Bekijk het origineel

Antwoord per brief

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Antwoord per brief

17 minuten leestijd

Aan enkele jonge meisjes en een kleine jongen van 7 jaar,

De meisjes aan wie ik schrijf zijn 13 en 18 jaar en de jongen dus 7 jaar. Ze schijnen samen geen rust te vinden in hun onbekeerde staat. De meisjes hebben verschillende sterfgevallen in de familie meegemaakt en de jongen wil graag weten hoe men nu zo jong al zou mogen weten dat men een nieuw hart heeft. Ik zou deze jonge mensen nu maar gelijk een antwoord op hun schrijven willen geven. Als ik van jonge mensen zulke briefjes krijg, doet me dat goed. En daar ik weet dat er nogal wat ouders zijn die mijn briefjes aan de kinderen voorlezen, wil ik ook hun graag een brief schrijven waar ze voor hun kinderen ook wat aan kunnen hebben. Er wordt al meer gevraagd naar vertellingen voor jonge kinderen, maar het gebeurt wel dat daar geen plaatsruimte in ons blad voor overblijft. Dus ik wil nu graag proberen om deze jonge mensen op deze wijze te bereiken. De Heere mocht er nog eens in mee willen komen om ook andere jonge mensen met dit schrijven tot zichzelf te doen inkeren.

De meisjes die me schreven hebben blijkbaar veel verdriet gehad over de sterfgevallen die er in hun familie hebben plaatsgevonden. Dit heeft ook vragen in hun hart doen oprijzen. Er is tot die meisjes gezegd dat ze maar veel om een nieuw hart moeten bidden. Maar één van de meisjes heeft juist in een boekje gelezen dat het bij de Heere van eeuwigheid bekend is wie er tot de zaligheid zijn uitverkoren. En nu rijst de vraag in haar op: als ik niet bij die uitverkorenen zal behoren, dan kan ik toch niet bekeerd worden? Dan helpt bidden om een nieuw hart toch ook niet? Ze heeft het daar moeilijk mee. Het andere meisje vraagt zich af waarom er zoveel verdriet in haar familie is. Met andere families lijkt het alles zo voorspoedig te gaan. Dat is door haar moeilijk te begrijpen, want ze weet wel dat al wat de Heere doet, toch goed moet zijn. Ja, al wat de Heere doet, is goed. Daar moeten we aan vasthouden.

Met het beantwoorden van die vraag kom ik op het terrein van Gods voorzienigheid. Er geschiedt hier op aarde niets buiten de hoge Godsregering. Het moet op de voorgrond voor ons vaststaan dat God de goedheid Zelf is en dat Hij nooit iets kan doen wat niet goed is. Hij heeft de mens ook eenmaal goed geschapen, want we lezen als Hij de mens geschapen heeft, dat als Hij Zijn scheppingswerk overzag, Hij daarvan moest getuigen dat het zeer goed was. Dat gold in het bijzonder de schepping van de mens. De mens is echter niet goed gebleven. De mens is van God afgevallen. Ging dat buiten de hoge Godsregering om? Nee, er geschiedt niets buiten de hoge Godsregering. God heeft echter de zonde zelf nooit gewerkt. De mens staat aansprakelijk voor de zondige daden die men bedrijft. Wij hebben ons aan Gods bevel te onderwerpen. En God beveelt ons het goede te doen en naar Zijn wet ons te gedragen. Maar het behaagt de Heere wel om het goede uit het kwade te doen voortkomen. Als de broeders van Jozef hem als slaaf verkochten naar Egypte, dan hebben ze zich daarin zeer bezondigd. Maar we kennen de geschiedenis. Op welk een wonderlijke wijze heeft de Heere daar toch het goede uit doen voortkomen. Jozef heeft later zelf tot zijn broeders gezegd: ”Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht, doch God heeft dat ten goede gedacht; opdat Hij deed, gelijk het te dezen dage is, om een groot volk in het leven te behouden.” Daarover heeft Jozef zich moeten verwonderen en zijn vader Jakob niet minder. We weten welk een smartelijke zaak het voor Jakob is geweest, als hij zoveel jaren niet anders heeft kunnen denken dan dat Jozef door een wild dier verscheurd was.

Ik moet echter in het bijzonder ook de vraag beantwoorden, hoe het komt dat het andere families zo goed gaat, terwijl men zelf als familie door Gods hand zo zwaar bezocht wordt. Och, we zijn altijd maar geneigd om naar anderen te kijken die naar onze gedachten beter er aan toe zijn dan wij. Maar daar vergissen we ons meest wel in. Zonder tegenheden en kruis gaat niemand door het leven. Het uitnemendste van dit leven is moeite en verdriet. Dat leert ons Gods Woord. Het kruis kan ook zo zwaar zijn, dat men het niet naar buiten uit kan dragen. Maar ik wil het meisje dat me deze vraag gesteld heeft, er op wijzen dat het de boze is die ons zulke gedachten inwerpt. Ook die verkeerde gedachten over de uitverkiezing. De duivel weet er ons wel mee bezig te houden dat al ons vragen om bekeerd te mogen worden tevergeefs is als we toch niet uitverkoren zijn. Maar zo mag je er niet over denken. De verkiezing is zowel als de verwerping een voor ons verborgen besluit. Van de uitverkiezing kunnen we in ons leven verzekerd worden, want de Heere doet het Zijn volk geloven dat Hij ze van eeuwigheid heeft liefgehad. Maar van de verwerping worden we hier niet verzekerd. Het zal vreselijk zijn als we dat te laat aan de weet komen. En als men er eens goed over na zou denken hoe vreselijk het zal zijn om als een verworpene straks eeuwig die ontzettende smarten te moeten lijden in de hel, dan zou ons dat juist geen rust moeten geven. Mij schiet nu juist in de gedachten, dat Ezau een onheilige en een spotter wordt genoemd omdat hij zijn eerstgeboorterecht veracht en verkocht heeft voor een schotel linzenmoes. De geschiedenis zegt ons dat Jakob tot hem gezegd heeft: ”Verkoop mij op dezen dag uw eerstgeboorte.” En wat zei Ezau toen? ”Zie, ik ga sterven; en waartoe mij dan de eerstgeboorte? ” Het is dus heel verkeerd om op een onverschillige wijze aan de verwerping te denken. Daar wil ik dit meisje dan ook ernstig voor waarschuwen. We tasten daar ook God mee in Zijn eer aan. En dat doen we ook met te denken dat het toch wel onrechtvaardig is als het anderen beter gaat dan ons. De Heere kan nooit iets verkeerd doen. Verre zij God van goddeloosheid en de Almachtige van onrecht, zegt ons Gods Woord. Als het de Heere behagen zou om Zijn genade in het hart te verheerlijken, dan zal men er toch zo'n spijt van hebben, dat men zo verkeerd hierover gedacht heeft. Ik kan het wel begrijpen dat zulke verkeerde gedachten in ons opkomen, als we door de slaande hand des Heeren worden bezocht. En ik wil me daarom ook niet graag boven je stellen als je zo denkt. Ook kinderen Gods zijn met verkeerde gedachten vervuld geweest als ze zagen dat naar hun mening een ander er beter aan toe was dan zij. Denk maar aan Asaf, die ons in Psalm 73 laat weten dat hij nijdig was op de goddelozen, omdat het hun zo goed ging en hem ging het niet zo goed. Maar de Heere heeft hem het verkeerde van zulk een gedachte wel doen zien. De Heere wil toch ook wel de verdrukkingen voor Zijn kinderen ten goede gebruiken. Als men zonder kastijding is, is men een bastaard en geen zoon, zo leert ons Gods Woord. De Heere kastijdt juist degenen die Hij liefheeft. Hij wil ze daardoor ook voor veel zonden bewaren en ook voor veel ellende die het bedrijf der zonden juist met zich meebrengt. Als de Heere met smartelijke slagen in jullie familie is gekomen, mag je ook niet vragen waarom dit gebeurt, maar je mocht eens vragen waartoe dit gebeurt. Heeft de Heere er iets mee voor wat ten goede voor je zou mogen zijn. Het zijn toch zulke roepstemmen die in je jonge jaren al tot je komen. Och, dat je daar toch maar recht acht op mocht geven.

Ik denk niet gering over de slagen die jullie als familie getroffen hebben. En dat ik daar niet gering over denk, heb ik toch doen blijken. Ik heb hierin hartelijk en welgemeend met je familie meegeleefd. En ook behoefde ik mijn werk niet ongemakkelijk te verrichten. Wat me ook zo goed deed, was de ernst en de eerbied voor Gods Woord die ik mocht aanschouwen. Vele jonge mensen waren met indrukken vervuld. Het verlies van dierbare bloedverwanten is zeer smartelijk. Maar het gemis komt achterop. En dan kan ik goed begrijpen dat er dan allerlei gedachten in je opkomen. Dus, het is niet van uit de hoogte of uit hardheid dat ik je dit nu schrijf. Druk-en kruiswegen zijn me ook niet onbekend gebleven. En de verzoekingen van de boze ook niet. Hij weet altijd harde gedachten aan God in ons te verwekken. Ook als het de leer der soevereine verkiezing en verwerping betreft. En daar heeft hij ook onze boze en verdorven natuur in mee. In de hel zal hij daarmee ook de verdoemden eeuwig tegen God doen opstaan. Maar daarom

hebben we ook altijd maar te vragen of we het met de Heere eens mogen worden, in welke weg Hij ons in Zijn voorzienigheid leidt. Dan zal de onderwerping ons rust geven. En dan zullen we later zien hoe hetgeen dat tegen ons was, juist voor ons is geweest. Ik mag u dat uit eigen ondervinding schrijven. En daarom wens ik je ook toe dat de Heere de slagen die er in de familie zijn geweest, tot de zaligheid van je ziel zal willen gebruiken. Wat nu voor je onbegrijpelijk is, zal je straks misschien met verwondering vervullen. Dan wil je niets meer afgedaan hebben van wat tegen je scheen te zijn. Dan mag je zien dat God nooit beter met je had kunnen handelen. Ik heb volkomen begrip voor de toestand waar je inwendig in verkeert. Je klaagt erover dat je geen oprecht berouw hebt over je zonden en dat je ook niet oprecht kunt bidden. Al je bidden schijnt maar schijnheiligheid te zijn, want je moet zeggen dat je de wereld liever hebt dan God. Maar ach, dat alles doet je weten hoe boos ons hart is. Als het ware ontdekking bij je zou mogen zijn, wat ik je van harte toewens, dan zul je aan de weet mogen komen, dat je niet als een goed mens, maar als een slecht mens zalig wordt. Dat wens ik je van harte toe. Vraag maar veel om ware zielsontdekking. Dan zul je steeds meer gruwelen bij jezelf vinden, maar dan zal het wonder ook zoveel te groter worden als God aan zulk een schepsel genade bewijst.

Van je zusje heb ik ook de vraag gekregen waarom er zoveel verdriet in jullie familie moet zijn. In andere families schijnt het alles zo voorspoedig te gaan. Ja, maar de schijn moet je dan maar niet voor werkelijkheid zien. Er speelt zich wat af achter gesloten deuren. Bij jullie is het verdriet naar buiten gekomen, maar bij anderen komt het zo niet naar buiten. Ik ben gewaar geworden dat er nog een sterke band van liefde in uw familie mag zijn. Dat is niet klein te achten, want we beleven een tijd waarin ook in vervulling gaat dat de liefde van velen zal verkouden. Ik hoop dat je een oog zult mogen krijgen voor wat de Heere je nog geeft. Zo mochten de goedertierenheden des Heeren je tot bekering leiden. Het is de boze die alleen maar doet zien op waar de Heere je in tegen komt. Ik weet zeker, dat als je eens zou zien op wat er in andere families gebeurt, dat je dan niet graag zou willen ruilen. Als alle kruisen eens op straat werden gelegd, zou men wel weer naar zijn eigen kruis grijpen. Waarlijk, de Heere doet niets verkeerd. Ik mag je schrijven, dat ik dat zelf heb ondervonden. Het verdriet is me ook niet gespaard gebleven, maar de Heere heeft er ook weer zoveel goeds tegenover gegeven. En dan kies ik toch altijd weer voor de dienst van God en voel ik me weer te nauwer verbonden aan de waarheid Gods. Ik hoop dus ook dat je door verdrietige omstandigheden niet zult komen tot een verwerping van de zuivere leer van Gods getuigenis, want daar is het de duivel altijd maar om te doen.

Ik moet nu echter ook die kleine jongen van 7 jaar een antwoord geven. Het is me tot blijdschap als kinderen me ook vragen stellen. In mijn ouderdom voel ik toch zulk een innige band met het nu opgroeiend geslacht. Het staat me ook voor ogen dat we nu zulk een ontzettende tijd beleven. Dat doet me met innig medelijden vervuld zijn met die arme jeugd, want wat zal ze te wachten staan. Maar och m'n jongen wat zou je er goed mee zijn als je al jong de Heere zou mogen leren vrezen. Dan zou je nog voor veel zonden bewaard kunnen blijven en dus ook voor de rampzalige gevolgen daarvan in tijd en eeuwigheid. Je hebt mij gevraagd of ik eens iets zou willen schrijven hoe ik in mijn jonge jaren aan een nieuw hart gekomen ben. Ik meen wel begrepen te hebben dat je daar iets over gelezen hebt, of misschien is het je voorgelezen uit een boek dat nu kort geleden verschenen is. Ik behoef dat dus nu niet te herhalen hoe dat gebeurd is. Maar ik wil je wel zeggen dat het de Heere behaagt om ook in jonge kinderharten intrek te nemen. En als dat gebeuren mag, zal men daar geen spijt van hebben. Men blijft dan voor veel zonden in de uitleving bewaard. Zeker, een bekeerd mens kan ook in de zonde vallen. Daar hebben we de voorbeelden van in de Bijbel. David mocht ook al vroeg de Heere vrezen, maar later is hij ook nog in de zonde gevallen. Maar daar heeft hij ook een waar berouw over gehad en hem is ook gezegd dat het zwaard daarom van zijn huis niet wijken zou. Maar ik denk ook aan een Obadja, die de Heere mocht vrezen van zijn jonkheid af. En de tedere vreze des Heeren is bij hem ook openbaar gekomen, als hij honderd profeten des Heeren in een spelonk verborgen heeft en met brood en water heeft onderhouden, als de goddeloze Izébel ze heeft willen doden. En Timótheüs mocht ook al jong de Heere vrezen. En och, m'n jongen, de Heere is het toch zo waardig om al jong door ons gediend en gevreesd te worden. Dan wil Hij ons ook tot een Toevlucht zijn in al de wederwaardigheden die het leven hier op aarde met zich meebrengt. Dat heb ik zelf ook ondervonden in de bange oorlogstijd. En wat zal jou nog te wachten staan, want er zullen wellicht nog vreselijke dingen gaan gebeuren eer het einde aller dingen er zal zijn. Maar ik heb je nog meer te zeggen. Als je de Heere Jezus al jong zou mogen leren kennen, dan zou je een liefde mogen smaken die de liefde van je ouders nog ver te boven gaat. Hij wordt je dan tot een trouwe Vriend, Die je nooit verlaten zal. Maar als je nu een nieuw hart van de Heere zou krijgen, dan ken je Hem zo dadelijk nog niet. De Heere zal je dan eerst laten weten dat je gezondigd hebt. Al ben je dan nog voor veel grove zonden bewaard gebleven, maar al wat je verkeerd doet, wordt je tot zonde. Ja, dan zie je jezelf nog slechter dan veel andere mensen die in de wereld leven, want dan zul je zien dat je de zonden doet als een jongen die met je ouders naar de kerk gaat en onder Gods Woord mag leven. Ik wil je wel zeggen, dat dit bij mij al zo was van mijn derde jaar af. Je hebt me er naar gevraagd of ik daar iets over schrijven wil. Nu, je zult er al iets over gelezen hebben, maar dit wil ik je dan nog schrijven om het je wat duidelijker te maken. Al is men dan jong, maar de verkeerde dingen die je doet, worden je dan echt tot zonde. Ik weet nog dat ik als jong kind eens even brutaal was geweest tegen mijn ouders, maar toen zondags de wet werd voorgelezen in de kerk, hoorde ik de voorlezer duidelijk lezen: ”Eer uw vader en uw moeder.” O, wat voelde ik me schuldig! En zo ging het met elke zonde die ik deed. Op den duur had ik niet anders meer dan zonden en moest ik sterven en zag ik niet anders dan de hel voor ogen. Maar toen heeft het de Heere behaagd om me te doen weten dat ik nog zalig kon worden en wat jaren later heeft Hij Zijn Zoon in me willen openbaren en mocht ik Hem tot mijn zaligheid leren kennen. Dat zul je gelezen hebben. En nu ben ik wel blij dat je me vraagt of ik daar eens iets over wil schrijven, maar och, vraag maar aan de Heere of Hij Zich ook zo door je zal willen doen kennen. Je zult daar toch zo goed mee zijn.

Terwijl ik deze brief zit te schrijven, krijg ik ook nog een brief van een meisje in zeer jonge jaren. Die zal ik nu maar gelijk een antwoord geven. Ze vraagt me ook hoe de Heere een mens bekeert. En ze vraagt me ook wat indrukken zijn. Maar ze vertelt me ook eerlijk, dat ze zo'n zondig hart heeft. Ze huilt vaak alleen in haar kamer, helemaal alleen, maar ze ziet dat haar gebeden ook nog zo zondig zijn. En nu vraagt ze mij: wat zal er nu toch van mij terechtkomen, als ik zo moet sterven? Ze ziet niet anders dan dat dan een vreselijk lot haar deel zal zijn. En nu vraagt ze mij, of er dan voor haar geen genade meer zal zijn. Ze kan het niet geloven, want ze heeft veel te veel gezondigd. Het meisje doet me weten dat ze zo bang is om te sterven, maar dat ze zo ook niet meer leven kan. Ze denkt dat het nu te laat voor haar is en dat het van haar gelden zal: ”Ga weg van Mij, want Ik heb u nooit gekend.” Dat heeft de Heere nu echter nog niet gezegd. Nu is het nog de genadetijd, de welaangename tijd, de dag der zaligheid. Och, val de Heere maar als een schuldige te voet. Voor de Heere mag je al je zonden belijden. Niets is Hem aangenamer dan dat. Met vijgenbladeren waarmede je de zonden wilt bedekken, verwek je de Heere juist tot toorn. Maar met schuld mag je altijd tot de Heere komen, want Zijn genade is veel meer overvloedig dan de schuld. Zoveel zonden kun je niet gedaan hebben, of de genade wint het ervan. Ik zal nu deze jonge mensen niet al te lang op antwoord laten wachten. Wel laat de Heere je soms ook wel lang wachten, want je moet het je ook niet waardig keuren dat Hij nog naar je om zal zien. De verloren zoon keurde het zich ook niet waardig dat de vader hem nog in liefde zou ontvangen. Maar wat mocht het toch voor hem meevallen. Ik hoop dat ik van zulk een meevallen nog eens van je zal mogen horen, als ik het nog beleven zal. Maar in liefde heb ik dit briefje aan jullie willen schrijven, want ik ben over jullie zielen bewogen en gun je toch zo oprecht en welgemeend de zaligheid. Allen dus hartelijk gegroet en Gode en Zijn genade bevolen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 2006

De Wachter Sions | 8 Pagina's

Antwoord per brief

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 2006

De Wachter Sions | 8 Pagina's

PDF Bekijken