Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het Evangelie van Johannes (XXXI)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het Evangelie van Johannes (XXXI)

9 minuten leestijd

Cap. 4 : 1—6.

 Groote afmetingen had de strijd verkregen tusschen den Jood en de discipelen van den Dooper (3 : 25), Zij hadden hunne ontevredenheid behalve aan hun Meester ook aan anderen geklaagd (3 : 26) Dat was koren, op den molen van den vijand, gelijk die altijd loert op gelegenheid om zich nog meer te verbitteren en oorzaak te vinden om schade en schande te werpen op het voorwerp van zijn haat. »De Farizeën hadden gehoord dat Jezus meer discipelen maakte en doopte dan Johannes.” Reeds was onrust bij ben ontstaan toen zij van den toeloop naar Johannes hoorden en hadden een gezantschap naar hem toegezonden (1 : 24); zij waren eenigermate gerustgesteld door de verklaringen, dat hij noch de Christus was noch de profeet, maar nu werd het erger en wellicht herinnerden zij zich, dat zij ook gehoord hadden van eenen, die midden onder hen stond en wien hij niet waardig was Zijnen schoenriem te ontbinden (1 : 26 v.). Bovendien Johannes had hen reeds zoo zeer beleedigd, als hij hen adderen gebroedsels had genoemd en afgewezen had (Matth. 3 : 7). Te lang hadden zij dezen laten voortgaan, tot dat zij niets meer tegen hem vermochten uit vrees voor de schare, daar deze Johannes hield voor een profeet (Matth. 21 : 26). Zullen ze nu dezen laten geworden, van wien ze zooveel meer te duchten hadden ? Naardien des Heeren ure nog niet gekomen was en Zijne bedoeling nooit was om het kwaad gelegenheid tot aanwas te geven, noch ook Zijn wondermacht wilde aanwenden, als gewone middelen voldoende waren »zoo verliet Hij Judea en ging wederom naar Galilea.” Voor onze natuur is een terugtrekken, als de vijand dreigt, zwaarder dan om den strijd te ondernemen, waarin wij de meerderen zijn; toch is het plicht zich niet aan lijden bloot te stellen, zoolang de tijd niet daar is, en de eere Gods het niet gebiedt (vgl. cap. 7 : 1, Matth. 10 : 23).
Bij de mededeeling omtrent den doop des Heeren geeft de evangelist ons de nadere verklaring: »hoewel Jezus zelf niet doopte maar Zijne discipelen.” Wij leeren hieruit dat de doop van Johannes niet in wezen verschilde van die des Heeren, anders had die bij het optreden van Christus ook aanstonds moeten ophouden, en dat de doop door de discipelen des Heeren een doop van Hemzelven mag worden genoemd. Zeker vinden de voorstanders der zoogenaamde »doopgenade” hier geen voedsel voor hunne dwaling. Hier toch is niet te verdedigen die bekende stelling: » niet enkel de uitwendige doop met water door een mensch, maar gelijktijdig de inwendige doop met den Heiligen Geest door Christus uit den hemel. Ontbrak dat laatste, dan zou er geen Christelijke doop, maar nog alleen een Johannes-doop zijn.”
Hier zou dan volgens die leer in verband met Joh. 7 : 39 het besluit moeten worden getrokken: »Christus doopte , maar het was geen Christelijke doop, alleen een Johannes-doop”, dat zeker een contradictie zou zijn. Wij leeren ook hier dat, waar wij den doop niet willen onderschatten, maar hoogschatten, wij dien ook niet moeten overschatten. Waar Christus het niet zelf deed, maar door Zijne discipelen liet doen zegt ons dit, dat het doopen niet het meest gewichtige werk is, anders had Hij het niet aan anderen overgelaten. Het is niet een mechanisch inleggen van een levensbeginsel of van iets dat dit reeds ingelegde leven op nieuw bezielt, versterkt of tot openbaring doet komen. Zoo zegt ook Paulus: »Christus heeft mij niet gezonden om te doopen, maar om het evangelie te verkondigen” (1 Kor. 1 : 17). Toch verzuime die niemand. Het is eene instelling des Heeren, Zijn gebod, eene bezegeling van Zijnentwege van Zijn werk, eene inlijving in de gemeente, maar aan den doop met water is niet verbonden de doop met den Heiligen Geest, en op de wederbaring door dien Geest komt voor den mensch alles aan. Eindelijk wordt op nieuw de wijsheid des Heeren hier openbaar, Had de Heere zelf gedoopt, men zou zich licht boven anderen hebben gesteld, daarin eene soort van bijzondere heiligheid, een voorrang boven anderen hebben gezien, er zijn vertrouwen op hebben gesteld, meenende dat men niet kon verloren gaan omdat ’s Heeren eigen hand het had gedaan. Hij, die het menschelijk hart kende, onthield zich er van om iets dergelijks te kweeken of te voeden.
Tusschen Judea en Galilea lag het landschap Samaria. Om Zijn voornemen te volbrengen kon de Heere, evenals de strenge Joden, die met de Samaritanen geene gemeenschap hielden, een omweg maken over Perea, het land aan de overzijde van de Jordaan. Toch lezen wij: »Hij moest door Samaria gaan.” Er was voor Hem noodzakelijkheid , en welke kan die anders geweest zijn dan een inwendige drang des harten. Er was eene ziel te redden, er moest naar Gods raad een zaad worden uitgestrooid. Daarom kon de Heere niet anders dan dien weg kiezen, welke ook de kortere naar Galilea was. „Hij kwam dan in eene stad van Samaria, genaamd Sichar, nabij het stuk lands, hetwelk Jakob zijnen zoon Jozef’ gaf.” Met Sichar wordt wel Sichem bedoeld. Waarschijnlijk was het oorspronkelijk een bijnaam, zooals die ook steeds in den Talmud voorkomt. Naar verschillende afleidingen kan dat woord beteekenen: leugenstad of drinkersstad (vgl. Jes. 28 : 1: dronkenen van Efraim), of ook grafkelder. Uit de nadere omschrijving in ons vers hebben vele uitleggers aanleiding genomen om op eene ingebeelde vergissing of onnauwkeurigheid te wijzen. Toch is de verklaring niet moeielijk. Wij lezen toch in Gen. 33 : 18 v., dat Jakob een deel des velds kocht van Hemor, den vader van Sichem en daarop het altaar »De God Israëls is God” oprichtte, terwijl in Gen. 48 : 22 staat: »Ik heb u één stuk lands gegeven boven uwe broederen, hetwelk ik met mijn zwaard en met mijnen boog uit de hand der Amorieten genomen heb.” Op deze plaats staat in het Hebreeuwsch voor stuk lands »sjekem”, welk woord de Septuaginta overzette »zikima.” Naar den aard der prophetie spreekt Jakob reeds als gebeurd uit, wat nog geschieden moet. Hij geeft aan Jozef een sjekem, het eenige stuk land, waarop hij door koop recht heeft, maar dat, door de Sichemieten genomen, nog eerst moest worden veroverd.
Er is dus geen tegenspraak. Nader kan men nog vergelijken Joz. 24 : 32: „zij begroeven ook de beenderen van Jozef — te Sichem in dat stuk velds, hetwelk Jakob gekocht had — want zij waren aan de kinderen van Jozef ten erfenis geworden,”
„En aldaar”, zoo lezen wij verder, „was de fontein Jakobs.” Al staat het niet geschreven dat Jakob een put gegraven heeft, zoo weten wij toch dat het de gewoonte der aartsvaders was dit te doen, waar zij zich wilden nederzetten en dat de aartsvader een tijd lang in de nabijheid van Sichem heeft gewoond. Ook nu nog wordt er niet alleen een Jakobsput maar ook een Jakobsbron in die landstreek aangewezen, terwijl ,in dien omtrek verscheidene bronnen zijn. Die men er voor aanwijst is op geruimen afstand van de stad gelegen, zoodat in de vrouw, die zoo ver om water liep, eene meening moet worden ondersteld, dat er in dat water wat bijzonders, dat het heilig water was, gelijk er nog heden genezende kracht aan wordt toegekend. „Jezus dan, vermoeid zijnde van de reize, zat al zoo neder bij de fontein.” Ziet den Heere hier in Zijne nederigheid, Hij is niet anders gekomen dan als voetreiziger. Ziet Hem in Zijne menschheid welke Hij met al hare zwakheden heeft aangenomen. Hij is vermoeid en zoekt rust en, gelijk zoo juist is gezegd: „Hij verwacht eene ziel, vermoeid in de wegen der zonde, om haar eene rust te geven, welke zij niet zoekt en niet kent.” Het woord „alzoo” laat de vermoeidheid nog sterker uitkomen. De Heere is maar neergevallen op de eerste plaats de beste, welke Hem rust kon geven.
De ure, op welke onze schrijver met den Heere in aanraking kwam ging hem nooit uit de gedachte. Hij teekende die ons aan met de woorden (1 : 40): „het was omtrent de tiende ure.” Ook de tijd van ’s Heeren ontmoeting met de Samaritaansche is voor hem eene zaak van zeer groot gewicht. Het is het oogenblik, waarop het voorspel aanvangt van het nederwerpen van den scheidsmuur tusschen Israël en de volken, „Het was omtrent de zesde ure” meldt hij ons. In die zesde ure heeft het hooghartig particularisme van den Jood een knak gekregen door de genade van Hem, die wel Zijne prediking van Jeruzalem beginnen liet maar die gekomen was als wereld-Heiland, die gezonden was, opdat een iegelijk, die gelooft, uit wat volk of natie ook, het eeuwige leven hebbe.
Hier mag wel menigeen stilstaan, die, hoewel hij den doop ontving en de waarheid leerde belijden, toch meer van den geest der Joden dan van den Geest des Heeren in dit opzicht bezit. Hoeveel zien wij een mijden, een ontwijken van elk, die niet in dezelfde kerkelijke vormen en denzelfden kerknaam zijn heil vindt. Christus ging niet door Perea maar door Samaria. Hoe menigeen heeft in plaats van liefde, welke alleen overtuigen, alleen winnen kan, slechts harde woorden voor ieder, die niet denzelfden kerkweg gaat. Ach welk eene verbittering, welk een elkander bijten en opeten en verketteren. De Heere liet geen vuur over Samaria komen, maar moest er doortrekken, omdat ook daar de kruimkens der genade nedervallen moesten. Welke is de rechte weg? Wie doet beter? die in godsdienstijver woedt en verteert, of de Heere, die in liefde trekt en zegent?
van Lingen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 augustus 1895

De Wekker | 4 Pagina's

Het Evangelie van Johannes (XXXI)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 augustus 1895

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken