij. Dat verblijdt me, daar ik toch wel graag zulke briefjes ontvang. Zoals je me hebt geschreven, heb je gelezen hoe een stervende vader zijn dochtertje vermaande en haar er liefderijk op wees wat er moet gebeuren in ons leven opdat het sterven ons niet tot verschrikking zal behoeven te zijn. Die vader heeft er zijn kind op gewezen dat de Heere niet handelt naar onze zonden en dat er daarom nog een mogelijkheid is om bekeerd te worden. Je vond die woorden toen in de 103e Psalm en nu vraagje mij of ik daar eens over wil schrijven.

Psalm 103 is een lofpsalm van David. In die Psalm kon hij niet anders meer dan goed van de Heere spreken. De Heere wilde met hem ook niet handelen naar zijn zonden. Als de Heere moest handelen naar de zonden, zou er niemand zalig worden. En die ertoe verwaardigd worden evenals David om van de goedertierenheden des Heeren te gewagen, krijgen een open hart voor hun medemens. En dan kan er van hun spreken ook nog wel wat uitgaan. De dienst des Heeren kunnen we niet genoeg anderen aanprijzen. Met de dienst des duivels komen we verkeerd uit en dat voor eeuwig. Hier in ons leven moeten we de gevolgen van onze zondige handelingen al ondervinden, want de zonden brengen toch altijd ellendige gevolgen met zich mee. Maar het zal wat zijn als men tot de dood toe doorgaat in een verkeerde weg en dan eeuwig de vreselijke gevolgen daarvan zal moeten ondervinden.

We beleven thans ook wel een zeer bange en vreselijke tijd, waarin in het bijzonder de jeugd zo los geslagen is. Daarom verblijdt het me nu ook nog zoveel temeer, als ik nog briefes ontvang van jonge mensen die in een verkeerde weg zich nog niet uitleven of er ook niet in door kunnen gaan. De 103e Psalm stelt ons ook zo de werkelijkheid voor ogen van wat we te wachten hebben, daar het toch voor elk mens eens sterven wordt. We lezen immers in deze Psalm: "De dagen des mensen zijn als het gras; gelijk een bloem des velds, alzo bloeit hij. Als de wind daarover gegaan is, zo is zij niet meer, en haar plaats kent haar niet meer." We zien de waarheid van die woorden in het sterven van elk mens bevestigd. Ook jonge mensen worden door de dood uit het leven weggerukt. We kunnen dat steeds lezen in de krant. Hoe verongelukken er steeds jonge mensen op de weg, of worden met een ernstige kwaal bezocht die hen al jong naar het graf doet gaan. Hoe het ook zij, sterven moeten we allemaal en hoe oud we ook worden, onze dagen zijn toch als het gras. Het leven vliegt aan ons voorbij, want we zijn oud eer we er zelf erg in hebben. En dan heeft het leven voor ons afgedaan en dan weten we ook zeker dat het sterven wordt, daar we dat ook op een pijnlijke wijze gevoelen. En hoe beklagenswaardig is dan toch de mens die niet bereid is om de dood aan te doen.

Och meisje, er zit een oude man aan je te schrijven, die steeds lïieer ook in zijn ouderdom gaat zien hoe arm dat toch de mens is die niet anders dan dit tijdelijk leven kent. Men heeft niets wat in de ouderdom de ziel tot een rechte steun kan zijn en dus ook niets om daar de dood mee aan te kunnen doen. En zo gaat nien dan die grote eeuwigheid tegemoet, waarvan we kunnen Weten dat het verschrikkelijk zal zijn als we op die plaats zullen aanlanden waar wening zal zijn en knersing der tanden en Waar de rook der pijniging opgaat tot in alle eeuwigheid. Nooit komt daar meer een einde aan. Wat is de mens daar toch blind voor in zijn natuurstaat. Men leeft daar maar heen alsof men niet behoeft te sterven en alsof er niet zulk een grote eeuwigheid ons wacht.

Wil ik met zo te schrijven de lezers alleen maar bang maken? Och, ik wenste wel dat dit schrijven ertoe dienen mocht om de lezers recht bang te maken. Is het Paulus niet die we horen zeggen: "Wij dan, wetende de schrik des Heeren, bewegen de mensen tot het geloof, en zijn Gode openbaar geworden; doch ik hoop ook in uw consciëntiën geopenbaard te zijn!" Paulus was toch wel een man die de vrije genade Gods ruim heeft mogen prediken. Niemand zal kunnen zeggen dat hij niet ruim in het Evangelie der genade Gods in Christus was.

En ik wil thans in mijn schrijven ook graag het een tegenover het ander stellen. Dat doet ook de 103e Psalm. Er wordt in het 4e vers gezegd: "Die uw leven verlost van het verderf. Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden." Daar wordt dus over het verderf gesproken. Het eeuwig verderf wordt daarmee bedoeld. Daar kunnen we nu nog van verlost worden. En daar zullen we in tijd en eeuwigheid goed mee zijn. In ons leven zijn we daar al goed mee, want de dienst des Heeren is geen sobere dienst, zoals velen wel denken. Men denkt in de dienst der zonden en der wereld een vermaak te vinden dat door geen somberheid wordt overstemd, maar men zal het wel moeten ervaren dat het leven anders is dan dat men zich had voorgesteld. Alle zondige gedragingen brengen zoals ik reeds schreef al ellendige gevolgen met zich mee, maar afgezien nog daarvan blijft het toch voor een ieder gelden dat het uitnemendste van dit leven moeite en verdriet is. Dat geldt dus ook voor Gods volk, maar voor Gods volk is er een troost in leven en in sterven. Die troost maakt alles goed, want het is niet te zeggen welk een heil er in de dienst des Heeren is te vinden. Dat heil overtreft zeer ver al hetgeen de wereld biedt. Men mag dan weer bemoedigd het kruis op zich nemen en in de dienst des Heeren een vermaak vinden dat de arme wereldling niet kent. Och, ik kan u de dienst des Heeren niet begeerlijk genoeg voor ogen stellen. De dichter mocht in de 103e Psalm ook werkelijk met een open en gul hart de dienst des Heeren aanprijzen. En dat mag ik in mijn ouderdom ook nog weleens doen. Daarom doet het ook nog weer goed als ik dit brieve schrijven mag. Er ligt een leven vol wederwaardigheden achter me, maar ik mag in mijn ouderdom gedurig toch dat dierbare Goddelijk Wezen zo bewonderen om Zijn trouwe zorg aan mij bewezen. En dan heeft Hij daarin ook niet gehandeld naar mijn zonden, al ben ik gelukkig wel voor uitbrekende zondedaden bewaard gebleven. Maar waarin verzondigen we het toch ook weer niet. David mocht ook van zijn jonge leven af een gunsteling des Heeren zijn, maar hij spreekt toch ook over zijn zonden, want we horen hem in deze Psalm zeggen: "Die al uw ongerechtigheid vergeeft. Die al uw krankheden geneest.”

Zo mocht de dichter van schuld en ook van genade gewagen. De genade is altijd nog overvloediger dan de schuld. En daarvan gewaagt ook de tekst waar ik op je verzoek iets over wil schrijven. Die tekst schijnt je wel aangesproken te hebben. Maar je ziet toch zoveel zondige dingen bij je, dat je niet geloven kunt dat die tekst voor je bestemd zou kunnen zijn. Je hebt wel gedurig indrukken van dood en eeuwigheid, maar als je naar school gaat, ben je het weer zo gauw vergeten. En een waar berouw over de zonden kun je bij jezelf niet vinden. Je bent wel jaloers op Gods volk, omdat dat volk wat bezit watje zelf moet missen. Je denkt ook nog te goed van jezelf, zoals je me eerlijk schreef En daarom loopt het niet op een totale onmogelijkheid uit, zoals je dat van Gods volk wel hoort en leest. En zo ben je bezig om ook maar ware kenmerken van genade bij jezelf te zoeken. Als je die nu maar zou kunnen vinden en je zou daarop dan door de mensen zalig gesproken worden, zoals dat onder de godsdienst wel gebeurt, dan zou je ook op een gevaarlijk pad terechtkomen. En daar heb ik je ook niet voor over. Ik hoop maar dat je veel on-en wangestalten bij jezelf zult vinden. We zijn zulke begerige, zoekende mensen niet. Schrijf ik nu maar gering over de ware kenmerken der genade? Nee, dat hoop ik niet te doen. Ik ben zo blij als ik die nog bij iemand kan be

speuren. En zeker bij jonge mensen. Maar dan hoop ik er ook nog voor bewaard te blijven om daarin iemand op te bouwen. Ik geef het hefst maar de raad om veel te vragen om ontdekkend licht. En ware zielsontdekking is niet aangenaam voor het vlees.

We worden echter niet als vrienden, maar als vijanden gezaligd. En daar spreekt die tekst van, als er staat: "Hij doet ons niet naar onze zonden en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden." Psalm 103 is een Psalm van een rijke evangelische inhoud. Ik heb eens een man begraven van wie er werkelijk een goed getuigenis te geven was om de genade aan hem bewezen. En toen las ik de 103e Psalm voor en wilde eigenlijk het meest gaan spreken over wat we lezen van vers 15 tot en met vers 18, waar we lezen: "De dagen des mensen zijn als het gras; gelijk een bloem des velds, alzo bloeit hij. Als de wind daarover gegaan is, zo is zij niet meer, en haar plaats kent haar niet meer. Maar de goedertierenheid des HEEREN is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen die Hem vrezen, en Zijn gerechtigheid aan kindskinderen. Aan degenen, die Zijn verbond houden, en die aan Zijn bevelen denken, om die te doen." Ik kwam echter niet verder dan het eerste vers van die Psalm, en dan de woorden: "Loof den HEERE." Daar was ineens voor mij genoeg van te zeggen. En toen was dat voor mij ook een voorsmaakje van het zalig hemelleven. In de hemel behoeft men aan de zonden en ongerechtigheid niet meer te denken. Daar behoeft men dan geen smart meer over te dragen, want in de hemel is er geen smart en berouw meer. Daar is het alleen maar eeuwig: "Loofden HEERE." Daar mag men eeuwig alleen de eeuwige Goddelijke liefde smaken en daar zal er niet anders dan een eeuwige verwondering zijn. Men zal wel weten uit welk een grote nood en dood men verlost is. En eeuwig zal men het bewonderen dat het God behaagd heeft om Zich in zulk een weg te verheerlijken.

De Heere heeft Zich door de zonden heen op het allerluisterrijkst willen verheerlijken. Daar zijn de zonden zelf nooit mee goed te praten, dus men moet me hierin goed verstaan. De zonden hebben immers de Zoon van God een smartelijk lijden en een vervloekte dood gekost. Als men daar in dit leven wat van krijgt te zien, dan worden de zonden ook pas recht smartelijk. En door een weg van ware schuldontdekking maakt de Heere plaats voor de kennis van die lijdende Borg. In die weg zullen ook de zonden reeds de ziel tot een ware smart worden, als tegen een goeddoend God bedreven. En men zal ook weten hoe de Heere als een heilig Wezen met de minste zonde geen gemeenschap kan hebben. En dat Hij die dan ook als een rechtvaardig God eeuwig straffen moet. Maar toch heeft de Heere door de zonden heen Zich op het allerluisterrijkst willen verheerlijken. Daarom moest de Middelaar ook uit zondige mensen voortkomen. Hij kwam uit een Thamar en Bathséba voort en uit meerdere zondige vermengingen. Maar dat moest ook weer zo geschieden, want Hij moest voor zondige mensen in deze wereld komen tot hun eeuwige zaligheid. De zonden zijn dus nooit goed te praten, maar toch wil God aan zondige mensen genade bewijzen. En dat doet Hij ook door een rechte weg, want daartoe moest de Zoon van God Borg worden. En daartoe moest Hij mens worden, maar wel een rechtvaardig en onzondig mens, door een heilige ontvangenis.

Och, dat Goddelijke werk in het zaligen van zondaren laat zich nooit begrijpen, maar alleen maar bewonderen. Daarom zal er eeuwig niet anders overblijven dan: "Loofden HEERE." Daarom kan jij nu ook nog zalig worden, al ben jij niet zoals je zou willen zijn. De barmhartigheid roemt nu eenmaal tegen een welverdiend oordeel en de genade is overvloediger dan de schuld. Als die genade het niet zou winnen van onze schuld, werd er niemand zalig. En nu kan de grootste der zondaren door Jezus zalig worden. Alleen het versmaden van die zaligheid waarmee men kan komen tot de zonde tegen de Heilige Geest, sluit ons buiten de zaligheid. Misschien maken ze je ook wel wijs dat je daar aan schuldig bent, maar je klachten over je on-en wangestalten verraden van niet. Dus moetje dan maar blijven vragen of je als zulk een wangestaltig mens ook nog zalig kunt worden. Je zou graag anders willen zijn, maar je bent niet anders. Maar ' de Heere weet wel wie je bent, beter dan dat je dat zelf weet. | In de 103e Psalm horen we de Heere ook nog zeggen: "Want Hij weet wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde dat wij stof zijn." Dat is ook weleens zo groot voor me geworden, als ik mezelf moest verfoeien vanwege mijn ellendig zondig bestaan. De Heere weet op het allervolmaaktst dat Hij van ons niets goeds heeft te verwachten. Hij weet alzo Zijn lof wel uit het stof te doen opklimmen. Dat zien we in geheel de 103e Psalm. Je hebt me geschreven datje hoopte dat het geen onmogelijke opdracht voor me zou zijn om je vraag te beantwoorden. Och, als ik over de goedheid Gods mag schrijven, dan is het voor mij geen onmogelijkheid, maar dan kan ik er niet genoeg van zeggen of schrijven. Ik kan niet genoeg goed van de Heere zeggen of schrijven. Ik ben oud geworden, maar ik mag daarin nog vet en groen zijn. Bij terugleidend licht in mijn leven, wordt het wonder steeds groter voor me als ik zie op Wie de Heere steeds voor me geweest is.

Waarlijk, Hij handelt niet met ons naar onze zonden. Barmhartig en genadig is de HEERE, lankmoedig en groot van goedertierenheid. Je hebt me geschreven dat je weleens jaloers bent op degenen van wie men mag geloven dat die in de hemel mogen zijn, want die behoeven niet meer te zondigen. Dus al moet je jezelf beklagen omdat je niet een waar berouw over de zonden bij je kunt vinden, toch ben je jaloers op de mensen die niet meer behoeven te zondigen. Och, ik hoop dat de zonden maar recht een ondragelijke last voor je zullen worden. Dan zul je die L last ergens kwijt moeten raken. En die raak je nooit kwijt, als fj alleen bij Hem Die de last der zonden heeft gedragen in Zijn heilig lichaam op het kruis. Ik hoop datje die Persoon zult mogen leren kennen. Altijd heb ik toch naar Hem heen te wijzen. Buiten Hem mag ik niemand gerust stellen. En dat wil ik niet ook, want daar is die Persoon mij veel te dierbaar voor geworden. Och, ik wilde wel dat ik een tong en een pen had om Hem in Zijn liefelijkheid en dierbaarheid recht aan anderen voor te stellen. Je schreef dat je bedroefd bent omdat je het ene nodige mist. Nu, Jezus is waarlijk het ene nodige. Als Maria aan Zijn voeten zat en Martha wilde dat Hij Maria daarom bestraffen zou, kreeg Martha zelf een bestraffing en liet Jezus haar weten dat Maria het goede deel uitgekozen had, dat nooit meer van haar zou worden weggenomen. Hij heeft ook tot Martha gezegd: "Maar één ding is nodig." Dat ene ding had Jezus Zelf ook altijd op het oog, want daar was Hij voor op aarde gekomen, om zondaren met God te verzoenen.

We moeten dus met God verzoend worden. Als je aan God denkt, 1 ben je misschien met verschrikking vervuld. En waarlijk, God staat als Rechter tegenover ons en moet de zonden straffen. Toch is juist de verzoening van die God uitgegaan. Hij is het Die al uw ongerechtigheden vergeeft en al uw krankheden geneest. O, wat is die 103e Psalm toch dierbaar en rijk van inhoud! Ik mag nu met mijn hart een weinig met de dichter instemmen. Ik kan je de dienst van die God niet genoeg aanprijzen. De lezers j moeten mijn eenvoudig en kinderlijk geschrijf nu maar nemen zoals het is. Ik zit aan een jong meisje te schrijven en dan kan ik dat niet kinderlijk en eenvoudig genoeg doen. Ik zit dan zomaar een beetje eenvoudig met haar te praten, hoewel ik haar in het geheel niet ken, als alleen uit haar schrijven. Ik ben er toch nog zo verblijd mee, als ik van jonge mensen en kinderen [| zulk een schrijven ontvang. De Heere zal in de geslachten blijven werken. We lezen in deze Psalm ook weer: "Maar de goedertierenheid des HEEREN is van eeuwigheid en tot in eeuwigheid over degenen die Hem vrezen, en Zijn gerechtigheid aan kindskinderen." Hij zal in de geslachten blijven werken, want Zijn trouw rust zelfs op het late nageslacht. En dan op dat geslacht, dat Zijn verbond niet trouweloos wil schenden, noch van Zijn 1 wet afkerig de oren wenden. Het verbond of testament is vast in de dood des Testamentmakers. Zij wier namen in dat testament opgetekend staan, moeten er komen. Och, jong en oud, zullen jullie namen daar ook in staan? O, rust toch niet voor je U dat weten mag. Ik moet eindigen. Het meisje en alle lezers de hartelijke groeten en Gode en Zijn genade bevolen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 2004

De Wachter Sions | 8 Pagina's

Antwoord per brief

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 2004

De Wachter Sions | 8 Pagina's

PDF Bekijken