Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De bedenkingen, door Ds. Ploos van-Ainstel tegen de zes punten, in onze brochure vervat, besproken (V)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De bedenkingen, door Ds. Ploos van-Ainstel tegen de zes punten, in onze brochure vervat, besproken (V)

5 minuten leestijd

Slot op het eerste punt.
Voorts zegt Ds. Pl. nog : » Scheiding moet geen doel zijn.” Dat moet het ook niet; dat was het in ’34 niet en dat is het ook thans bij ons niet; daarom ook scheiden wij van de Christ. Ger. Kerk niet, gelijk al de anderen Meden, die met de Doleerenden vereenigden; integendeel zijn en blijven wij, wie we waren.
Meer willen we er niet van zeggen.
Wij hebben o. i. voldoende bewezen, dat in de vereeniging het beginsel der Scheiding is prijs gegeven, en dat de Christ. Gereformeerden voor zooverre zij »vereenigden”, zich in de onware Doleantie hebben opgelost. En dit is ons genoeg.
Redenen te over dus, om onze broeders niet te volgen, maar te blijven de Christ. Geref. Kerk, de ware Kerk des Heeren, welke zich in ’34 alzoo openbaarde en daarom is geweest de wettige voortzetting van de Kerk der vaderen.
Daarbij zijn wij dan ook in ’92 gebleven en daarmede ook de wettige voortzetting dier ware Kerk van ’34; — wij zijn de straat niet uitgegaan, maar zijn blijven wonen in die straat en in dat land der Scheiding, waar wij en onze vaderen nu meer dan zestig jaren gewoond hebben.
Dit werd nog kort geleden ons door Ds. S. smadelijk toegeworpen, iets, dat wij ons tot eene eer mogen rekenen.
Die eer komt echter ons niet toe; het is des Heeren goedheid alleen, die we daarvoor te erkennen hebben, en die ons verwaardigde, bij al het gebrek, dat ons aankleefde, Zijne daden niet te vergeten, en ons niet deed wijken van den weg, waarop Hij zelf onze vaderen geleid heeft.
Dientengevolge zijn wij de grenzen niet overgegaan, gelijk onze broederen, om te gaan wonen in het zoogenaamde Frankrijk, het land der Doleantie. En of we nu met velen of met weinigen nog in ons land gebleven zijn, en al moge het ons smart veroorzaken, dat zoovelen Franschgezind werden, en dat zij in hunnen overtocht daarheen bijna alles medenamen, waardoor wij grootendeels van alles beroofd werden, we kunnen niet anders dan het ons een groot voorrecht rekenen, dat wij in ons land gebleven zijn.
Gave de Heere maar, dat ook weer velen als echte zonen der Scheiding naar hun land terugkeerden; de Hugenoten mogen dan Frankrijk als hun eigen land beschouwen, de kinderen van ’34 evenwel behooren in het land der Scheiding tehuis; en zoolang zij daarin niet zijn teruggekeerd, zijn zij in der waarheid »bannelingen”, al maken de Doleerenden het hun thans ook wijs, dat ze nu in hun eigen land zijn.
Blijven, die wij waren, konden we niet alleen, krachtens het ambt der geloovigen, maar wij mochten zelfs niet anders, omdat wij de Doleerenden, naar luid der geschiedenis, moeten beschouwen als dezulken, die, tegenover de ware Kerk des Heeren, tegen-kerken, scheurkerken hebben gesticht, en die alzoo altaren hebben gebouwd, behalve het altaar des Heeren onzes Gods. En zulks deden zij nog wel na de vriendelijke uitnoodiging om het niet te doen, daar hun plaats werd aangeboden in het land van de bezitting des Heeren, waar de tabernakel des Heeren woont; doch zij hoorden niet, maar gingen hardnekkig voort met het werk en den weg des Heeren van ’34 te miskennen en hun’ eigen weg te verkiezen, om daarop te wandelen.
Als er nu nog sprake moet zijn van »scheurmakerij”, wie zijn het dan anders dan zij, die het volk des Heeren uit elkander rukten, waarvan een kerkelijk blad indertijd schreef: Ach, dat bij de vele oordeelen over ’t volk ook nog de vloek der Doleantie komen moest, om het arme lichaam van Jezus nog meer te verscheuren.”
En dit gebeurde niet om de waarheid, maar zelfs tegen de belijdenis in, om een vooropgezet plan van stoffelijken en anderen aard ten uitvoer te brengen; wij verwijzen onze lezers hieromtrent naar onze »brochure” en voor zooverre wij daarin, om de kortheid, slechts een en ander hebben aangestipt, wenschen wij, bij het bespreken van het vijfde punt, dit nader te verklaren.
Wij achtten dit eerste pant genoegzaam besproken en de bedenkingen van Ds. Pl. weêrlegd, waarbij het duidelijk is geworden, dat in de vereeniging het beginsel der Scheiding, het werk des Heeren van ’34, is prijsgegeven,
Op het eerste punt in onze »brochure” heeft Ds. Pl. dan ook wel bedenkingen gemaakt; doch de verklaring, die wij er aan hebben gegeven, heeft Z. Eerw. in geen enkel opzicht wêerlegd. Wij kunnen in de volgende punten nu kort zijn; alleen bij het
vijfde punt, waarin Ds. Pl. meent, dat we zeer zwak zijn, wenschen we de puntjes eens goed op de i’s te zetten en breedvoerig te bespreken.

J.H. WESSELS
Utrecht, 36-’95.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 1 February 1895

De Wekker | 4 Pagina's

De bedenkingen, door Ds. Ploos van-Ainstel tegen de zes punten, in onze brochure vervat, besproken (V)

Bekijk de hele uitgave van Friday 1 February 1895

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken