Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„De gemeente des levenden Gods een pilaar en vastigheid der waarheid.” 2

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„De gemeente des levenden Gods een pilaar en vastigheid der waarheid.” 2

5 minuten leestijd

II.
Zal de gemeente Gods beantwoorden aan hetgeen in deze zinrijke benaming wordt uitgesproken, dan heeft zij, gelijk we reeds opmerkten, niet alleen de waarheid te openbaren en te belijden, maar ook te verdedigen en te handhaven. Zichzelf een naam te geven en aan te matigen of een naam te dragen, waarvoor het bewijs aanwezig is, dat ge dien wettig draagt, is heel wat anders.
Vroeger sprak men alleen van »de Kerk” en onderscheidde die dan in de ware en de valsche Kerk.” Later is men gaan spreken van Kerken en velen weten niet anders of het behoort zoo. Een plaatselijke gemeente is, zegt men, eene Kerk.
De Heilige Schrift spreekt van de gemeente Gods, die te Efeze, te Corinthe, en waar dan ook zich openbaren kan, maar altijd zoo, dat al die openbaringen zijn: »De gemeente des levenden Gods”.
Op de vraag of deze of gene Kerk, gemeente, corporatie, of hoe ook door menschen genoemd, eene openbaring mag heeten van de gemeente des levenden Gods, komt het er vooral op aan of die openbaring beantwoordt aan den omschreven naam: »een pilaar en vastigheid der waarheid.”
Om daaraan te kunnen beantwoorden, voor zooverre dit mogelijk is in deze bedeeling, is voor alle dingen noodig, dat men zich niet beroepe op den persoon des leeraars of des voorgangers.
Deze, hoe voortreffelijk hij ook zij, blijft een menschenkind.
Nooit kan de vastigheid der waarheid worden bewezen met het beroep op een of ander mensch.
Ook het grooter of kleiner in aanvang zijn kan geen bewijsgrond zijn; want de geschiedenis van alle eeuwen heeft geleerd, dat in den regel de gemeente Gods een klein kuddeke is, ofschoon het meermalen den Heere heeft behaagd met bijzondere geestelijke zegeningen ook in de uitbreiding Zijne gemeente te gedenken.
Wat hier beslist is de uitspraak van den Heere Jezus (Matth. 16 : 18): »Gij zijt Petrus, en op dezen Petra zal Ik mijne gemeente bouwen,” waarmede de Heere niet het oog kan hebben op Petrus zelf, gelijk de Roomsche Kerk meent, maar op de belijdenis, door Petrus, mede namens zijne medeapostelen omtrent den Christus uitgesproken. Waar de één Jezus hield voor Johannes den Dooper, die uit de dooden was opgestaan, een ander voor Elias en nog anderen voor Jeremia of één van de proleten, verklaren de apostelen bij monde van Petrus: „Gij zijt de Christus des levenden Gods.”
In deze oprechte en gegronde belijdenis spreekt zich uit niet alleen de erkentenis, dat Christus waarlijk is de Zoon des levenden Gods, maar ook, dat juist daarom alleen Christus woord de regel kan en mag zijn voor ons geloot en wandel.
Anders toch zou genoemde belijdenis al weinig beteekenen.
Die belijdenis houdt in, dat er geene zaligheid is buiten Hem, die God en mensch in eenigheid Zijns persoons is, de eenige, volkomene en algenoegzame Zaligmaker van zondaren.
Daaruit moet verklaard, dat Calvijn, gelijk we in ons vorig stukje aanwezen, beweert, „dat het geene gemeente is, waar de waarheid niet alleen begraven ligt, maar gruwelijk is nedergeworpen en omgekeerd en met voeten wordt getreden.”
Is alzoo de zaligheid alleen en uitsluitend in Christus, die de Zijnen met Zijn dierbaar bloed heelt gekocht, dan bedenke men al verder, dat de leer van Christus van den persoon van Christus, niet kan gescheiden worden. Is de vraag: »door wien kunt ge zalig worden?” gewichtig en belangrijk, niet minder geldt dit van de vraag: hoe en op wat wijze kan volgens de H. Schrift de zondaar zalig worden ? Van hoe groot belang deze onderscheiding is, blijkt al aanstonds in het stuk der wedergeboorte.
Christus leert ons in het Ev. v. Joh., hoofdst. 3: »Tenzij dat iemand wedergeboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.”
De wedergeboorte is derhalve voor ieder mensch hoofd voor hoofd onmisbaar, want die niet wedergeboren is, gaat gewis voor eeuwig verloren. De gemeente Gods, draagster en bewaarster der goddelijke waarheid, is geroepen dit leerstuk naar den eisch der H. Schrift te openbaren en te verklaren. En wat nu te denken, als men in plaats van dit te doen, gelijk dit steeds door de gemeente Gods gedaan is, in plaats daarvan met eene bespiegelende wijsbegeerte gaat leeren, dat die wedergeboorte wel voor ieder mensch noodzakelijk is, maar altijd zoo, dat men daarbij moet bedenken, dat men bij al de kinderen der gemeente die wedergeboorte als aanwezig moet onderstellen, en dat men op grond daarvan, en op dien grond alleen, die kinderen moet doopen, hen dienovereenkomstig moet onderwijzen en, volwassen geworden, hen niet anders als wedergeborenen mag aanmerken. Waar dit geschiedt, gelijk dit in den tegenwoordigen tijd alom plaats heeft in de »Gereformeerde Kerken”, vrage ieder met de Schrift in de hand, of dit in overeenstemming is met den naam: »pilaar en vastigheid der waarheid.”
J. Wisse

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 5 August 1898

De Wekker | 4 Pagina's

„De gemeente des levenden Gods een pilaar en vastigheid der waarheid.” 2

Bekijk de hele uitgave van Friday 5 August 1898

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken