Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het Evangelie van Johannes (95)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het Evangelie van Johannes (95)

6 minuten leestijd

Cap. 14 : 4—7. Herhaalde malen had de Heere Zijnen discipelen verklaard dat Hij tot den Vader heenging. .Nog pas had Hij gezegd, dat in het huis des Vaders vele woningen waren en Hij heenging om hun plaats te bereiden. Het antwoord op de vraag van Petrus (13 : 36) was niet onduidelijk beantwoord, zoodat alleen eigen onvatbaarheld hen in t onzekere kon laten. Ook was herhaaldelijk en vooral aan het heilig avondmaal openlijk gezegd, dat de weg tot Zijne verheerlijking in het Vaderhuis een Weg Zou zijn van lijden en sterven. Daarom mocht hij tot hen zeggen: »waar Ik heenga weet gij, en den weg weet gij”. Toch waren alle die woorden van Christus nog met een duister waas voor Zijne jongeren omhuld, die zoo moeielijk tot het geloof konden worden gebracht van hetgeen zij steeds onmogelijk hadden geacht. Thomas in ’t bijzonder kan er zich met in vinden, al had hij ook reeds vroeger gezegd: laat ons met Hem gaan, opdat wij met Hem sterven”, Hij wenscht nadere verklaring van hetgeen hem nog voor de oogen schemert en zegt: »Heere wij weten met waar Gij heengaat en hoe kunnen wij den weg weten” Had dan Christus geene waarheid gesproken als Hij zeide, dat zij het wisten ? Wij twijfelen er niet aan, maar in droevige uren kan het heldere zien zeer verduisterd worden en wat wij weten zoo onvast worden, dat wij te midden dier slingeringen vragen om meer licht. De zon kan achter de wolken zijn en haar doorbreken worden verlangd. Te meer mocht dit Thomas wenschen, dat hij eigen lot met dat van zijnen Heere als ineen geweven wist en hij Hem volgen wilde al was Het in den dood. Dien weg naar het huis des Vaders wijst Hij nu Zijnen jongeren aan. Niet het verrichten, eenig bewogen zijn, niet eene daad van opoffering, met het belijden van een leerstuk of eenige ervaring, hoe noodig ook als gevolg, kan de grond en oorzaak zijn van ’s menschen zaligheid, maar de persoon van Christus alleen. Christus in Zijn wezen, Zijn werk, Zijn lijden, Christus met alle Zijne eigenschappen en werken en openbaringen is de eenige weg ten hemel. Buiten Hem is geen hemelladder, maar waar Hij is zien de Nathanaëls de engelen Gods opklimmen en nederdalen. In de gemeenschap met Christus is het leven, dat op aarde vreemdelingen doet zijn maar reizigers naar het betere land. Hij is de weg maar ook de waarheid. Ons verduisterd verstand begrijpt niets van het goddelijke, maar Hij is de persoonlijke waarheid, Hij alleen, zoodat wie in Hem leeft, zichzelven, de wereld, den weg der verlossing allee wat tot het Koninkrijk Gods behoort kennen mag. Niet een zeker leerstuk, een diep inzicht in eenige belijdenis is voldoende, de persoon des Heeren is het. Alzoo is het met genoeg gereformeerd te zijn, ’t is alleen genoeg in waarheid een Christen te zijn. Deze heeft de zalving des Heiligen Geestes, die hem alle dingen leert. Omdat Hij de weg en de waarheid is, is Hij ook het leven. Die buiten Hem is heelt slechts den schijn dat hij leeft, maar hij is werkelijk dood. Een hand of voet, hoe sierlijk nagemaakt, is dood, maar een vezeltje, spier of zenuw, hoe klein ook, met het levende Hoofd verbonden, doet zijne werking en leeft. Hiermede spreekt de Heere uit dat Hij is Jehovah, want (Jer. 10 : 10): »de Heere God is de waarheid, Hij is de levende God en een eeuwig koning”.
Met het eene woord: »niemand komt tot den Vader dan door Mij« werpt Christus, zooals een oud verklaarder zegt, alle godsdiensten van Heidenen, Turken en Joden buiten de Kerk. Zeide eens een vorst: »ieder wordt op zijn manier zalig« en is spreuk der wereld: «vele wegen door de Godheid gebaand, leiden tot zaligheid«, dan noemen wij die alle dwaalwegen. Tegenover al de leugen der menschen noemt de openbaring Hem »den Heilige en Waarachtige« (3 : 7) »den getrouwe en Waarachtige« (19 : 11), en elders (1 Joh. 5 : 20) heet Hij, »de waarachtige God en het eeuwige leven.«
Het komen tot den Vader is in dubbelen zin te verstaan. Niemand komt na zijn sterven in het huis des Vaders dan die in Christus is; voor niemand anders wordt er plaats bereid. Maar ook is dat komen in geestelijken zin te verstaan, als een komen in gemeenschap met God, een kennen van den Vader. Bij dit ontkennend woord voegt de Heere een bevestigend: »Indien gijlieden Mij gekend hadt, zoo zoudt gij ook Mijnen Vader gekend hebben ; en van nu kent gij Hem, en hebt Hem gezien.» Bij het: »indien gij Mij gekend hadt« zegt Luther zeer juist: »Christus kennen is hier met Hem van aangezicht kennen, Bern, zooals Paulus zegt, kennen naar het vleesch, maar weten waarvoor wij Hem houden, wat wij aan Hem hebben, en waartoe wij Hem noodig hebben. Daartoe komt geen hoovaardige, geen eigengerechtige, maar alleen de arme, bedroefde, troosteloze en ootmoedige harten en dat nog met moeite en strijd, zoodat zij zich daarvoor moeten beangstigen en martelen.» De discipelen waren nog niet tot die volkomene inwendige kennis des Heeren gekomen. Nog kenden zij Christus niet als het Lam Gods. Eerst na Zijne opstanding zoude bet licht over Golgotha opgaan en na den Pinksterdag over bet groote verlossingswerk. Toch waren zij met geheel onkundig omtrent Hem gebleven. Het »van na» wijst een begin aan, dat zich heerlijk zou ontwikkelen. Reeds leerden zij iets van den lijdensweg, hoe duister ook nog, kennen, en de tijd was aangebroken, de ure gekomen, waarin onder hevige schokken des gemoeds het duidelijk zou worden, dat de Christus alzoo moest lijden en alzoo zijne heerlijkheid ingaan. Met die kennis van Christus was het kennen des Vaders één. Die den Zoon niet heeft, heeft ook den Vader niet. Die den Heere Jezus in zijn verzoenend lijden miskent, heeft geene kennis van den Vader als van den Rechtvaardige en den Heilige, maar kan ook met anders dan een En’s zwakheid in de plaats van goddelijke barmhartigheid en genade erkennen. Hoe meer wij daarentegen onder de genadige leiding en leering des Heiligen Geestes mogen ingaan in de kennis des Heeren Jezus, des te beter zullen wij ook het wezen des Vaders bewonderen, want de Zoon is het afschijnsel Zijner heerlijkheid en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid (Deut. 1 : 3). Zoo mag dan ook een christen niet stil zitten, maar moet zijn zoeken zijn (Efeze 4 : 13) om te komen met alleen tot het geloot maar ook tot de kennis van den Zoon Gods.

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 februari 1897

De Wekker | 6 Pagina's

Het Evangelie van Johannes (95)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 februari 1897

De Wekker | 6 Pagina's

PDF Bekijken