Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het Evangelie van Johannes (XLIV)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het Evangelie van Johannes (XLIV)

8 minuten leestijd

Cap. 5 : 31—37.

 Onze Heere heeft het niet beneden zich geacht om als mensch zich te plaatsen op hot standpunt van den regel door ’s menschen zondigen aard noodzakelijk geworden. Hoe toch kan onder zondige schepselen vertrouwen worden gesteld op hetgeen de mensch omtrent zichzelven getuigt? Wat de Heere daaromtrent hier zegt spraken de Farizeën later zelve uit (3 : 13): „Gij getuigt van uzelven, uwe getuigenis is niet waarachtig.” Ook hier had de Heere kunnen verklaren „hoewel Ik van Mij zelven getuig, zoo is nochtans Mijne getuigenis waarachtig” Hij toch, die van boven gekomen was om weder naar boven te gaan, deelde niet in dat menschelijk onvertrouwbare, dat eigen verklaring waardeloos maakt. Hij daalt echter af tot den regel van het menschelijk recht en beroept zich op anderer getuigenis. Ziet: ook in de kleinste trekken komt des Heeren grootheid uit in het diepe zelfvernederen.
Christus beroept zich op hetgeen „een ander” van Hem getuigde. Wie die andere is behoeft wel niet gezegd. Zoo is Hij dan, die Gode even gelijk was en een in wezen met den Vader, toch „een ander”. Hij is niet slechts een nieuwe openbaringsvorm, maar persoon, onderscheiden van den Vader, zelfdenkend, zelfwillend, zelf-handelend, en toch niet een tweede noch een mindere Godheid. Daarom zegt Christus ook later (8 : 18): „Ik ben het, die van Mijzelven getuig en de Vader, die Mij gezonden heeft getuigt van Mij” en (vs. 54 v.) „Mijn vader is het, die Mij eert” en „Ik ken Hem”. Door die woorden onderwezen schreef het ons dan ook dezelfde Evangelist (1 Joh. 5 : 7 v.v.) „Drie zijn er, die getuigen in den hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest en deze drie zijn één”! „Dit is de getuigenis van God, welke Hij van zijnen zoon getuigd heeft”. „En dit is de getuigenis, namelijk, dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft, en dit leven is in zijnen zoon”. Do goddelijke, onbegrijpelijke eenheid maakte ontwijfelbaar dat wat de Vader sprak door den zoon, wat de Zoon openbaarde door den Vader bevestigd werd, dat Christus zeggen kon: „Ik weet, dat do getuigenis welke Hij van Mij getuigt waarachtig is,” terwijl de Heilige Geest in het hart der geloovigen het bevestigt, want (1 Joh. 5 : 16) „die in den zoon van God gelooft heeft de getuigenis in zichzelven”.
Door den mond der profeten, door de teekenen in Israëls eeredienst, door hoogere ingeving in verstand en hart der godzaligen werd in vorige dagen door den Vader van den zoon getuigd. Ten laatste trad de boetgezant op, die als de grootste der profeten van het oude verbond riep: „het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen” „ziet het Lam Gods”. Tot hem waren priesters en Levieten als afgezanten der Farizeeën gekomen (1 : 19 v.v.) om te vragen „wie zijt gij?” en hij beleed en loochende het niet, en beleed: „Ik ben de Christus niet.” Hij getuigde naar waarheid. Toch behoefde de Heere dien prediker niet om zichzelven te wettigen. Niet om zichzelven beriep Hij zich op diens woorden, maar ter overtuiging van hen, die zelve tot den Dooper gezonden hadden. Hoe de Heere ook hun hart doorzag, wetende wat in den mensch was, toch verklaart Hij: „maar dit zeg Ik, opdat gijlieden zoudt behouden worden.” Zoo wijst ons ’s Heeren voorbeeld aan, dat bij den sterk-sten tegenstander, bij de diepste verguizing, bij de snoodste verwerping de moed niet mag worden verloren, maar elke poging tot behoud moet worden aangewend. Wij mogen niet zwijgen van het koninkrijk der hemelen. Maar ziet ook het doel van des Heeren spreken, en het zij niet bij u om gelijk te hebben, om als de meerdere uit het strijdperk te gaan, of ongelijk denkenden ten steun aan uwe zijde te verkrijgen, maar opdat menschen zouden behouden worden. Het hoogste doel zij niet de kerk maar het zieleheil onzer medezondaren, opdat bet niet zij gelijk de Heere tot de schriftgeleerden en farizeën zeide: (Mat, 23 : 13) „gij omreist zee en land, om een Jodengenoot te maken.”
Welk eene schoone getuigenis geeft ook hier de Heere van Zijnen heraut: „hij was een brandende en lichtende kaars.” Een kaars geeft wel op zich zelve geen licht, maar de Heilige Geest bediende zich van dit instrument om licht te geven. In Israëls heiligdom stelde de kandelaar met zeven armen het verbondsvolk voor als licht verspreidende te midden van de duisternis, Israel als het. licht der wereld. Die roeping ia ia vervulling gekomen bij het Nieuw Testamentische Israel, voor zoover het in den Heere leeft naar de roeping (Fil. 2 : 13) „onberispelijk en oprecht, kinderen Gods zijnde, onstraffelijk in het midden van een krom en verdraaid geslacht, onder hetwelk gij schijnt”. Zoo spreekt Paulus de Filippensen aan „als lichten in de wereld”. En al is nu de minste in ’t koninkrijk der hemelen meerder dan hij, zoo ziet elk kind des Heeren op den Dooper en luistert naar zijn bezielend woord en noemt hem een hoogbegenadigden door den Heere, een uitverkoren werktuig Gods, want hij beeft getuigd van den Christus en wat zou machtiger invloed kunnen uitoefenen op bet hart; wat zou schooner roeping, gezegender werk zijn dan dit? Dat werk is ook ons gegeven, zoo vel en wij tot den Heere zijn gebracht. Wee onzer, zoo wij ons zelven prediken, maar zielevreugd zal ons deel zijn, zoo wij niets willen weten dan Christus en dien gekruist.
Johannes was eene kaars. Christus het licht, maar toch gaf de Dooper in die donkere tijden, als bet Woord Gods zoo schaats was een begeerlijk schijnsel. Hij was de fakkeldrager, die den bruigom voorging. Voor een korten tijd vonden zij er genot in om dien man in kemelsharen kleed, dien vreemden boetprediker te bezoeken. Zijn woord was zoo ingrijpend, zoo buitengewoon. Doch spoedig had het zijn nieuwheid verloren. Waartoe voor de tweede of misschien derde maal hem bezocht, die toch niets had, dat den ouden mensch vleide? ’t Was maar voor een korten tijd, gelijk het nog zoo velen gaat, voor wie spoedig de prediker zijn nieuwheid heeft verloren en die ras genoeg van hem hebben. Zij waren dan ook niet komen zien en luisteren omdat hun zieletoestand hen bezwaarde, omdat ze zielevoedsel zochten, maar om zich te vermaken. Zoete maar valsche Messiasdroomen, ijdele verwachtingen moesten worden opgewekt; het was niet meer dan een spel, waarom de Heere vraagt (Luk. 7: 24 v.v.): „Wat zijt gij uitgegaan in de woestijn te aanschouwen”. „Gij hebt u,” zegt daarom hier de Heere : „voor een korten tijd (Gr. „voor een uur”) in Zijn licht willen verheugen.” Zoo worde het een ieder duidelijk, dat niet het naloopen nu van dezen dan van genen prediker iets beteekent in ’s Heeren oog, maar het is de vraag of onze ziele den Heere zoekt, om in Hem blijvende rust te vinden.
Toch had de Heere eene meerdere getuigenis, want, zeide Hij, „de werken, die Mij de Vader gegeven heeft om die te volbrengen, dezelve werken, die Ik doe, getuigen van Mij, dat Mij de Vader gezonden heeft.” Eene opsomming dier werken geeft ons Matth. 11:5. Toch zijn wel niet de wonderen alleen bedoeld, maar het geheele leven, al de arbeid des Heeren in heiligheid, in vertroosting, in één woord alles wat Hij deed, en dat de Heere als gehoorzaamheid toekent, Het was des Vaders welbehagen, des Vaders last en diezelfde zender had zelf van Hem getuigd. Hij bad door Zijnen geest de profeten laten verkondigen van het heil des Heeren. De Schriften Gods teekenden Hem als Messias. In de harten der uitverkorenen sprak de Heere van Zijnen Gezalfde. In het bevestigen der werken van Christus, als die sprak: „neem uw beddeke op en wandel” of den dooden het „sta op” deed hooren, getuigde de Vader, ja Hij had van den hemel geroepen: „Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in welken Ik Mijn behagen heb.”
Zoo zijn wij dan geene kunstig verdichte fabelen nagevolgd, maar dat wat zekerder is dan het bestaan der wereld, dan ons eigen aanzijn. Hij is krachtig bewezen Gods Zoon, de weg, de waarheid en het leven te zijn. Ook in onze harten, zoo zegt al wat God vreest, spreekt de Heilige Geest de Petrus’ getuigenis: „Gij zijt de Christus, do Zoon des levenden Gods”. Ook onze eigene zielservaring zegt het ons van Gods wege, dat er geen ander Heiland is dan deze, in wien alle schatten van wijsheid en zaligheid omsloten zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 december 1895

De Wekker | 4 Pagina's

Het Evangelie van Johannes (XLIV)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 december 1895

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken