Bekijk het origineel

Antwoord per brief

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Antwoord per brief

15 minuten leestijd

Aan een oud catechisante,

Verder zal ik u niet verraden. U hebt me gevraagd of ik al wat u mij in uw brief van uzelf hebt medegedeeld in mijn schrijven niet zal vermelden, opdat men daardoor er niet achter zal komen wie de schrijfster was. U hebt me al meer geschreven en ook een antwoord van me gekregen. Ik zal me nu dan maar houden aan wat in hoofdzaak uw vraag is geweest. U hebt blijkbaar moeten denken aan die vijgenboom die door Christus vervloekt geworden is, want u hebt mij gevraagd of al wat er in uw leven gebeurd zou mogen zijn, slechts bladeren en geen vruchten zouden zijn geweest.

Het is een gewichtvol onderwerp waarover ik dus nu iets zal moeten schrijven. In Matthéüs 21 kunnen we de geschiedenis van de vervloekte en verdorde vijgenboom beschreven vinden. Ook in Markus 11 vinden we dit vermeld. Maar in Matthéüs 21 lezen we welk een toepassing Christus hierop gegeven heeft. We lezen daar immers dat de discipelen er zich over verwonderden dat die vijgenboom ineens verdorde. En daarop heeft Jezus gezegd: ”Voorwaar zeg Ik u: Indien gij een geloof hadt en niet twijfeldet, gij zoudt niet alleen doen hetgeen den vijgenboom is geschied, maar indien gij ook tot dezen berg zeidet: Word opgeheven en in de zee geworpen, het zou geschieden. En al wat gij zult begeren in het gebed, gelovende, zult gij ontvangen.”

De Heere Jezus heeft met de vervloeking van die vijgenboom een doel gehad. Hij heeft daarmee op verschillende zaken willen wijzen. We lezen dat Hij 's morgens vroeg Bethanië verliet en wederkeerde naar de stad en dat Hij honger kreeg. Als waarachtig mens was Hij ook alle menselijke aandoeningen onderworpen. Zo heeft Hij dus ook gehongerd en gedorst. Maar Hij was niet alleen mens, Hij was ook waarachtig God. En zo heeft Hij geweten dat Hij aan die boom alleen bladeren zou vinden. We lezen dus: ”En ziende een vijgenboom aan de weg, ging Hij naar hem toe en vond aan denzelven niets dan alleen bladeren.” Daar moeten we niet te menselijk over denken. Christus heeft het geweten dat Hij aan die boom niets dan bladeren zou vinden. Maar als Hij die boom vervloekt heeft en alzo gelijk deed verdorren, dan heeft Hij daar wat mee te zeggen gehad. Hij was thans op weg naar Jeruzalem waar de kruisdood Hem wachtte. Door Zijn eigen volk werd Hij verworpen. Dat was dat beweldadigde volk dat onder het zuivere licht van Gods Woord mocht leven. Maar Christus is gekomen tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Dat Jodendom was dus als die boom waar niets dan bladeren aan te vinden waren. Men had kunnen verwachten dat die boom vol vruchten had gestaan. In het evangelie van Markus lezen we dat Christus aan die boom niets dan bladeren vond, want het was de tijd der vijgen niet. Klopt dat nu wel, dat Jezus aan die vijgenboom vrucht verwachtte, daar het toch de tijd der vijgen niet was? Ogenschijnlijk klopt dat niet, maar bij dieper doordenken klopt het juist wel. Het was de tijd van de vijgenpluk nog niet. Als het de tijd van de vijgenpluk geweest was, had het kunnen zijn dat die boom net geplukt was. Maar nu was het de tijd van de vijgenpluk nog niet, dus die boom had nu vol vijgen moeten zijn. Er lag dus niets onredelijks in, als Christus die vijgenboom vervloekte. Als we het zo zien, voelen we het te meer aan dat er niets onredelijks in lag als Christus die vijgenboom vervloekte. Maar nu voelen we ook wel aan dat het vervloeken van die vijgenboom heel wat te betekenen had. In Jesaja 5 spreekt de Heere van de Joodse kerk als een wijngaard die op een vette heuvel was te vinden. De Heere had die wijngaard omtuind en van stenen gezuiverd en beplant met edele wijnstokken. Hij had in het midden van hetzelve een toren gebouwd en ook een wijnbak daarin uitgehouwen. En zo heeft Hij verwacht dat die wijngaard goede druiven zou voortbrengen, maar hij heeft stinkende vruchten voortgebracht. En dan zegt de Heere: ”Nu dan, gij inwoners van Jeruzalem en gij mannen van Juda, oordeelt toch tussen Mij en tussen Mijn wijngaard. Wat is er meer te doen aan Mijn wijngaard, hetwelk Ik aan hem niet gedaan heb? Waarom heb Ik verwacht, dat hij goede druiven voortbrengen zou, en hij heeft stinkende druiven voortgebracht? ”

De Heere wist wel dat die wijngaard geen goede vruchten zou voortbrengen. Maar toch spreekt de Heere op zulk een menselijke wijze om Israël het verschrikkelijke van die verregaande verharding des harten voor ogen te stellen. Trots de zoveelvuldige bemoeienissen des Heeren had het volk het er zo slecht afgebracht. Hetzelfde heeft de Heere Jezus met de vervloeking van de vijgenboom het volk willen doen zien. In het evangelie van Markus lezen we ook nog dat Jezus heeft gezegd: ”Niemand ete enige vrucht meer van u in der eeuwigheid.” De tijd was gekomen dat de Heere Zijn kerk uit alle volken zou gaan vergaderen. Dus niet alleen uit het Jodendom, maar ook uit het heidendom. Zeker, er zouden ook nog Joden toegebracht worden tot het einde toe. Maar nimmer zou dat Jodendom nog alleen de Kerk des Heeren zijn. We gaan daar nu niet verder op in, want we kunnen weten dat er wel zijn in deze tijd die van een ander gevoelen zijn. Maar ik zou er nu op willen wijzen, wat dit oordeel ons allen te zeggen heeft. Als gevolg van onze bondsbreuk in het paradijs, geldt voor ons allen: ”uit u geen vrucht meer in der eeuwigheid.” Alleen als de boom goed gemaakt wordt, zal hij goede vruchten kunnen voortbrengen. Een hartvernieuwend werk van Gods genade zal in ons verheerlijkt moeten worden. De totale doodstaat van de gevallen mens kan nooit scherp genoeg gepredikt worden. Er is geen goede vrucht meer van een kwade boom te verwachten. Onder een schijn van rechtzinnigheid wordt de doodstaat van de gevallen mens toch zo verzwegen. Maar dan kan ook het wonder van het Goddelijk genadewerk niet recht gepredikt worden. Het zal daarom ook voor ieder mens zo nodig zijn dat de Heere hem doet zien hoe goed dat Hij eenmaal de mens geschapen heeft en hoe gans verdorven de mens door de zonde is geworden. Maar het is ook nodig dat de Heere ons doet zien hoe we in onze onverschilligheid zoveel bemoeienissen des Heeren hebben veracht en daardoor alleen het oordeel over ons hebben kunnen verzwaren.

Zoals het dus met het Jodendom was, zo is het ook met ons. Aan godsdienst ontbrak het bij het Jodendom nog wel niet. De vijgenboom die Jezus zag staan was vol bladeren. Gelet op die bladeren zou men er wel veel vrucht van moeten verwachten. Zo zou ook de kracht der godzaligheid te verwachten moeten zijn van al degenen die een gedaante van godzaligheid vertonen. Maar och, hoe blijkt het dat het aan bladeren over het algemeen niet ontbreekt. Het ontbreekt echter wel aan de vruchten. Bladeren van een uitwendige godsdienst en een rechtzinnige belijdenis is er in ons land en bij ons ook nog wel te vinden. Maar als de Koning van de Kerk de vijgenboom eens meer van nabij zal bezien, zal Hij dan ook vruchten vinden? Zal Hij die bij ons vinden? Dat is een onderzoekende vraag voor een elk persoonlijk. We kunnen de naam hebben dat we leven, maar toch dood zijn. En dan kunnen we de bladeren hier soms al moeten verliezen. We lezen zo opmerkelijk: ”En de vijgenboom verdorde terstond.” Dat kan dus terstond al gebeuren. Dan brengt God ons hier in dit leven al openbaar. Maar bij anderen geschiedt dit bij de dood. Jezus heeft gezegd: ”Alle plant, die Mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden.” En: ”Alle rank die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg.”

De stof waarover ik nu schrijf, brengt me veel in herinnering. Het is nu al meer dan een halve eeuw geleden dat ik een opmerkelijk en zeer aansprekend geval meegemaakt heb. Een vrouw die de grootste zaken besprak, zat onder mijn gehoor toen ik juist over deze stof preekte. Als de kerk uitging, ging ze zich gelijk verdrinken. En ik had de preek toch echt niet op haar gedaan. In mijn hart kon ik ze nooit goed overnemen in wat

ze van zichzelf voorgaf. En dat voelde ze wel aan. Maar ik had haar met die preek toch echt niet op het oog. De Heere bracht haar echter openbaar. Maar we gaan nu ook maar weer verder met de stof die onze aandacht vraagt. We lezen dat de discipelen er zich over verwonderd hebben dat die vijgenboom zo terstond verdorde. Ze hebben gevraagd: ”Hoe is de vijgenboom zo terstond verdord? ” Het was dus een wonderwerk dat Jezus hier verrichtte. Maar dan een wonderwerk dat Hij nog niet zoveel gedaan had. De meeste wonderen die Hij deed wezen op de behoudenis door Hem. Maar dit wonderwerk deed zien hoe Hij ook macht had om te verderven. Zoals ik al opgemerkt heb, heeft Hij in dit wonderwerk gewezen op de verharding waaraan het Jodendom zich overgaf. De profetie van Jesaja moest hierin ook in vervulling gaan, als hij gezegd heeft: ”Maak het hart dezes volks vet en maak hun oren zwaar en sluit hun ogen, opdat het niet zie met zijn ogen, noch met zijn oren hore, noch met zijn hart versta, noch zich bekere, en Hij het geneze.” Och, welk een vreselijk oordeel is dat! Zou ons land en volk daar ook niet aan overgegeven zijn?

Maar nu heeft de Heere Jezus met dit wonderwerk ook nog wat anders te zeggen gehad. Dat blijkt uit het antwoord dat Hij Zijn discipelen op hun vraag heeft gegeven. We lezen: Doch Jezus antwoordende zeide tot hen: ”Voorwaar zeg Ik u: Indien gij geloof hadt en niet twijfeldet, gij zoudt niet alleen doen hetgeen den vijgenboom is geschied, maar indien gij ook tot dezen berg zeidet: Word opgeheven en in de zee geworpen, het zou geschieden. En al wat gij zult begeren in het gebed, gelovende, zult gij ontvangen.” Zou Hij hier alleen op een wondergeloof gedoeld hebben? Zeker, de discipelen zouden straks ook wonderen gaan verrichten. En zo zou ook op hun woord het oordeel over sommigen worden gebracht. Denk maar aan Ananías en Saffira. Maar wat de Heere Jezus tot Zijn discipelen heeft gezegd, geldt ons ook nog. Weliswaar, dat we geen wonderen meer kunnen doen als de discipelen hebben gedaan. Maar het woord dat de Heere Jezus tot Zijn discipelen sprak, geldt ons toch ook. Wanneer het geloof waarlijk in de oefening mag komen, sluit dat alle twijfel uit. En wat de mens dan mag geloven, zal ook geschieden. En toch moeten we dit ook weer goed verstaan, want al wat wij begeren, al hebben we er nog zoveel geloof voor, zal toch niet geschieden. De apostel Jakobus zegt ons in zijn zendbrief: ”Gij begeert, en hebt niet; gij benijdt en ijvert naar dingen, en kunt ze niet verkrijgen; gij vecht en voert krijg en gij hebt niet, omdat gij niet bidt. Gij bidt, en gij ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt, opdat gij het in uw wellusten doorbrengen zoudt.” Het is zo'n groot verschil, of we zelf met een zekere zaak bezig zijn, of dat God er ons werkzaam mee maakt. Als we zelf ergens werkzaam mee zijn, is het wel iets wat naar onszelf toe is. We hebben dus wel goed te onderzoeken van welke kant onze werkzaamheden met een zekere zaak komen. Al wat wij graag willen, zal niet gebeuren.

Maar hoe is het dan te verstaan wat Jezus heeft gezegd? We lezen toch duidelijk dat Hij gezegd heeft: ”En al wat gij zult begeren in het gebed, gelovende, zult gij ontvangen.” Dat is toch wel ruim en onbeperkt? Zeker, aangaande de dingen die God wil dat zullen geschieden, staat dat er ruim en onbeperkt. God Die het einde van een zaak vastgesteld heeft, verordent ook de middelen daartoe. Als Hij doet zien dat het tijd voor Hem is dat Hij werke, dan schenkt Hij ook het geloof waardoor we met vertrouwen kunnen bidden of de Heere Zijn woord zou willen uitvoeren en Zijn beloften zou willen vervullen. Er moet dus grond voor ons geloof zijn. God moet ons geloof schenken voor een zekere zaak, hoe onmogelijk het ook schijnt dat het zou gebeuren. Zo moeten er ook beloften aan ten grondslag liggen. En die beloften schenkt God als het Zijn eeuwig voornemen is om een zekere zaak te schenken en te werken. Maar dan geldt daarin ook dat niets voor Hem te wonderlijk is. En vandaar is het ook dat Jezus zegt: ”En al wat gij zult begeren in het gebed, gelovende, zult gij ontvangen.” Dat geldt echter de zaligheid van Gods Kerk in het bijzonder. Wat vinden we dienaangaande toch troostvolle beloften in Gods Woord voor ellendigen en nooddruftigen. Men zal goed moeten weten door welke weg dat God de zaligheid schenkt en van welke kant de zaligheid komt. De mens kan uit zichzelf niet komen op de plaats waar hij komen moet, al wringt hij zich ook in duizend bochten. In de ware zielsverbrijzeling kan men uit zichzelf niet komen. Men kan ook God niet toevallen in Zijn recht, als men daar door God Zelf niet wordt gebracht. Maar hoe wordt het dan ook van alle kanten onmogelijk om de zaligheid deelachtig te worden. Maar als God de belofte met kracht brengt op de ziel, dan komt daar ook het geloof in mee. Hoe onmogelijk het voor de mens was, welk een ruime mogelijkheid wordt hem dan ontsloten. Zo heeft Abraham op hoop tegen hoop mogen geloven dat hij een vader van een groot volk zou worden.

Het houdt dus nogal wat in als Christus op een berg heeft gewezen. Hij heeft gezegd: ”Maar indien gij ook tot dezen berg zeidet: Word opgeheven en in de zee geworpen, het zou geschieden.” We moeten die uitspraak van de Heere Jezus niet al te letterlijk opvatten, al zou het ook in een letterlijke zin kunnen gebeuren. Maar die berg doet ons denken aan zoveel bergen van onmogelijkheden en bezwaren die voor ons kunnen oprijzen. En dat geldt in het bijzonder de weg die ons tot de zaligheid brengt. Daarmee wil ik ook in het bijzonder uw vraag beantwoorden. En ik wil dat op zulk een wijze doen dat de mensen er niet uit opmaken wie me geschreven heeft. U hebt me geschreven over een vrouw aan wie de Persoon des Middelaars Zich zo duidelijk en helder had geopenbaard, maar die u toch steeds hebt horen zeggen dat ze een Borg nodig had voor haar schuld. Maar ze wist dan toch Wie die Borg was. En zo handelt de Heere ook altijd met Zijn volk. Onbekend blijft onbemind en onbegeerd. Maar de kennis van die Persoon doet begeren om geheel en al Zijn deel en eigendom te mogen zijn. U hebt echter ook bij die vrouw mogen zien hoe eenvoudig het Goddelijke werk is. De Heere Jezus heeft niet voor niets over een berg gesproken. Het moet eens geen berg meer voor ons zijn. Dan zullen we weten wat het betekent dat God door de vlakke velden rijdt, omdat Zijn Naam Heere der heirscharen is. We hebben dan nooit kunnen denken dat het zo eenvoudig is. Waar wij een berg van maken, is voor God geen berg. U hebt mogen zien hoe het voor die vrouw op het laatst van haar leven alleen maar vrede was. Dat straalde bij haar uit. En nu hebben de mensen ook wel tegen u gezegd, dat wat de Heere begonnen is, dat Hij dat ook voleindigen zal. Maar daar kunt u het ook weer niet mee doen. Het komt ook juist zo op het ware en zuivere begin aan. Daarom bent u ook tot mij met de vraag gekomen of wat u me geschreven hebt, vruchten of bladeren zijn. Of het een wondergeloof is of helemaal niets. Och, ik hoop dat er eens helemaal niets van u over zal blijven. Daar moet ook wat van gekend worden, dat Christus de boom moet vervloeken omdat Hij er alleen maar bladeren aan vindt. Er blijft dan van die boom niets meer over, maar dan wordt Hij de Boom voor u. Hij is de Boom des levens in het midden van het paradijs Gods.

Al onze verborgen hoogten moeten er bij ons helemaal aan. Er zijn bij ons ook veel bladeren. En ook echte vijgenbladeren. Het was juist een vijgenboom die door Jezus vervloekt werd. Dat heeft ons ook nog wel weer wat te zeggen. Adam en Eva hebben het als zij zagen dat zij naakt waren, ook bij een vijgenboom gezocht om met de bladeren daarvan zich te bedekken. Maar de Heere heeft ze die vijgenboombladeren ontnomen. En Hij maakte ze rokken van vellen en toog ze die aan. We weten wel waarop ze daarmee werden gewezen. Op het eniggeldende Slachtoffer Dat eenmaal zou worden gebracht. Ik hoop dat ik nog eens een briefje zal krijgen van u als mijn oud-catechisante, waarin u me vermelden mag dat dit geheim u is ontdekt. U wordt in ieder geval wel bedankt voor uw briefje en voor de hartelijke wens die u me daarin hebt toegevoegd in mijn ouderdom. En u schijnt voor mij meer geloof te hebben dan voor uzelf. U ziet bij uzelf blijkbaar meer bladeren dan vruchten. Och als u de Boom mag vinden, dan vindt u een Boom Die niet zonder vruchten is. En dan zal die vrucht uw gehemelte zoet zijn. Dat wens ik u van harte toe, als mijn oud-catechisante. En zo wil ik u dan ook groeten als uw oud leraar, die bij zichzelf ook meer bladeren dan vruchten vindt. Maar de Levensboom in het paradijs Gods wordt hem daardoor juist onmisbaarder en dierbaarder. Hij alleen dus de eer!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 november 2008

De Wachter Sions | 8 Pagina's

Antwoord per brief

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 november 2008

De Wachter Sions | 8 Pagina's

PDF Bekijken