Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het Evangelie van Johannes (XXX)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het Evangelie van Johannes (XXX)

11 minuten leestijd

Cap. 3 : 31—36.

Het kan niet anders. »De Heere moet wassen en ik moet minder worden,” zoo verklaart de Dooper, want Hij heeft niet slechts eene hemelsche zending, welke ook ik heb, maar Hij is uit den hemel nedergedaald, uit de heerlijkheid, welke Hij bij den Vader had vóór de wereld was en ik ben van oorsprong niets anders dan een Adamskind. Nu is het ontwijfelbaar zeker: »die van boven komt is boven allen” boven alle machten der aarde, boven koningen en priesters. Daarentegen »die uit de aarde is (voortgekomen), die is uit de aarde.” Zijn aardsche natuur blijft, die wordt geene hemelsche, en dientengevolge »spreekt” hij ook »uit de aarde.« Des Doopers spreken is niet van de aarde. Het is Gods Heilige Geest, die hem bezielt, maar hij moet erkennen, dat hij mensch is, zooals de met Gods Geest zoo rijk bedeelde Paulus schreef (1 Kor. 13: 9): „wij kennen ten deele en wij profeteeren ten deele.” De Dooper de mensch van de aarde; Christus God van den hemel en »die uit den hemel komt is boven allen.” Zijn Woord is boven elke prediking, want meer dan Elia, meer dan Salomo is hier, »en hetgeen Hij gezien en gehoord heeft” in Zijn voormenschelijk bestaan, liggende in den schoot des Vaders, »dat getuigt hij.” Ook de discipelen des Heeren verkondigen, wat zij gehoord hebben en hetgeen zij gezien hebben, hetgeen zij aanschouwd hebben, en hunne handen getast hebben van het Woord des levens (1 Joh. 1: 1 en 3), maar Christus is de bron, waarvoor zij de kanalen zijn. Hij is de zon, terwijl zij slechts de sterren zijn, die het zonlicht verbreiden, maar dat te zijn is groote genade. Hij is de Alpha en de Omega, ons is het zalig niets te zijn voor God.
Tegenover die heerlijke gave lezen wij eene smartelijke tegenstelling. Een getuigenis uit den hemel en — »niemand neemt die aan.” Tot Nikodemus had de Heere zelf alzoo getuigd: »gijlieden neemt onze getuigenis niet aan.” Ook de Dooper heeft die kennis van het menschelijk hart en die ondervinding reeds opgedaan. Tusschen hemel en aarde, tusschen God en mensch is zulk eene klove gevestigd, dat vleesch en bloed de hemelgave niet wil, het verduisterd verstand begrijpt haar niet, de verdorven wil heeft geen lust in zulk eene waarheid. De discipelen mogen zeggen: »zij komen allen tot Hem” (vs. 26), neen! zegt de meester: »Zijne getuigenis neemt niemand aan,” niemand uit zichzelven. Wat baat een groote schare hoorders als het hart koud en onvatbaar blijft, als de een komt, omdat hij van de brooden gegeten heeft (Joh 6: 26”), ander murmureeren: »Is deze niet Jezus, de zoon van Jozef?” (6: 42), anderen heengaan, zeggende: »Deze rede is hard; wie kan dezelve hooren?” (vs. 60).
Hoe menig prediker 13 op toejuiching zot en maakt jacht op schitterende beelden en prachtige wendigen, oorverdoovend geroep en heftige gebaren, maar wat baatte het, dat in Nazareths synagoge »allen getuigenis gaven en zich verwonderden over de aangename woorden, die uit Zijnen mond voortkwamen?” (Luk. 4: 22). Het komt er op aan, dat men met de waarheid in zijn binnenkamer gaat en daar de overtuigde zondaar roept: ,,Ik laat niet los voor Gij mij gezegend hebt.”
Was dan alle arbeid om niet? Neen, zoo velen verordineerd waren ten eeuwigen leven werden in ‘t hart gegrepen en overtuigd. Nam vleesch en bloed, nam eigen verstand en hart de getuigenis niet aan, de almachtige veranderende genade Gods dwong tot buigen en gelooven. Daarom mag Johannes er bij voegen: »Die zijne getuigenis aangenomen heeft, die heeft verzegeld, dat God waarachtig is. » Dienzelfden zin lazen wij reeds Cap. 1: 10 vv.: „De wereld heeft Hem niet gekend en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen: maar zoovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden.”
Uit die kinderen wordt de wijsheid gerechtvaardigd. »Zij verzegelen, dat God waarachtig is.” Een zegel wordt geplaatst òf om iets ontoegankelijk te maken (Matth. 27: 66) of om iets te bevestigen (6: 27) Rom. 4: 11, 15: 28, 1 Kor. 9: 2, 2 Kor. 1: 22, Efez. 1: 13;. In dien laatsten zin komt het hier voor. Is Christus de tolk des Vaders, dan verwerpt men of neemt men den Zender in Hem aan. Eene oorkonde wordt geldig gemaakt in rechten door er een zegel op te drukken. Zijne handteekening te zetten onder eene, is er mede getuigenis als waarachtig van te geven. Die nu zijne handteekening plaatst onder de door Christus geopenbaarde waarheid, verklaart zich als één met God, als vindende in dat woord zijn leven en zich verbindende tot alles wat daarin geschreven staat, Christus aannemen, in Hem gelooven is het Nieuw-Testamentische Amen op de getuigenis van Ebal en Gerizim, van Sinai en Golgotha.
De Heere heeft gezegd (Luk. 10: 16): » Wie Mij verwerpt, die verwerpt dengene, die Mij gezonden heeft”, en wederom (Joh. 12: 48 v.): »Die Mij verwerpt en Mijne woorden niet ontvangt, heeft die hem oordeelt, want Ik heb uit Mijzelven niet gesproken, maar de Vader, die Mij gezonden heeft, die heeft Mij een gebod gegeven, wat Ik zeggen zal en wat Ik spreken zal.” Met een dergelijk woord bevestigt en verklaart de Dooper zijn woord, dat Christus’ getuigenis aan te nemen eene bezegeling is van de waarheid Gods. Wilt ge nadere verklaring, Hij, die in den schoot des Heeren gezeten heeft, geeft ons die (1 Joh. 5: 10): »Die in den Zoon van God gelooft heeft de getuigenis in zichzelven; die God niet gelooft heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, dewijl hg niet geloofd heeft de getuigenis, die God getuigd heeft van Zijnen Zoon.” Zoo is dan gelooven of niet gelooven in Christus: bevestigen dat God waarachtig is of God tot een leugenaar maken. Elk mensch, die het evangelie hoorde, doet een van beide. Mijn lezer wat doet gij?
Kan een mensch zijn roeping te buiten gaan, eigen gedachten invlechten, of afdoen van het woord, bij den Christus is de verkondiging en het volbrengen van den ganschen raad Gods. Een mensch, hoe geestelijk ook, zou kunnen dwalen, want hij bezit nooit alle gaven des Geestes (Rom. 12: 3 vv.), bij den Heere behoeft geen twijfel te zijn: „want God geeft hem den Geest niet met mate” maar in alle volheid (Kol. 1: 19). Ziet, dat werd reeds onder het Oude Verbond afgebeeld, als de priesters slechts met de heilige zalf-olie werden besprengd, maar op des Hoogepriesters hoofd die in volheid werd uitgestort (Exod. 29: 7, Ps. 133: 2). Onbedriegelijk is dus dat evangelie, dat met bloed is bezegeld, door den Vader is bezworen. Het is niet voortgekomen uit menschelijk brein maar uit den eeuwigen raad Gods. Ons geloof, het steunt dan ook niet op menschenwoord maar op Gods woord, niet op menschenwerk maar op Christus’ werk, niet op den naam eens menschen, maar op den naam des Zoons van God. Hemel en aarde mogen voorbijgaan maar dit woord is het eeuwig evangelie.
De dooper wordt hier weer met zijne gedachte terug geleid naar de Jordaan en het oogenblik, waarop hij de hemelen geopend zag. Daar aanschouwde hij het, hoe de Geest Gods op Hem nederdaalde in de gedaante een er duive en op Hem bleef, daar hoorde hij de stem des Vaders uit den hemel: »Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in welken Ik Mijn welbehagen heb.” Die herinnering doet hem ter bevestiging van hetgeen bij had geleerd, getuigen; »de Vader heeft den Zoon lief.” Vergelijk die niet bij uwe liefde, want zij is eene goddelijke, niet bij Gods liefde voor u, want zij is eene voor den Heilige, voor Zijnen eengeboren Zoon. Die tot u is zoo groot dat Hij voor u Zijnen eengeboren Zoon gaf, voor den Zoon is zij zoo groot, dat Hij »alle dingen in Zijne hand heeft gegeven”, hemel en aarde, menschen en engelen, beslissing over dood en leven, over verdoemenis en zaligheid. Dat »alles” ontkent de uitsluiting ook van het minste (cap. 13 : 3, Matth. 11: 27, 1 Kor. 15: 27, Openb. 1: 18). Hij kon van den berg in Galilea betuigen (Matth. 28: 18): »Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde”, om Zijnen apostelen alle vrees tot het moeielijk werk te benemen. Dat is de hoop, het vertrouwen Zijner kerk, dat geene poorten der hel haar zullen overweldigen, dat Jezus Christus leeft en regeert, dat God Hem der gemeente, dat is tot heil Zijner gemeente, gegeven heelt tot een Hoofd boven alle dingen (Efeze 1: 22). Ook de vijand is in Zijne hand; belager en lasteraar zijn in Zijne macht. Zoo zingen wij Luther na: »Hoe ook de satan woedt, wij staan hem voet voor voet, wij tarten zijn geweld; zijn vonnis is geveld.”
Die liefde Gods maakt gemeenschap met Christus tot zoo groot een zegen, dat »die in den Zoon gelooft, het eeuwige leven heeft.” Dat leven is reeds in hem uitgestort, dat leven, dat nooit eindigen kan, dat leven van ongestoorde zaligheid. Om Zijns Zoons wil geeft de Vader dat aan allen, wier namen de Geliefde voor Hem belijden zal, maar daarentegen is ook het gevolg van die liefde, dat al de bliksemen, al de vloek van Sinai zal nederkomen op het hoofd van hem, die den Christus verwerpt. »Die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.” Die toorn Gods, zoo ontzaglijk, ligt van nature op den zondaar en er is geen wegnemen van die. Een straf kan blijven voor dit leven al is de zonde ook vergeven, zoo als Nathans woord aan David leert (2 Sam. 12: 10 vv.), maar niet alleen zal de straf onverbiddelijk blijven, maar ook de toorn, welke die straf oplegt, zal onuitwischbaar zijn. Van dien profeteert Jesaja (34: 8): »Het zal zijn de dag der wraak des Heeren, een jaar der vergeldingen om Zions twistzaak. En hunne beken zullen in pek verkeerd worden en hun stof in zwavel. Ja hunne aarde zal tot brandend pek worden. Het zal des nachts of des daags niet uitgebluscht worden, tot in der eeuwigheid zal zijn rook opgaan.” Siddert gij niet, gij die nog buiten Hem leeft, als gij het leest, of als ge Paulus woord (1 Thess. 2: 16) verneemt: »De toorn is over hen gekomen tot het einde”? Zegt het geweten niets; die inwendige tweespalt, die onvrede in het gemoed, is zij geen stem, die de toekomst profeteert? Kust dan den Zoon, opdat Hij niet toorne; en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden (Ps. 2: 12). Zoo is het laatste woord van den Dooper hoe Christus vergeldt, nadat hij heeft getuigd wat de Zoon is, wat Hij heeft en wat Hij geeft. Ontferme zich de Heere over elke ziele, opdat zij Hem aanneme, in Hem geloove, want het zal vreeslijk zijn te vallen in de handen des levenden Gods, maar heerlijkheid en eer en vrede zal zijn over een iegelijk, die gelooft.

v. L.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 augustus 1895

De Wekker | 4 Pagina's

Het Evangelie van Johannes (XXX)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 augustus 1895

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken