Bekijk het origineel

Een rijsje uit den atgehouwen tronk van Isaï

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een rijsje uit den atgehouwen tronk van Isaï

12 minuten leestijd

» Want er zal een rijn je voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï, en een scheut uit zijne wortelen zal vrucht voortbrengen” Jesaja 11 : 1

Gods wegen en gedachten zijn hooger dan de onze.
Uit het kleine en geringe, wat voor den mensch in den regel zoo weinig aantrekkelijkheid heeft, weet God de Heere de grootste en heerlijkste dingen voort té brengen. Niet alleen kan God dit doen, maar veelal zien we, bij het raadplegen der gewijde historie, dat het menigmaal Gods wil en welbehagen is, juist zoo en niet anders zich te openbaren. Tegenover het groot en boschrijk woud van den Libanon, dat zal vallen, ziet Jesaja de profeet een rijsje voortkomen uit een afgehouwen tronk, een scheut uit de wortelen van dien tronk, waaruit alle leven geweken scheen, en. die scheut wordt een vruchtdragende boom.
Onder deze beeldspraak kondigt deze Ziener des Ouden Verbonds de wonderbare komst aan van Vorst Messias, op wien Israël, als het volk der belofte, al de eeuwen door bleef hopen.
Wel waren de nationale vooruitzichten voor dat volk menigmaal donker, e.n wei moesten wegens den afval en de zonde des volks bange tijden worden doorleefd, maar toch bleef er steeds een overblijfsel naar de verkiezing der genade, een overblijfsel, dat vertrouwend bleef wachten op de vervulling der belofte, door Jehovah aan zijn volk gedaan.
Wordt elders nog de naam van David gevonden om de koninklijke afkomst van den Messias aan te duiden, hier lezen we. ons van alle heerlijkheid ontdaan, den naam van Isaï, om de geringheid van zijn opkomen des te beter te kunnen verstaan.
Trouwens de beeldspraak zelf wijst ons dit zoo duidelijk mogelijk aan. Waar toch is minder verwachting van dan van een tronk, die is afgehouwen, en waar de plaats nauwelijks meer van te vinden is? En wie weet niet, tot welk een lagen staat, voor het uitwendige, het koninklijk geslacht van David was vervallen, toen éénmaal de volheid des tijds aanbrak?
Aan niemand zou men minder vermoed hebben dan juist aan de bekende Jozef en Maria, dat beide afstamden uit een koninklijk geslacht. Prinsen en prinsessen logeeren in den regel in geen beestenstal. Voor hen is er o, zoo licht plaats in een betere herberg.
Doch als de Christus zal geboren worden onder de nederigste omstandigheden, zoo volstrekt van allen aardschen glans en luister ontbloot, dan zal ‘t goddelijk licht der aloude heilsprofetie in hemelschen glans gloren aan de kribbe van dat wonderkindeken te Bethlehem, en ‘t geloof zal amen zeggen op de vervulling naar het Woord des Heeren.
Wat klein en gering in beginsel schijnt te zijn, dat zal groot zijn voor den Heerr. Wat niet alleen tot onvruchtbaarheid, maar tot den dood scheen opgeschreven, dat zal levenskracht voortbrengen. Wat, in één woord gezegd, zonder verwachting scheen te zijn, daar zal een naam van uitgaan over de geheele aarde.
De vraag, of dit niet anders kan, en of deze wijze van openbaring niet in strijd is met de hooge af komst van don hier bedoelden Persoon, is alreede beantwoord in den eersten regel van deze meditatie. Voor het natuurlijk verstand, dat de dingen, die des Geestes Gods zijn, niet verstaat, is de H. Schrift een boek vol met allerlei klippen, waarde godsdienst der rede zich aan stoot en ergert.
At staat dan de Christus der schriften midden onder de menschen, en al bewijst hij door zijne leer en wonderteekenen onwederlegbaar, dat Dij waarlijk de Christus is, dan nog vraagt de trots van den farizeër: »is deze niet de zoon des timmermans ?” Alleen door het geloof kunt ge doordringen tot de heilige mysteriën, tot die diepe verborgenheden Gods, waarvan nok een Jesaja getuigenis geeft in de aankondiging van het rijsje, dat is van dat teedere takje of spruitje, dat uit den afgehouwen tronk van Isaï zal voortkomen.
Diepe vernedering en luistervolle heerlijkheid zien we in dit profetisch woord allernauwst aan elkander verbonden, — vernedering bij de gedachte aan den geheel eenigen Persoon, wiens komst onder deze beeldspraak wordt geteekend.
Aangemerkt in ‘t licht van al de profetiën, omtrent Hem voorhanden, dan weten we, dat met dat rijsje niemand anders wordt bedoeld dan Christus de Heere, die de eenige Zoon des eenigen Vaders is. Gelet op de vrucht, die deze scheut, uit dorre wortelen gesproten, zal voortbrengen, dan lezen we onder meer in hoofdstuk 4 : 2 van ditzelfde profetieën boek:
»Te dien dage zal des Heeren spruit zijn tot sieraad en tot heerlijkheid, en de vrucht der aarde tot voortreffelijkheid en tot versiering dengenen, die het ontkomen zullen in Israël.”
Die vrucht zal in heerlijkheid alle beschrijving overtreffen.
Die vrucht zal van genezenden en verkwikkenden aard zijn.
Daarom is de voorspelling zoo heilvol, en voor allen, die het door Gods genade verstaan, de inhoud dier voorspelling van zulk een onschatbare waarde. Het is een lichtstraal in een donkere diepte.
Het zijn de tonen van de heerlijkste muziek, aangeheven in het oord van tranen en smarten. Het is de verzekering van ‘s Heeren wege, dat er hulpe besteld is bij een Held, dat voor de gebrokenen van harte en bitterlijk bedroefden van geest verlossing zal dagen.
Al moeten dan ook nog vreeselijke oordeelen daaraan voorafgaan, al moet Israëls grootheid en luister, naar het uiterlijke, verdwijnen, al moet, naar het schijnt, de laatste hoop op herleving ontzinken, toch zal de belofte des Heeren vervuld worden op haren tijd.
Geen wonder dan ook, dat Gods overblijfsel naar die vervulling met smachtend verlangen bleef uitzien. Geen wonder, dat we zelfs ten tijde der vervulling in gelootsworsteling nog hooren: »wij hoopten, dat Hij ‘t was, die Israël verlossen zoude.”
Was de stam Adam een dorre boom geworden, uit welke in eeuwigheid geen vrucht meer is te verwachten, het rijsje, dat de proleet op ‘t oog heeft, zal worden tot een vruchtdragenden boom.
Groeide deze vrucht in ‘t gesloten paradijs, dat voor geen sterveling meer is te bereiken, dan was ‘t ijdelheid, zich met die vrucht als met een genietbare en verkrijgbare weldaad te verblijden.
Nu niet in, maar buiten dat paradijs deze boom des levens zal voortkomen, groenen en vrucht dragen, en dat alles tot heerlijkheid Gods en tot zaligheid van arme zondaren, die niet anders dan den dood en het eeuwige verderf hebben verdiend, nu betaamt het ons Gode te danken voor deze onuitsprekelijk heerlijke gave. Als ge overal op deze aarde distelen en doornen ontmoet, als al het aardsche en het vergankelijke ongenoegzaam blijkt tot verkwikking van uw arme hart, en ge moogt de hand des geloofs naar deze gezegende vrucht uitstrekken, dan zal vrede en vreugde uw deel zijn, dan zult ge de genezende en verkwikkende kracht van deze alleruitnemendste vrucht genieten en u kunnen verheugen in den God van uw heil.
Wat Jesaja aankondigt als iets, dat gebeuren zal, daaromtrent leert ons, die in betere tijden leven, de geschiedenis, hoe en op wat wijze des Heeren woord en belofte is vervuld geworden.
En als we weldra gedachtenis hopen te vieren van deze dingen, dan sta het ons helder en levendig voor den geest, hoe reeds ia de oudheid, eeuwen te voren, door den Heiligen Geest, die in da profeten sprak, aan ‘t volk der belofte is aangekondigd, dat Hij, op Wien de Geest des Heeren zou rusten, zou voortkomen als een rijsje uit Isaï’s tronk.
Zoo leerrijk toch is in zoo menig opzicht ook deze profetie.
Het Koninkrijk der hemelen komt niet met uiterlijk gelaat, al is het ook, dat van uiterlijk gewaad door duizenden zooveel wordt verwacht. Was men op de rechte wijze werkzaam geweest met hetgeen de Heere in Zijn Woord had geopenbaard, dan hadden de schriftgeleerden van weleer niet zoo smadelijk gevraagd: »Kan uit Nazareth iets goeds zijn?« Men kende in die dagen het door Jesaja aangekondigde Rijsje niet, men kende den Spruit uit David niet, hoe duidelijk deze ook in alle bijzonderheden was geteekend.
Hetzelfde verschijnsel heeft zich voortdurend tot op den huidigen dag op aarde geopenbaard.
Wat het Hoofd is wedervaren, dat wedervaart ook den leden.
Christus’ gemeente is als een lelie onder de doornen.
Naar haar uiterlijke gestalte geoordeeld, zwart als de tenten van Kedar, zoo fel door de zon beschenen.
De Bruid van Christus is evenals haar hemelsche Bruidegom, in Diens vernedering aangemerkt, zonder gedaante en zonder heerlijkheid. »Niet vele wijzen, niet vele rijken, niet vele edelen,» zegt het Apostolische woord.
Wat was de Christelijke Kerk in haar opkomen slechts gelijk aan een hutje in den wijngaard, en aan een nachthutje in den komkommerhof.
Niet slechts bij den aanvang, toen een twaalftal mannen van geringe af komst uitgingen om de wereld op te eischen voor hun Koning, maar ook zoo menigmaal als het den Heere behaagde, na diep verval, en na ontzettende vernedering, zijn geestelijken tempel wederom te bouwen, ten einde ook deze als een scheut uit een afgehouwen tronk vrucht te doen voortbrengen.
Wat groot is in de oogen van menschen, is klein voor God.
En wat nietig en gering is naar het oordeel van stervelingen, daaruit doet God als de Almachtige groote dingen voortkomen.
Wat was de eerste openbaring van dat Rijsje uit den afgehouden tronk van Isaï nederig en klein.
Hoe zeldzaam klein was het getal dergenen, die in dat Kindeken in Bethelems kribbe de heerlijkheid Gods hebben aanschouwd.
Maar wie nog heden ten dage in den geest big die kribbe toeft, en zich daarbij laat voorlichten door ‘t woord der profetie, die vindt stof te over, om met dezen zelfden profeet op de vraag: Wie is dat kindeken? uit te roepen: »Men noemt Zijnen Naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst!«
Het aardschgezinde Israël, met zijne over-priesters en schriftgeleerden, verwachtte den Messias onder geheel andere omstandigheden, dan waaronder Gods heilige profeten Hem hadden aangekondigd. Vandaar, dat het door Jesaja aangekondigde, in de volheid des tijds geopenbaarde Rijsje voor die menschen geen aantrekkingskracht bezat. Toch werd in dezen de Schrift vervuld.
Erkend of miskend, Gods beloften worden vervuld.
Weldra staat het bij vernieuwing van oord tot oord ie worden gepredikt: „Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven.” Het Evangelie, dat als blijde boodschap van uit Bethlehem zal worden gehoord, is de vervulling van het woord der profetie.
Toen de profeet met die heilvolle boodschap onder zijne tijdgenooten optrad, was het een booze tijd.
Vreeseljjke oordeelen en tuchtigingen des Heeren stonden het volk om zijne zonde te wachten.
In zulke tijden hebben echter de getrouwen en oprechten des te meer behoefte aan de vertroostingen Gods.
En wat er dan ook gebeure, met en door die vertroostingen ondersteund en verkwikt, is volharding in gehoorzaamheid mogelijk, zelfs onder den geweldigsten tegenstand.
En thans, na zoovele eeuwen, zien we de ongerechtigheid vermenigvuldigd, den afval steeds toenemen, de aarde nog steeds meer vervuld worden met twist en wrevel.
Daarenboven zien we voortdurend het ééne geslacht gaan en ‘t andere geslacht komen.
De gevolgen der zonde maken het leven drukkend en benauwd. Trouwens, wat is dit leven anders dan een gestadige dood!
We leven onder een ladend, weenend, zuchtend en worstelend geslacht, en we proeven allen op onze beurt de bitterhe’d der zonde. Het graf wenkt ons, de eeuwigheid wacht ons, slechts, op zijn langst genomen, een spanne tijds, en de dood klimt onze vensters binnen. Aan at deze dingen is geen ontkomen, de vraag is dan ook maar, of er geen troost, geen uitzicht, geen redding is voor den armen mensch, voor den balling buiten het paradijs.
Hierop moet alle menschelijke wijsheid bet antwoord schuldig blijven.
Alle antwoorden, door mensehen hierop gegeven, zijn nutteloos en ijdel bevonden. Maar Gode zij dank voor Zijne grondelooze erbarming! »Er zal een Rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï.« Uit dat Rijsje zal een Boom voortkomen, die schaduwe biedt, een Boom, wiens bladeren zijn tot genezing der heidenen, een Boom, die vrucht zal voortbrengen, heerlijker dan het paradijs groeide.
Redes hebben we een wolke der getuigen om ons heen, waardoor de waarheid is bevestigd, gelijk zij nog alle dagen bevestigd wordt.
Was Gods aardbodem thans een paradijs geworden, dan hadden we aan dat licht der vertroosting geen behoefte. Zoolang echter deze bedeeling duurt, blijft de Apostolische opwekking van kracht: »Wij hebben het profetisch woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat ge daarop acht hebt, als op een licht, dat schijnt in eene duistere plaats.«
Op dat Licht, nu tot volle klaarheid gekomen, zal de Kerstgeschiedenis ons wijzen.
Werke de Geest des Heeren behoefte in veler hart, dan zal de spijze, in het Brood des Levens ons voorgediend, smaken als een goede tijding uit een ver land.
Hij, Wiens komst eens als het opschieten van een rijsje werd beloofd, is gekomen. Hef doel, waartoe Gods Zoon op aarde kwam, is door Hem zelf omschreven met de woorden : »ik ben gekomen om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.« De herinnering aan de vervulling dezer Godsbelofte is het Evangelie der hope en der vertroosting, dat ons nog steeds jubelen doet:

»Nooddruftigen zal Hij verschoonen,
»Aan armen uit genâ
»Zijn hulpe ter verlossing toonen,
»Hij slaat hun zielen ga.
»Als hen geweld en list bestrijden,
»Al gaat het nog zoo hoog,
»Hun bloed, hun tranen en hun lijden,
»Zijn dierbaar in Zijn oog.«

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 december 1896

De Wekker | 4 Pagina's

Een rijsje uit den atgehouwen tronk van Isaï

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 december 1896

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken