Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Gal 2 : 6b

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Gal 2 : 6b

4 minuten leestijd

Het woord van Paulus: »die geacht waren hebben mij niets toegebracht,” wordt door de meesten opgevat alsof de Apostel zich wel tot de geachten, de meer aanzienlijken had gewend, doch met deze teleurgesteld uitgekomen was, en hij van hen niet het minste voordeel had gehad. Men bouwt er dan op, dat men zich niet aan maatschappelijke standen moet storen, maar zich tot het arme en het onaanzienlijke volk moet wenden, waar men de meeste toegenegenheid en hulp vinden kan.
In de toepassing is gedeeltelijk waarheid. De Heere had onder de Zijnen niet vele rijken, maar toch ook rijken. Zij hebben ook eene onsterfelijke ziel en zoo zij tot den Heere, worden bekeerd, is hun invloed en macht van niet te versmaden beteekenis. Toch blijft veelal waar wat in den zoogenaamden bijbel van Deux Aes als kantteekening bij Neh. 3 : 5 staat: //De armen moeten het cruyce draghen, de rycke en geven niets. Deux aes en heeft niet. Six cinque en geeft niet. Quater dry, die helpen vrij” (Deux aes = twee, een zijn die het minste bezitten. Sic cinque = zes en vijf zijn de rijken; quater dry = vier, drie is de middelstand).
De vraag is echter: wat staat er in Gal. 2 ? En dan is er van die geheele beschouwing niets te vinden.
De Apostel berispt de Galatiers, dat zij zoo haastig zich van de waarheid hadden afgewend en een ander evangelie, dan hij gepredikt had, aangenomen hadden. Hij verdedigt nu wat hij had geleerd, als het eenig waarachtige, zoodat, als zelfs een engel uit den hemel een ander had gepredikt, die vervloekt was. Hij toch had het ontvangen niet van een mensch, maar door openbaring van Jezus Christus. Hij mag zich ook beroepen op het gezag der Apostelen, die hij bezocht had. Door eene openbaring was hij naar Jeruzalem gegaan om aan deze het evangelie voor te stellen, dat bij predikte. Zelfs in bijkomstige zaken hadden deze met hem ingestemd; ook het nalaten der besnijdenis van Titus goedgekeurd. Hij had pal gestaan tegenover hen, die zijne vrijheid bestreden en zij, die geacht waren wat te zijn, groote beteekenis te hebben, pilaren te zijn, namelijk Jakobus en Cefas en Johannes (vs. 9), hadden hem niets toegebracht, niets voor hem gevoegd bij hetgeen hij hun had voorgesteld, maar hen de rechterhand gegeven. Zij hadden betuigd, dat Paulus den ganschen raad Gods verkondigde, waarbij zij niets hadden te voegen, zoodat zij met hem den werkkring deelden en hem als heidenapostel erkenden.
Uit het oorspronkelijke blijkt dit duideIijker dan uit onze vertaling. In vs. 2 wordt »ik stelde hun voor” uitgedrukt door het werkwoord anatithesthai. In vr. 6 »hebben toegebracht” door pros anatithesthai, dus door hetzelfde woord met toevoeging van het voorzetsel pros, dat is »bij”. Bij hetgeen Paulus »stelde” hebben zij dus niets »bijgesteld”.
Zoo mag de Apostel zich dan beroepen op hetgeen hij zelf van God ontvangen heeft, doch, dewijl voor den mensch een ander bewijs noodig is, dan de verklaring van de prediker, dat hij eene goddelijke openbaring heeft gehad, voegt Paulus er bij, dat hij zich beroepen kan op hen, die door Christus zelven waren onderwezen, op de pilaren der gemeente. Deze hadden wat hij leerde onderzocht en er hun zegel op gedrukt als de volle waarheid in Christus Jezus, zoodat de Galaten te recht te berispen waren, als uitzinnigen, die betooverd waren door valschelijk genaamde wetenschap. Paulus had voor zich die bevestiging niet noodig; want Hem verschilde het niet wie zij waren, daar God den persoon des menschen niet aanneemt, maar hij liet zijne leer onderzoeken om anderen te overtuigen van de zuiverheid van zijn evangelie. Wij leeren hieruit, dat, zoo iemand zich beroept op goddelijke ingeving of roeping (zooals zoo velen meenen van God geroepen te zijn om leeraar te wezen), dat voor hemzelven genoeg kan wezen, maar hij andere bewijzen leveren moet, welke men tasten kan, wil hij anderen overtuigen.
Voor een waar leeraar steunt zijn ambt op de inwendige roeping en bevestiging des Heeren. Die is voor hem de eenig ware en genoegzame, maar de kerk, die zulk eene bijzondere openbaring niet heeft gehoord of gezien, heeft andere bewijzen noodig en gelijk de pilaren der kerk Paulus onderzochten, zoo moeten ook de opzieners der gemeente onderzoek doen, en wel in deze dagen zeer nauwgezet, vóór zij de rechterhand der gemeenschap geven en een arbeidsveld aanwijzen.
van Lingen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 mei 1898

De Wekker | 4 Pagina's

Gal 2 : 6b

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 mei 1898

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken