Bekijk het origineel

Nogmaals “Een vaste Burcht”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Nogmaals “Een vaste Burcht”

6 minuten leestijd

Enkele weken geleden verscheen in ons blad in het kader van de Reformatieherdenking een artikel over de ontstaansgeschiedenis van Luthers lied ‘Een vaste Burcht is onze God’. Omdat daarover verschillende vragen en reacties zijn binnengekomen, lijkt het ons goed hierop nog wat nader in te gaan.

Persoonlijke omstandigheden

In het artikel werd het ontstaan van het lied geschetst tegen de achtergrond van de zorgelijke en moeitevolle jaren die Luther in 1527 en 1528 doormaakte. Hij werd ernstig ziek en dacht te zullen sterven. Verder brak de pest uit in Wittenberg, drong zelfs zijn woning binnen en deed de gehele universiteit naar Jena vluchten. Luther zag dit als een regelrechte aanslag van de duivel op het werk der Reformatie, wat hem in grote benauwdheid en geloofsaanvechtingen bracht. Hij vluchtte door het schrijven van ‘Een vaste Burcht’ tot de Heere, net zoals we kunnen lezen van David, dat hij in grote nood en levensgevaar ‘zich sterkte in de Heere, zijn God’.

Het jaartal

De meeste Lutheronderzoekers onderschrijven een dergelijke relatie tussen het lied en Luthers geloofsleven en de aanvechtingen van satan waarmee hij te kampen had. Anderen gaan uit van maatschappelijke en politieke aangelegenheden, zoals hieronder nog zal blijken. Over het jaartal van ontstaan bestaat thans geen verschil van mening meer. In het verleden dateerde men het lied namelijk soms vroeg, bijvoorbeeld rond de rijksdag te Worms in 1521 of in de roerige tijd van boeren en wederdopers in 1525. Die veronderstelling staat echter haaks op het feit dat het lied in de oudste drukken van Luthers gezangboeken niet voorkomt. Dat hij een zo pakkend lied dat een geweldige ingang vond, lange tijd in portefeuille heeft gehouden, is immers niet aannemelijk. De oudste drukken van ‘Een vaste Burcht’ dateren uit 1530 en 1533, dus duidelijk na de genoemde crisisjaren uit Luthers leven. Dat het vrijwel zeker ook heeft gestaan in het verloren gegane gezangboek uit 1529 maakt de relatie met de gebeurtenissen uit 1527 en 1528 alleen nog maar waarschijnlijker.

Politieke en maatschappelijke achtergronden

Door sommigen is het ontstaan van het lied in verband gebracht met de spanning rondom de rijksdag in de beroemde domstad Speyer in 1529. Ook in 1526 werd daar de rijksdag gehouden, maar toen bleef de veroordeling van Luther, verwoord in het edict van Worms uit 1521, boven de tafel hangen. Elk van de Duitse landen moest maar zien, daarmee ten aanzien van de keizer naar eer en geweten om te gaan. Maar in 1529 lagen de kaarten anders. Koning Ferdinand, de broer van de keizer, wenste in samenwerking met de Beierse vorsten en de Zuid-Duitse bisschoppen het besluit van Worms onverkort gehandhaafd te zien. Dit zou Luthers arrestatie en terechtstelling betekenen. De keurvorst van Saksen, Philips van Hessen en andere hervormingsgezinde vorsten dienden daarop een felle ‘protestatie’ in, waardoor degenen die Luther in bescherming namen, voor het eerst met de naam ‘protestanten’ werden aangeduid. Zij sloten zelfs een militair verbond om de zaak der Hervorming te verdedigen, als dit nodig zou zijn.

Luther nam in dit alles een berustende houding in. Hij mocht zijn zaak aan de Heere overgeven en hij was wars van elk militant optreden. Het verbond van de hem gezinde Duitse vorsten verwierp hij dan ook ronduit met het argument, dat God Zelf voor Zijn Kerk zal zorgen en dat het Evangelie niet met behulp van wapenen mag worden verbreid.

Dat er vanuit deze houding lijnen zijn te trekken naar ‘een vaste Burcht’, moge duidelijk zijn.

Zwingli

Ook is het lied in verband gebracht met het godsdienstgesprek in 1529 te Marburg tussen de Wittenbergse theologen en de Zwitserse, die onder leiding stonden van Zwingli. Deze gedachte stoelt echter slechts op één regel uit het lied, namelijk ‘Ein Wörtlein kann ihn fällen’. Met dit ene woord zou Luther dan bedoeld hebben ‘Hoc est Corpus Meum’ (Dit is Mijn lichaam), waarmee hij zijn letterlijke opvatting over het nuttigen van Christus’ lichaam tijdens het Avondmaal zou hebben willen doen zegevieren over de figuurlijke betekenis, die Zwingli daaraan gaf.

Nu was Luther inderdaad fanatiek en halsstarrig in de verdediging van zijn Avondmaalsleer, maar het zou onzin zijn te beweren dat hij Zwingli, zoals in het lied staat, zag als de oude boze vijand, die goed, bloed, vrouw en kinderen zou wegnemen. Daarmee valt het gebeuren in Marburg als achtergrond in de ontstaansgeschiedenis van het lied weg.

De Turkse dreiging

Eén van de vraagstellers vermeldde dat een gids in Wittenberg had verteld, dat Luther ‘Een vaste Burcht’ geschreven zou hebben als protest tegen aanleg van de verdedigingswerken die keurvorst Johan om de stad liet aanleggen tegen een mogelijke inval van de Turken. Luther zou van mening zijn geweest: Als God onze Toevlucht is, hebben we geen muren nodig.

Nu is het waar, dat in Duitsland de angst voor de Turken groot was. In 1526 versloegen zij de Hongaren met hun koning en in 1529 belegerden zij Wenen, waardoor het gevaar wel erg dichtbij kwam. Toch hadden de bouwactiviteiten in Wittenberg daarmee niet rechtstreeks te maken. Sinds de splitsing van Saksen in 1486 in een hertogdom en een keurvorstendom was eerst Frederik de Wijze bezig geweest van Wittenberg zijn residentie te maken. Hij liet het prachtige slot en de daarbij behorende Slotkerk bouwen en stichtte in 1502 de universiteit, die door Luther en Melanchton een geweldige uitstraling kreeg. Zijn broer en opvolger Johan voltooide het werk door de stad vanaf 1526 van vestingwerken te voorzien. Deze waren er in de eerste plaats op gericht een overrompeling door de troepen van de keizer en de roomse Duitse vorsten te voorkomen.

Toch was Luther erg bezwaard over de aanleg van deze bastions. Ze liepen dwars door de tuin van zijn woonhuis, het augustijner klooster, heen. Hij klaagde over de herrie die hem zijn rust om te studeren ontnam. Ook sprak hij de volgende vrees uit: ‘Misschien zullen de bolwerken en wallen mijn arme studeerkamertje, van waaruit ik het pausdom bestormd heb, nog van mij wegnemen’. Beroemd werden zijn woorden: ‘Wij vechten niet met wallen, zoals de vorsten doen, want wie zijn religie op een wal grondvest, heeft de godsdienst maar slecht bestudeerd’.

Hiermee zijn we dicht in de buurt van de woorden van de Wittenbergse stadsgids gekomen.

Slot

Toch ben ik van mening, dat Luther met ‘der alt böse Feind’, bekleed met een gruwelijke wapenrusting van list en bedrog meer heeft bedoeld dan de paus, de keizer, Zwingli, of de Turken. Hij had daarmee de duivel zelf op het oog, van wie hij in zijn leven veel bestrijdingen en aanvechtingen heeft ondervonden. Daarom zette hij boven zijn psalm ‘Deus noster refugium et virtus’ (God is ons een Toevlucht en Sterkte)’.

Reeds in oktober 2005 heeft L.M.P. Scholten in een tweetal artikelen in ons blad hierop gewezen en tevens met behulp van de Duitse tekst aangetoond, hoe ver de onder ons bekende berijming van ds. Ten Kate van Luthers gedachtegoed afstaat. Hij pleitte toen voor een berijming, die aan Luthers bedoelingen meer recht zou doen. Aan die wens heb ik geprobeerd in mijn berijming, die bij het vorige artikel stond afgedrukt, invulling te geven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 2018

De Wachter Sions | 12 Pagina's

Nogmaals “Een vaste Burcht”

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 2018

De Wachter Sions | 12 Pagina's

PDF Bekijken