Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Gestorven zijn en leven

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Gestorven zijn en leven

11 minuten leestijd

„Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zoo gelooven wij, dat wij ook met Hem. zullen leven.” Rom. 6: 8

Langzamerhand begint in het plantenrijk de natuur als uit haar winterslaap te ontwaken. Het lieve lentegroen begint zich te ontwikkelen, en straks, als alles in Gods schepping in bloem en bladerdosch staat te prijken, verkondigen niet alleen de hemelen Gods eer en het uitspansel zijner handen werkt, maar ook uit Gods schepping hier beneden komt eene stem tot ons, die ons predikt: het leven uit den dood.
Dezelfde gedachte werd nog maar zoo kort geleden op het Paaschfeest ons herinnerd, toen we gedachtenis vierden van de opstanding van den Heere Jezus Christus uit den dood.
Sprekende over de gemeenschap der geloovigen met Christus, wijst de heilige apostel Paulus in bovenstaande woorden op de vrucht dier geloofsgemeenschap met Christus. Die gestorven is met Christus, zal ook leven met Hem. Aan de sluitrede, hier door den apostel gemaakt, gaat veel vooraf. Wie en wat de mensen in zijn natuurstaat is, en wat de mensch alleen uit en door genade wordt, is duidelijk uiteengezet. Hoe en op wat wijze voorts moet blijken, of men waarlijk deel heeft aan die genade, wordt in het verdere beloop van dezen brief ontwikkeld.
Christus is het Hoofd, Zijne geloovigen zijn de leden Zijns lichaams.
Tusschen het Hoofd en de leden bestaat eene zeer nauwe en innige betrekking. Zonder vereeniging met het Hoofd kan er van leven geen sprake zijn. Die vereeniging met het Hoofd blijkt allereerst in het gestorven zijn met Christus. Dit moet, zal het wel zijn, de grond zijn voor het geloof, dat men ook met Christus zal leven.
Het woordje „indien” drukt eene voorwaarde uit. En die voorwaarde wordt tevens het kenmerk, de toetssteen, waaraan men weten kan, en waaruit blijken zal, of er waarlijk grond is om te gelooven, dat ge met Christus zult leven.
De levende hoop is grootelijks onderscheiden van alle valsche hoop. En evenzoo is het oprecht of zaligmakend geloof zeer onderscheiden van wat men tijdgeloof en historisch geloof noemt.
Te gelooven, dat gij met Christus zult leven, gelijk hier in beginsel, maar hiernamaals in volle heerlijkheid, is het grootste ideaal, dat ooit door eenig mensch op aarde kan bereikt worden.
Zijt gij daarvan maar volkomen zeker, laat dan gebeuren wat wil, dan is uwe toekomst gewaarborgd. Dan kunt ge in dit leven te strijden, te lijden en te worstelen hebben, maar dan zal het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet te waardeeren zijn met de heerlijkheid, welke aan U zal geopenbaard worden.
Moogt ge maar ia dat geloof leven, dat uw sterfdag uw kroondag zal zijn, en dat, bij de verbreking van den aardschen tabernakel uw lichaams, de woonstede in de hemelen u wacht, dan kunt ge als een Paulus, en dan kunt ge al Gods heiligen nazeggen:
„Te sterven en met Christus te zijn, is zeer verre het beste.”
Uw weg loope dan hier in dit tranendal door diepe dalen, en dan weer over hooge bergen, maar dan reist ge voort, veilig geleid aan eene onzichtbare, maar trouwe Vaderhand, naar het hemelsche Jeruzalem, naar de stad, die fundamenten heeft, wier kunstenaar en bouwheer God is.
Dan telt elke dag af van het woestijn-leven dezer aarde, dat aan beproevingen en teleurstellingen zoo rijk is. Dan moogt ge hier bij oogenblikken dorsten en hijgen naar God, gelijk een hert, dat dorst naar de waterstroomen ; — dan moogt ge hijgen als ecu daglooner naar de avondschaduwe, maar zeker en gewis wacht u dan, aan het einde uwer aardsche loopbaan, de rust en de vreugde, de zaligheid en de heerlijkheid, door Christus voor al de Zijnen bereid.
Dit zal echter niet het deel zij a van alle kinderen van Adam.
Die leeft en sterft in een toestand als in 1e eerste hoofdstukken van dezen brief is geteekend, die heeft niet anders te wachten dan het vreeselijk oordeel van den heiligen en rechtvaardigen God, die een iegelijk vergelden zal, naar dat zijn werk op aarde geweest is, hetzij goed, hetzij kwaad.
Zoo velen als er dan zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan, en zoovelen als er ouder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden.
Allen moeten wij geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus.
Daarom is het zoo hoog noodzakelijk, wél te weten en volkomen zeker te zijn, dat do hoop, die ge bezit of meent te bezitten, geen valsche hoop is, en dat uw geloof in eene toekomstige gelukzaligheid op goede en deugdelijke gronden rust.
Zoo menigeen ging met eene ingebeelden zaligheid voor eeuwig verloren. Honderden en duizenden hebben in hunne stervensure erkend: „indien ik geweten en verstaan had, wat mij nu duidelijk is, ik zou den duivel en de wereld den rug hebben toegekeerd, maar helaas! nu is het voor altijd, voor eeuwig te laat!”
„Indien wij nu met Christus gestorven zijn” — dat is de vaste, de onbedriegelijke grondslag, waarop de apostel besluit met te zeggen: „Zoo gelooven wij, dat wij ook met Hem zullen leven.”
Gestorven zijn, is wat anders dan te zullen sterven. Het eerste wijst op iets in het verledene; het andere op iets in de toekomst.
Dat gestorven zijn met Christus, duidt aan, door toerekening van zijn zoendood met Christus gestorven te zijn, en als vruchtgevolg daarvan wedergeboren, en nu een tweevoudig leven deelachtig geworden te zijn: een leven uit Adam, wat in de Heilige Schrift genoemd wordt de oude mensch, en een leven uit Christus, die de tweede Adam genoemd wordt, en welk leven is het leven van den nieuwen mensch. Tweeërlei leven alzoo in één en denzelfden mensch, maar altijd zoo, dat het ééne een natuurlijk, bet andere een geestelijk leven is.
Het natuurlijk leven is allen menschen gemeen, omdat allen uit Adam, den eersten mensch, zijn voortgekomen, en deze Adam het Verbondshoofd was van zijn gansche geslacht.
Het geestelijk leven daarentegen openbaart zich alleen en uitsluitend in de wedergeborenen, die in Christus herschapen en vernieuwd zijn. En nu mag het, op den klank der woorden afgaande, vreemd schijnen, dat de apostel hier spreekt van menschen, die gestorven zijn en toch leven, en die levende getuigen, dat zij gelooven met Christus te zullen leven, doch het verband, waarin deze woonden voorkomen, heldert de zaak zelf duidelijk op.
Van vs. 4—7 wordt dit aangewezen, bijzonder met de beeldspraak van eene plant. ledere plant heeft een levensgrond, levenskracht, levensopenbaring, levenskenteekenen.
Zoo ook een geloovige, Christus is de levensgrond, Hij de wijnstok, de geloovigen de ranken.
Met Christus zijn de geloovigen ééne plant geworden. Zij waren dit niet van nature. Dan waren zij wel ééne plant met Adam, niet met Christus. De eenheid met Christus is eene gewordene.
In hoofdstuk 11 van dezen brief wordt dit verklaard door inenting, maar eene inenting „tegen nature”. Bij de natuurlijke enting wordt een goed ent op een wilden stam gezet. Het enten tegen nature is juist omgekeerd: een ent van een niet-vruchtdragenden boom wordt vereenigt met den goeden stam, n.l. Christus. Het enten in de natuur is eene kunstbewerking, welke door menschen geschiedt, het enten, door Paulus bedoeld, om do eenheid met Christus te verklaren, is het genadewerk Gods, dat op de wondervolste wijze door den Heiligen Geest wordt gewrocht, en in deszelfs heerlijke vrucht op de heerlijkste wijze als een werk Gods openbaar wordt.
In de natuur is het zoo, dat een boom. die geënt is, wel blijft leven, maar altijd zoo, dat, bij toenemenden groei van het ent, de wilde stam, waarop geënt is, steeds meer en meer een doode boom schijnt te worden, geen blad en geene vrucht groeit er meer aan, al de kracht gaat over van den stam in bet ent.
Zoo ook is het in betrekking tot den geloovige. Uit kracht van en ten gevolge van het ingeënt zijn in Christus, is zijn leven gelijk, in zeker opzicht althans, aan dat leven uit den ouden stam.
Adam sterft, en Christus leeft. De oude mensch is met Christus gekruist. „Ik leef,” getuigt Paulus op eene andere plaats, „doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij.”
Nu zijn er geen twee Christussen, maar één. En die ééne Christus is de Christus der Schrift. Deze getuigt van Zichzelven : „Ik ben dood geweest en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid”.
Gemeenschap met den levenden Christus sluit alzoo in, gemeenschap te hebben aan Hem, die dood geweest is, en daarbij, om bovengenoemde reden, ook gemeenschap met zijnen dood.
Dit laatste noemt de apostel: gestorven zijn met Christus.
De tegenstelling tusschen dood en leven dient hier wel onder de aandacht gehouden te worden. Te willen leven, of voor te geven, dat men leeft, zonder kennis te hebben van den doodsstaat van den mensch, is onmogelijk. Niemand kan volgens de Heilige Schrift gegronde hoop hebben voor de toekomst, indien hij of zij niet met Christus gestorven is.
Met andere woorden: dood en levend zijn, moet uit kenteekenen worden waargenomen.
Als eenig en afdoend kenteeken van geestelijk leven, uoemt de apostel hier: „ het gestorven zijn”.
Van de zoodanigen lezen we in Efeze 2 : „Maar God, die rijk is in barmhartigheid, door zijne groote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus”.
Een mensch, in zijn geestelijken doodsstaat aangemerkt, kan onmogelijk vruchten voortbrengen, welke alleen aan het ware geloof eigen zijn. Het willen oprichten van een werkverbond, het leven buiten de gemeenschap Gods, het zoeken naar heil en vrede buiten Christus, het afkeerig zijn in zijn hart van God en goddelijke dingen, het zoeken van grond van hoop in zichzelven en in het schepsel, — dat alles is bewijs, dat men vreemd is aan het gestorven zijn met Christus.
Wie met Christus gekruist en gestorven is, is in beginsel gestorven aan de zonde, gestorven aan de wereld en hare begeerlijkheden, gestorven aan eigen gerechtigheid.
Men vindt nu zijn heil en zijn leven in datgene, wat voor een ander de dood is.
Christus is het leven. En omdat men gemeenschap heeft aan Christus, die wel gestorven, maar ook opgestaan is, en nu eeuwig leeft, is dit voor Gods kind de grond, waarop men hoopt en gelooft, eeuwig met Christus te zullen leven.
Aan die geloofsgemeenschap met Christus wordt door geheel de H. Schrift het leven, het eeuwige leven verbonden.
Die den Zoon heeft, die heeft het leven.
Daarom lezen we in ditzelfde Rom. 6, dat Paulus schrijft:
„Alzoo ook gijlieden, houdt het daarvoor, dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gade levende zijt in Christus Jezus, onzen Heere”‘.
Als dan diezelfde apostel voor zich en alle geloovigen getuigt, met het oog op de toekomstige gelukzaligheid: „Zoo gelooven wij” — dan zegt dit niets minder dan dit.: wij zijn er volkomen zeker van.
Zoo kan en zoo mag de geloovige dan ook spreken.
Daardoor wordt de genade Gods dankbaar erkend, en daardoor wordt de Hoera verheerlijkt, voor het werk zijner genade, aan U geschied.
Gesterkt in dat geloof en in die levende hoop, zijt ge machtig in den strijd tegen den duivel, de wereld en uw vleesch en bloed. Eens te zullen leven met Christus in heerlijkheid, verlost van het lichaam der zonde, verlost van al de smarten en jammeren dezer aarde, verlost van alle vijanden, zal God Drieéenig lof en aanbidding van alle gezaligden ontvangen tot in alle eeuwigheid!
Dan te leven met Christus, zal heerlijker zijn dan het leven van Adam in het Paradijs.
Hier kent ge slechts ten deele, maar dan zult gij kennen, gelijk ook gij van God gekend zijt.
Te zullen leven met Christus, sluit dan ook in genieting van die zaligheid, welke de Heere bereid heeft voor allen, die de verschijning van Christus hebben liefgehad.
Onschatbaar is de genade, Gods kinderen, in onderscheiding van zoo velen, hierin geopenbaard, geschonken en toegepast door den Heiligen Geest.
Maar ook heerlijk, ernstig en gewichtig is de roeping van ‘s Heeren wege, om nu, als gestorvenen en opgewekten met Christus, te zoeken en te bedenken de dingen, die boven zijn.
Dit door Gods genade te betrachten, is en blijft het onbedriegelijk kenteeken van genade.
Waar dit uw lust en uw leven werd, hoe gebrekkig dan ook overigens in alles, daar geldt het woord des Heeren ook voor U:
„Vleesch en bloed heeft U dit niet geopenbaard,, maar Mijn Vader, die in de hemelen is”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 april 1896

De Wekker | 4 Pagina's

Gestorven zijn en leven

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 april 1896

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken