Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Kenmerk en eisch van het discipelschap van Jezus

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Kenmerk en eisch van het discipelschap van Jezus

8 minuten leestijd

»Zoo wie achter mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge mij.” Markus 8 : 34b.

Achter Jezus komen, Hem volgen, ziedaar de meest korte en duidelijke omschrijving van het discipelschap van Christus. Dat volgen staat tegenover vooruitloopen. Het is de omschrijving van die gehoorzaamheid, welke aan het oprecht geloof eigen is. Het naaste verband dezer woorden wijst ons op Petrus, die, vernemende het lijden dat de Zone Gods omtrent zichzelven voorspelt, bedenkingen hiertegen in-bracht.
Toch was Petrus een discipel des Heeren, maar een discipel, die, gelijk alle anderen, van noode had door Christus onderwezen te worden.
»Volgen van Jezus” is eene korte en duidelijke, maar niet minder zinrijke omschrijving van hetgeen vereischt wordt om een discipel van Jezus te zijn, Eene eerste zaak, welke hierbij dient opgemerkt, is deze: men kan niet te gelijk Jezus en iemand anders volgen.
Toch is de mensch in den regel hiertoe zoo geneigd. Wie zijn’ eigen weg wil gaan en zijne eigen inzichten wil volgen, .kan onmogelijk Jezus’ discipel of volgeling zijn. Daarom verbindt de Heere aan dat achter-Hem-komen aanstonds twee dingen: zelfverloochening en kruis-dragen. Geen van die beiden is gemakkelijk. Zoo tot bet één als tot het ander wordt genade vereischt. Zelfverloochening vraagt verzaking van eigen wil en zin, om onvoorwaardelijk en zonder eenig beding den Heere overal, altijd en in alles te gehoorzamen. Zelfverloochening is strijdvoeren tegen onzen eigen wil en ons eigen verstand. En kruisdragen, spreekwoordelijk als dit is onder de Christenen, hoe weinig wordt verstaan wat de Heere hiermede heeft willen zeggen. Meestal vat men dit op in den zin van zich geduldig en lijdelijk schikken in het reeds aanwezige lijden, dat u heden of morgen treft. Ware dit de juiste bedoeling van Christus woorden, dan zou daaruit volgen, dat allen, die in lijden zich oefenen, in geduld en lijdzaamheid, discipelen van Jezus zijn. Het tegenovergestelde wordt echter al te duidelijk geleerd en alle dagen bewezen, dan dat we hierop verder behoeven in te gaan.
Wat kruisdragen in den waren zin van het woord is, moet de kruisdragende Christus ons zelf leeren. Toen Christus zijn kruis droeg door Jeruzalem’s straten, deed Hij dit als een door de wereld veroordeelde, die liever met het vloek-hout beladen den smartelijken kruisdood stierf, dan dat Hij, Gode ongehoorzaam, ’s werelds aangeboden kroon aanvaardde. Deelen in de algemeene smarten en beproevingen van dit leven en kruisdragen achter Jezus zijn grootelijks onderscheiden.
Het laatstgenoemde doet ons denken aan kruisdragen om Jezus’ wil, gelijk het daarmede verbonden woord over vinden en verliezen van het leven zoo duidelijk aantoont.
In onderscheiden gedaanten kan het kruis u worden opgelegd. Maar daargelaten of gij door eene onmiddellijke Godsbeschikking, of dat ge door menschen als door tweede oorzaken, waaraan ge middellijk uw kruis dankt, hij uw kruisdragen telkens u tot volgen van Jezus ziet geroepen, de Heere regeert: volgen blijft bet wachtwoord, — volgen om Jezus’ wil.
Verstand alleen is hiertoe niet genoeg. Goede wil en goede voornemens evenmin. Met dit alles —de geschiedenis heeft het geleerd — lijdt gij schipbreuk. Als Jezus maar alleen het land doorwandelde, predikte, kranken genas en vele wonderteekenen deed, zou dit nog gaan, maar de Heere ging ook naar Gethsémané en naar Golgotha. Hij ging daar heen in een gezelschap en omstandigheden, voor het vleesch niet begeerlijk.
Toch zegt Christus niet: »gij moet maar zóó-of zoover volgen. Volgen in onvoorwaardelijken en onbepaalden zin bedoelt de Heere. Zal het daartoe komen, of zult gij, daarmede aangevangen, volharden, dan is er noodig eene kracht, waardoor gij alle bezwaren overwint. Die kracht schuilt in de liefde, door den H. Geest uitgestort in de harten van alle oprechte discipelen des Heeren.
Wie Jezus waarlijk en hartelijk lief heeft, volgt Hem. Die schrikt niet voor dreigementen der wereld, die vreest niet voor vijanden, die gaat niet terug, gelijk de rijke jongeling, omdat Jezus’ eisch hem te zwaar was, maar die volgt, ziende op Hem, die het kruis verdragen en de schande veracht heeft. Velen trachten Jezus te volgen zonder Hem te zien, doch dan verliest de sterkste den moed.
Juist door geloovig zien op Hem en op Zijn kruis, wordt uw kruis licht, en uw volgen mogelijk, Simon van Cyrene werd gedwongen het kruis achter Jezus te dragen, en zoo af keerig is onze menschelijke natuur van alle kruis, dat nooit eenig kind van Adam tot kruisdragen achter Jezus bewogen werd, of er ging een innerlijke zielsdrang vooraf. Door Godzelf gewillig gemaakt, kunt ge niet anders dan Jezus volgen. Wie ook terug gaat, op de vraag: »wilt gij ook niet heengaan ?” zegt gij immers met al de oprechten: »Heere! tot wien zullen wij heengaan, want hij U zijn de woorden des eeuwigen levens?!”
Het knus, dat om Jezus’ wil gedragen wordt, is niet altijd van buiten zichtbaar, En al heeft dat kruis eene waarneembare zijde, dan nog hebt gij niet alles van dat kruis gezien, noch veel minder gevoeld. Zijn eigen kruis kent en gevoelt men het beste.
Te denken: »ik heb het zwaarste kruis, of althans veel zwaarder dan anderen,” is geheel onjuist en verkeerd.
Zijn kruis te dragen achter Jezus is nog geheel iets anders dan zijn kruis te slepen.
Opnemen is wat anders dan afwerpen, gelijk dragen geheel iets anders is dan slepen. Opnemen en dragen wijst niet slechts geduld en lijdzaamheid, maar ook moed en gewilligheid aan.
Bij het kruis te staan en er lang en veel over te redeneeren brengt u niet verder. Er zijn menschen; die hun leven lang er over spreken, wat tot het christenleven vereischt wordt, zonder dat zij zelf ooit Christen worden. Geleerde mannen, die in kennis en gaven hebben uit-geblonken, hebben over kruis en over kruisdragen dikke boeken geschreven, zonder dat zij zelve ooit bewijs leverden volgelingen van Jezus te. zijn. Met de lamp van Gods heilig Woord de wereld doorzoekende, vinden we, afgaande op het onbedriegelijk kenmerk, hier genoemd, slechts een zeer klein getal van menschen, op wie deze kenschetsing past, dat zij volgelingen en mitsdien discipelen van Jezus zijn. Volgen, dagelijks volgen, altijd volgen achter Jezus, eischt zelfverloochening.
Onze natuur schaart zich liever bij de door menschen geprezen meerderheid dan bij de verachte minderheid. De ware volgelingen des Heeren zijn door alle tijden slechts een klein kuddeke. Daarenboven: niet vele rijken en niet vele edelen telt ge onder die volgelingen. Hoe kan het anders: een Leeraar is Christus, die tollenaren en zondaren opzoekt. Een Koning is Hij, met eene kroon van doornen. Een’ weg gaat Hij, waarop de diepste vernedering, de sterkste tegenspraak, een vreeselijk lijden Hem wacht, een weg, die uitloopt op Calvarië. Hebben de vossen holen, de vogelen des hemels nesten, — de Zoon des menschen heeft niets, waar Hij het hoofd op nederlegge ! De Man, verzocht in krankheid, zonder gedaante en zonder heerlijkheid. heeft men Hem als het groene hout niet gespaard, wat heeft dan het dorre hout te wachten? Alleen den geloovigen is Christus dierbaar. Zij hebben hem waarlijk lief en volgen Hem. Zij kunnen en willen niet anders. Christus is hun alles. Om Zijnentwil kunnen zij smaadheid en kruis dragen, In alle smart en ellende is het zien op Jezus als den overste Leidsman hunne zaligheid, hun eene onuitsprekelijke troost. In Christus is vergoeding voor alle gemis. In Hem is kracht tegen alle zwakheid. Het geloof ziet ook verder dan den kruis-heuvel. Het ziet ook den Olijfberg. Allen, die Jezus volgen, zullen hier wel met hem lijden, maar ook namaals met Hem verheerlijkt worden. Staan anderen beschaamd en verlegen bij de vraag: »waar gaat gij henen?”— Jezus’ discipelen en discipelinnen kunnen door de genade des geloofs op die vraag aan Jezus’ woord en belofte herinneren:
»Die mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het Licht des Levens hebben.”
Wenscht ge door Gods genade Jezus te volgen, stel u dan in dit leven niets anders voor dan smaad der wereld en tegenkanting van menschen. Toch zal niemand over dat volgen zich hebben te beklagen. Wie is veiliger Leidsman en trouwer Gids door de woestijn van dit leven dan Hij! Is de Heere uw Herder, dan zal het u aan niets ontbreken. Door de diepte voert Hij u naar boven, door lijden gaat Hij al de Zijnen voor tot heerlijkheid.
De eerenaam, een volgeling van Jezus te zijn, volgt Gods kinderen tot over den dood.
Immers, wij lezen van de verlosten in den hemel: »Deze zijn het, die het Lam volgen, waar het ook heen gaat.”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 februari 1893

De Wekker | 4 Pagina's

Kenmerk en eisch van het discipelschap van Jezus

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 februari 1893

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken