Bekijk het origineel

Uit de Bron (234a)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Uit de Bron (234a)

5 minuten leestijd

De drie jongelingen in de vurige oven

”Onze God Dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs ().” (Daniël 3:17)

Nebukadnézar stond op het toppunt van zijn macht. Alles wat hij ondernam, was hem gelukt. De ene overwinning na de andere had hij behaald. Telkens keerde hij als overwinnaar naar zijn land terug en werd met roem en eer overladen. Ja, hij werd als een god vereerd.

In een opwelling van machtswellust dacht het hem goed een schitterend beeld op te richten. Dat zou tot eer van zijn god Bel dienen, maar het zou tevens een uiting zijn van zijn grote macht.

Het was een enorm beeld van dertig meter hoog en drie meter breed. Ook werd het geheel overtrokken met goud. Die schittering van goudglans in de zon was een verblindend en indrukwekkend gezicht.

Het beeld stond in het dal Dura, dicht bij de stad Babel en de koning wilde het op zekere dag met een groot feest laten inwijden.

Op een vastgestelde dag riep de koning alle staatslieden en stadhouders van zijn rijk op naar de vlakte van Dura te komen. In de Bijbel worden de talrijke voorname mensen genoemd, die de koning liet ontbieden.

We lezen: "En de koning Nebukadnézar zond heen om te verzamelen de stadhouders, de overheden en de landvoogden, de wethouders, de schatmeesters, de raadsheren, de ambtlieden en al de heerschappers der landschappen, dat zij zouden komen tot de inwijding van het beeld, hetwelk de koning Nebukadnézar had opgericht."

Uit die opsomming van zoveel hoogwaardigheidsbekleders blijkt duidelijk, dat er hier van een bijzonder groot inwijdingsfeest sprake was.

Toen de uitgenodigden zich vóór het beeld hadden opgesteld, liet de koning door een heraut bekendmaken, hoe het beeld zou worden ingewijd. De heraut riep met grote stem: "Koning Nebukadnézar laat alle volken en naties bekendmaken, dat op het ogenblik als het geluid van allerlei blaas-en snaarinstrumenten zoals van hoornen, citers, violen, harpen en alle andere muziekinstrumenten en het gezang gehoord wordt, iedereen voor het beeld moet neervallen om dat te aanbidden. Wie niet neervalt, zal meteen in de brandende oven geworpen worden.”

In de grote menigte bevonden zich ook drie kinderen van God.

Het waren de drie vrienden van Daniël. Ook zij hadden aan de oproep gehoor moeten geven. Daniël zelfwas er niet bij. De Bijbel vertelt niet, waarom hij bij het grote inhuldigingsfeest niet aanwezig was. Misschien was hij verhinderd en moest hij op die dag wat anders doen.

Maar zijn drie vrienden Sadrach, Mesach en Abed-nego waren er wel. Zij zagen het grote gouden beeld daar voor zich oprijzen en zo meteen als de muziek en het gezang zouden inzetten, moesten zij voorover vallen en het beeld aanbidden.

Maar de drie jongelingen hadden zich voorgenomen dat niet te doen. Zij vreesden en dienden de ware God, Die hemel en aarde gemaakt heeft. Hoe zouden zij een beeld goddelijke eer kunnen bewijzen? Hoe zouden zij kunnen zondigen tegen de Heere, Die dat zo streng verboden had?

De drie jongelingen wisten dat het waar was, wat wij zingen:

D' afgoón van het heidendom. Goud of zilver, goón in schijn, Hebben lippen, maar zijn stom. (Psalm 135:9)

Daar werd de muziek en het gezang gehoord. Het inwijdingsfeest was begonnen!

In één ogenblik lag de hele menigte voorover om het beeld te aanbidden.

Alleen de drie mannen bleven staan. Zij weigerden een beeld te aanbidden!

Zij hadden de Heere lief. Hem alleen! Daarom konden zij onmogelijk voor zo'n beeld knielen! In hun hart leefde het:

Dat ieder schaamrood zij, Die onbeschroomd en vrij, Een beeld durft eer bewijzen, En nietig' afgoón prijzen, Den waren God ten hoon. (Psalm 97:4)

Terwijl het feest in volle gang was, verschenen voor de koning een paar dienaren.

"Koning, " spraken ze, "u hebt bevolen dat iedereen moet neerknielen voor het gouden beeld, maar er zijn drie Joodse mannen, die op u geen acht geslagen hebben. Sadrach, Mesach en Abed-nego weigerden naar u te luisteren! Toen de muziek en het gezang gehoord werden, bleven zij gewoon staan en aanbaden uw beeld niet."

Toen werd de koning erg boos en gebood: "Breng die mannen meteen voor mij."

Even later stonden de drie vrienden voor de woedende koning.

”Is het met opzet, Sadrach, Mesach en Abed-nego, dat u het beeld dat ik opgericht heb, niet aanbidt? Ik geef u nog één keer de gelegenheid ervoor te knielen. Maar als u weer weigert te knielen, laat ik u in de brandende oven werpen. En wie is de God Die u uit mijn handen verlossen zou? ”

Het was vreselijke taal, wat de koning sprak. Bovendien spotte hij met de God van de drie jongelingen.

Toch werden de drie vrienden niet bang. Ze wisten het: de Heere ziet en hoort Zijn kinderen altijd.

Bedaard, in Gods kracht en door het geloof, antwoordden de drie mannen:

”Koning, wij wilden u niet beledigen, maar wij kunnen en mogen uw beeld niet aanbidden. Wij willen alleen de Heere, onze God, dienen. Werpt u ons in de vurige oven, dan is onze God Die wij eren machtig ons te verlossen. Maar zelfs a' zou de Heere het toelaten dat wij omkomen, dan nog zullen we niet naar u kunnen luisteren. U zij bekend, o koning, dat wij uw goden niet zullen eren, noen het gouden beeld, dat gij hebt opgericht, zullen aanbidden.”

C.v.K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 2006

De Wachter Sions | 8 Pagina's

Uit de Bron (234a)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 2006

De Wachter Sions | 8 Pagina's

PDF Bekijken