Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Onze doopsbediening (I)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Onze doopsbediening (I)

5 minuten leestijd

Herhaalde malen ontmoette ik bezwaren tegen den doop, zooals die bij ons wordt bediend. Baptisten hadden twijfel gezaaid en onderscheidene zielen onrustig gemaakt. Vandaar dan de vraag om licht door middel van ons blad. Een eerste bezwaar wordt genoemd, dat de doop niet door onderdompeling geschiedt. Men meene toch niet, dat in bet meerdere of mindere de waarde ligt. Van Achilles staat geschreven, dat zijne moeder hem in het water van de Styx doopte, en daardoor onkwetsbaar maakte, doch dat de hiel, waarbij zij hem had vastgehouden, niet bevochtigd was geworden, en hij daarom, aan dien hiel gewond, den dood gevonden heeft. Aan zulk een bijgeloof zijn wij toch immers vreemd ? Evenmin als het grootere of kleine stuk broods, de ruimere of geringere teuge aan het Avondmaal het gedachtenis vieren van ‘s Heeren dood teweeg brengt, evenmin hangt van de grootere of kleinere hoeveelheid van water in den doop de bezegeling af. Het is dan ook wel duidelijk, dat volgens de Schrift in den regel de doop plaats had door begieten van het hoofd. Ook waar wij lezen: zij beiden daalden af in het water (Grieksch : eis to hudoor = naar het water) is niet die onderdompeling uitgesproken. Hoe zoude zulk eene handeling mogelijk zijn geweest in het buis van Cornelius (Hand. 10: 47v. v.), van Lydia (Hand. 16 ; 15), in den kerker te Philippi (Hand. 16 : 33) of in den voorhof des tempels (Hand. 2 : 41). Ook waar bijvoorbeeld het hoofd werd ondergedompeld of begoten blijft dit ah; beeld voldoende voor hetgeen wij lezen Rom. 6 : 4 en Col. 2 : 12. Bovendien het water is het beeld van het bloed van Christus. Het bloed van Christus werd afgebeeld door dat van het lam op den grooten Verzoendag. Dat bloed werd op den Capporeth of verzoendeksel gesprenkeld (Lev. 16 : 14), zoodat wij Hebr. 12: 24 lezen van »het bloed der besprenging” en 1 Petr. 1:2: "besprenging des bloeds van Jezus Christus.” Hierom lezen wij ook Ezech. 36: 25; »Ik zal rein water op u sprengen en gij zult rein zijn.” Meent men dat het woord in ‘t oorspronkelijke (baptizesthai) op onderdompeling wijst, dan antwoorden wij, dat het in Marc. 7 : 4 gebezigd wordt van het wasschen der handen voor het eten. Niet het geheele huis van den Israëliet in Gosen behoefde met bloed bestreken te worden; een teeken des bloeds aan den bovendorpel werd slechts geêischt. Zoo komt ons ook voor dat besprenging veel juister beeld is van de reiniging door het bloed des Heeren dan geheele onderdompeling, en de meening der baptisten in dezen even ongegrond is als die der Grieksche Kerk, welke alleen voor gedoopt erkent die driemalen ondergedompeld zijn.
De heilige plechtigheid moet worden bediend met rein water. Door Joh. 1 : 33 en Hebr. 10: 22 is genoegzaam de vraag beantwoord, of bij een ziek kind, als water niet dadelijk bij de hand is, ook wijn of bier of eenige andere vloeistof mag worden aangewend. De Kerk heeft steeds gemeend dat het hetzelfde was of het water was genomen uit rivier of zee of bron of put. Vreemd was daarom de handelwijze van een nog levend predikant, toen hij zijne kinderen doopte met water, daartoe uit de Jordaan verkregen. Het komt ons wat bijgeloovig voor. Toch zou elke verontreiniging het beeld bederven, waartoe wij zeker niet willen rekenen het wijwater, in de Kerk van Rome aangewend. Een enkele druppel der zoogenaamde heilige zalfolie maakt het water niet tot modder, noch onrein. Wat reinigen zal, moet zelf rein wezen. Onrein water zou het voorhoofd bezoedelen.
Slechts eenmaal mag de doop plaats hebben. Is er een schijndoop geschied, dat is eene, welke niet was overeenkomstig de inzetting des Heereu, dan is zulk een voor ongedoopt te houden. Doch daar dit Sacrament dat der wedergeboorte is en der inlijving in de. Christelijke Kerk, en dewijl deze slechts eenmaal plaats hebben, en het teeken moet overeenstemmen met de beteekenende zaak, zoo mag het ook niet worden herhaald. Efeze 4: 5 zegt dan ook duidelijk »één doop”. De Anabaptisten handelen daarom tegen de Schrift en den aard der plechtigheid met hun herdoop. Beroept men zich op Hand. 19 : 5, dan doen zij dit ten onrechte, daar dit vers nog behoort bij hetgeen Paulus in vs. 4 zeide, zoodat het vers beteekent: »en die hem (Johannes) hoorden, werden (door Johannes) gedoopt in den naam (den naam in) van den Heere Jezus”. Eerst in vs. 6 begint eene nieuwe handeling van den Apostel in de oplegging der handen. Paulus verklaarde dus dat de doop der bekeering een doop in den naam van den Heere Jezus was. Is bovendien de doop onder het Nieuwe Verbond wat de besnijdenis onder het Oude was, zooals wij daarop terug zullen komen, dan weten wij, dat de besnijdenis slechts eenmaal plaats hebben kon, derhalve ook de doop.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 november 1894

De Wekker | 4 Pagina's

Onze doopsbediening (I)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 november 1894

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken