Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De doopformule

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De doopformule

8 minuten leestijd

Br. S. heeft in No. 46 medegedeeld, dat de classis Alkmaar der Gereformeerde kerken in hare vergadering van 18 Maart de vraag behandeld heeft of de doop wettig bediend is, als men het formule gebruikt: »Ik doop u tot de belijdenis van den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes.” De conclusie van het uitvoerig rapport, door D. Bakker van Broek op Langendijk uitgebracht, luidde: "zulk een doop te erkennen enz.” De »gronden”(?) door den rapporteur aangegeven en onzen lezers iu het bedoelde stuk medegedeeld, geven ons aanleiding eene verklaring te geven van de woorden, waarmede de Heere die heilige plechtigheid heeft ingesteld. De woorden toch, zooals die in den oorspronkelijken tekst voorkomen, geven ons voldoende licht en wraken de misvorming op de classis der Geref. kerken te berde gebracht, van hetgeen daar »de gewraakte formule” werd genoemd. Laat mij vooraf omtrent die uitdrukking zeggen, dat het woord wraken komt van wrak, ontstaan uit het voorgermaansche wrago, verwant met het Grieksche frèqnumi (rèqnumi; aor: erragèa), dat is ik breek, scheur”, en wraken alzoo wil zeggen »voor wrak, onbruikbaar verklaren.”
Die uitdrukking moet naar het verband zien op de nieuwe formule, en dan heeft men door dat woord reeds het oordeel uitgesproken.
De instellingswoorden van den Heere luiden (Matth. 28 : 19): . »Gaat dan heen, onderwijst (dat is naar het Grieksche: #mathétuisate”: neemt tot onderwijzing aan, maakt tot leerlingen) al de volken, dezelve doopende (dat is: door ze te doopen) in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geesten.” Wij hebben hier dus een stellig gebod van den Heere en wat niet naar dat gebod is behoort tot de eigenwillige godsdienst (ethelothrèskeia, dat ia een dienst naar eigen wil) welke Paulus in Kol. 2 : 23 veroordeelt. Of uu Ds. Hoevers in de Hervormde kerk, of Ds. Bakker met zijne Alkmaarsche classis dat gebod des Heeren overtreedt, of de een meer ter linker, de ander meer ter rechter zijde afwijkt, het ia beide evenzeer te veroordeelen. De * bewering echter dat de drieëenheid niet uitgesproken is waar Vader, Zoon en Heilige Geest nevens elkander genoemd worden, had ik zeker van Gereformeerden niet verwacht. In Art. 9 toch van onze Belijdenis wordt onder de bewijzen voor de Drieëenheid juist deze tekst in de eerste plaats genoemd, welke dat wat duister is in het Oude Testament "zeer klaar” doet zijn. Een van beiden, of hier worden genoemd de drie goddelijke personen in het ééne goddelijke wezen, of, indien de persoonlijke godheid van Zoon en Geest wordt geloochend, maakt men door ze in éénen adem bij den doop te noemen zich aan heiligschennis schuldig. Dit laatste moet bij het gebruik door een ongeloovige plaats hebben. Wat nu de uitdrukking «in den naam” betreft merken wij op, dat die eene anders is dan welke eiders voorkomt bij voorbeeld in de uitdrukking «bidden in den naam van den Heere Jezus,” waar staat »en toooi onomatie,” dat voorkomt in den zin van »namens”, evenals wanneer een kind u iets komt vragen in den naam van zijne u bevriende ouders. In de veel beteekenende doopformule staat "eis to onoma”. De dienaar doopt dus niet „namens” God drieëenig. Hij doet het en maakt tot discipelen der kerk volgens het bevel van Christus: »gaat heen, doopt.” Het heeft andere beduidenis. Hetzelfde voorzetsel (eis) wordt gebezigd, als bij voorbeeld van het zaligmakend geloof (pistis eis Jèsoun) sprake is, niet van het historisch of verstandelijk gelooven, maar van het inleven in Christus, het ééne plant met Hem worden, het ingaan door het geloof in Christus. Ter verduidelijking: als ik zeg: ik leid u in dat huis,” dan wil dat zeggen, dat wg beiden er ons in bevinden en ik u ten gids naar de onderscheidene deelen daarvan ben (dit wordt uitgedrukt door en met den derden naamval; zeg ik echter: »ik leid u in die familie”, dan zeg ik, dat ik u in kennis, in betrekking tot die breng, zoodat zij u wil ontvangen, u gemeenschap met haar toestaat, en gij vrijheid ontvangt cm naar de regelen der wellevendheid tot haar te gaan (dat is eis met den vierden naamval). Er is vroeger een strijd geweest als men wilde doopen "tot den naam”, zooals men meende te moeten overzetten. Dat heeft echter naar onze taal geen recht van bestaan en wij houden de oude uitdrukking van onze staten-overzetters vast in den zin van: sik doop u den naam van Vader, Zoon en Heiligen Geest in.” Hij die heilige plechtigheid die woorden ”gebruikende zeg ik dus tot dat kind: «krachtens mijne roeping als dienaar van Christus en volgens zijn genadig bevel, stel ik u, kind, dat in zonde ontvangen en geboren zijt, in ver-boudsbetrekking met den driëenigen God”, of wilt gij liever: „ik verzeker u en bezegel u door dit uitwendig teeken, dat gij in Christus geheiligd zijt, tot zijne gemeenschap afgezonderd en onderscheiden van anderen.” Aan het kind wordt dus bezegeld al wat het Evangelie leert van Gods genade, terwijl het verplicht wordt tot al wat het evangelie eischt. In dit verbond zijn dus twee deelen begrepen: eene bezegeling van Gods beloften en eene verplichting op het kind gelegd. Bij de door de classis Alkmaar niet veroordeelde misvorming („ik doop u tot belijdenis van”) wordt dus slechts de ééne zijde voorgesteld en de gewichtigste ter zijde gelaten, namelijk wat de God des verbonds aan het kind verzekert. Waar alleen de eisch om Vader, Zoon en Heiligen Geest te beladen en dat dan nog volgens de gegevene verklaring zonder te zeggen of te ontkennen, dat deze de drieëenige God zijn, op het kind wordt gelegd, is dat geen Christelijke doop. Dat te belijden is de plicht van alle menschen ook zonder den doop. Door dien, welken Christus beval, wordt de afzondering, de verbondsbetrekking, de heiliging bezegeld. Dat wil niet zeggen: de wedergeboorte. Die is alleen door den doop met den Heiligen Geest en met vuur. Heilig beteekent iets anders. Als wij lezen van een heiligen tempel, dan zegt dat niet, dat hout en steen eene inwendige verandering hebben ondergaan, maar dat dit een gebouw is, waar de Heere zich in ’t bijzonder door woord en geest wil openbaren en in de tweede plaats, dat het een gebouw is, bestemd om door de gemeente te worden bezocht, opdat zij daar God naar Zijn woord zoeke en verheerlijke. Een geheiligd kind is dus een, dat den grooten zegen bezit, dat de Heere God het Zijne genade aanbiedt, het wil redden en zaligen. Ten tweede, dat het krachtens zijn geboorte en staat van Godswege verbonden is Mem te dienen. Doet bet dit niet, dan is het dubbel schuldig, omdat het dat verbond verbreekt, omdat het ontheiligt, wat geheiligd was, met voeten treedt wat groote genade is en als de verloren Zoon in de gelijkenis het vaderhuis ontvliedt om tot den zwijnendraf te komen. Mag het kind door bijzondere genade als een verlorene komen en om genade bidden, pleitende op de in den doop verzegelde belofte, dan is God getrouw, die het ook doen zal.
Wij hebben getracht zoo eenvoudig en duidelijk mogelijk de beteekenis der woorden bij den doop uit een te zetten. Is ons dit eenigermate gelukt, dan zullen wij zeker met verontwaardiging het behandelde voorstel door de classis der Gereformeerden te Alkmaar afwijzen, dat ons doet zien, waar het heengaat met de waarheid in de Ge re formeerde Kerken. Het besluit der Middelburgsche Synode is de eerste stap tot de leer vrijheid. Hier is eene eerste tot de doop vrijheid. In een vers in den studentenalmanak tijdens mijn verblijf aan Leidens akademie werd door een liberaal student gevraagd naar den kortsten weg om te Tübingen te komen en geantwoord: ’k denk, dat ik dan kiezen zou: Schoonrewoerd en Longerhouw.” Met meer recht zou op de vraag naar den kortsten weg om te Stolwijk te komen, kunnen geantwoord: „over Broek op Langendijk en Alkmaar.”
Na het schrijven en verzenden dezer regelen deed ik persoonlijk onderzoek te Broek op Langendijk, en de zaak kwam voor mij in ander licht of liever donker. Er was een huisgezin van eiders overgekomen met een kind, dat door een ongeloovig predikant met die woorden gedoopt was. Nu ontstond de vraag, of die doop door de Geref. Kerken mocht erkend. Het advies en Classisbesluit was toestemmend. Het onze is: Geenszins!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 mei 1897

De Wekker | 4 Pagina's

De doopformule

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 mei 1897

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken