Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een wondervolle redding

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een wondervolle redding

4 minuten leestijd

Een broeder uit Maassluis schrijft ons het volgende:
Dinsdag, 22 dezer, vertrok uit IJmuiden de kotter „Koningin Regentes Wilhelmina,” No. 150, bemand met 3 zeelieden, waaronder onze broeder J. Jordens. Na even gevischt te hebben moest men wegens een opkomenden storm IJmuiden weer binnen loopen. Donderdag 24 stak men weer in zee, doch kort daarop raakte het anker vast onder den Noordpier, terwijl ongeveer 5 uur ’s avonds een hevige sneeuwstorm opstak, waardoor het anker werd losgeslagen, daar het vermoedelijk gebroken is. Nu werd men genoodzaakt de zeilen te hijschen om te pogen de haven binnen te komen. De storm werd echter zóó hevig, dat het niet raadzaam was langer met geheschen zeilen heen en weer geslingerd te worden. Men ging ze dus strijken, terwijl men met een tweede anker uit te werpen zou beproeven grond te krijgen. De bodem was echter zóó week, dat het anker geen houvast kon krijgen, zoodat men genoodzaakt was zich geheel aan de hooge zeeën en ontzettende stormen over te geven. De kotter werd neergeslagen met ontzettende kracht tegen den Zuidpier. Het vaartuig kraakte wel hevig, doch werd nog niet in twee stukken geslagen. Op het dak te blijven was niet langer mogelijk, daar het gevaar bestond elk oogenblik door de ontzettende golven in de diepte geslingerd te worden. Om aan dat gevaar te ontkomen vluchtten onze 3 visschers in den mast, waar zij van ’s avonds 9 tot 12 uur allerlei angsten hebben uitgestaan. Niet langer echter konden zij den mast omklemmen vanwege kramp in de handen, zoodat zij met gevaar van elk oogenblik te pletter geslagen te worden of in de diepte te verzinken, zich langzaam naar beneden lieten glijden. Terwijl zij nu weer het groote zeil zouden hijschen in den uitersten nood, kwamen er 3 hooge zeeën over het dek rollen, waaronder zij geheel bedolven werden,
Ondertusschen trachtten zij door nood-seinen hun nood op het strand te kennen te geven, doch er was geen mogelijkheid, dat er eene reddingsboot bij hen kon komen. Niet anders dan de dood was voor oogen. Daarbij was het zoo ontzettend donker, dat men elkander niet zien kon. Nogmaals werd beproefd een zeil in de hoogte te krijgen, dat na de uiterste krachtsinspanning gelukte, want men werd gedurig van de eene zijde naar de andere geslingerd. Het vaartuig was toen zoo dicht bij een pier, dat men er aan begon te denken van het gaffelhout daarop te springen. Zeer zeker zou het een gewaagde sprong zijn, want al kwam men op den pier terecht, toch zou men evengoed te pletter kunnen vallen op de harde steen. Die daad van wanhoop werd echter beproefd. De gaffel sloeg regelmatig tegen den pier aan en telkens, wanneer deze den pier bereikte sprong er één man af. Dit was dus gelukt. Allen bevonden zich nu op deze pier, doch nog was het einde van den nood er niet. Hooge zeeën stroomden met kracht daarover heen. Daardoor waren zij genoodzaakt, wilden zij niet medegesleept worden, telkens voorover te gaan liggen, om zoo beveiligd te zijn tegen de kracht van het water. Natuurlijk moest dat zoo lang herhaald worden tot zij het strand bereikten.
Het was toen ongeveer 2 uur in den nacht. Hunne kleederen hadden zij stuk voor stuk weg moeten werpen, daar deze vanwege de zwaarte van het water hen hinderden. Kort daarna was de kotter geheel in stukken geslagen, waarin nog 300 pond visch was benevens hunne uitrusting en ongeveer f 20,— aan geld. Geheel beroofd is onze broeder alhier aangekomen en verkeert thans met zijn gezin in de grootste armoede.
J.
Welk een zuur stukje brood hebben onze arme visschers. Gedurig in grooten nood! Velen vinden hun graf in de golven, en wordt men gered, gelijk bovengenoemde broeder, dan staat men op één oogenblik naakt, — van alles ontbloot.
Voortdurende vindt de christelijke liefde alzoo een ruim veld om het werk der barmhartigheid te beoefenen.
J. Wisse

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 april 1898

De Wekker | 4 Pagina's

Een wondervolle redding

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 april 1898

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken