Bekijk het origineel

Een merkwaardig woord van Socrates

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een merkwaardig woord van Socrates

6 minuten leestijd

Socrates, door het orakel te Delphi voor den wijste der menschen verklaard, was aangeklaagd door Anystus en Melitus, dat hij niet aan de goden geloofde en door zijne leer de jeugd bedierf. Zijne verdediging heeft Plato ons beschreven in de „Apologia Socratoes.” In die rede beweert hij daarom alleen de wijste geoordeeld te zijn, omdat hij overtuigd was niets te weten, terwijl anderen in hun hoogmoed zich op wetenschap beroemden. Treffend zijn zeker de woorden, welke bij volgen laat op de mededeeling van zijn arbeid om andoren te overtuigen van hunne onwetendheid: „Hierdoor is eene groote vijandschap tegen mij ontstaan, en als iets mijn val bewerkt, is het niet Melitus met Anytus, maar de boosheid en do nijd der menigte. Deze heeft vele voortreffelijke mannen ten val gebracht en zal er nog velen doen vallen, en er is geen nood, dat het bij mij blijven zal. Misschien zal iemand zeggen: „Schaamt gij u dan niet, Socrates, zulk een werk te doen, waardoor gij gevaar loopt te sterven?” Zulk een zou ik antwoorden; Gij spreekt niet goed, als gij meent, dat het gevaar van leven of sterven iemand in rekening zou mogen brengen, en niet daarentegen daarop alleen mag worden gezien als hij iets doet, of het recht of onrecht is, of hij daden van een goed of van een slecht mensch verricht. — Als iemand zich ergens bevindt, omdat hij dat voor het beste houdt of omdat zijn Meester hem daar geplaatst heeft, dan moet hij, zooals het mij voorkomt, daar blijven en zich aan het gevaar blootstellen, zonder daarbij te rekenen met den dood of met iets anders dan met de schande.
Ik zou wel zeer verkeerd handelen, in-dien ik, terwijl God mij aanwees — zooals ik geloofde en erkende — dat ik leven moest, de wijsheid beminnende en mij en anderen onderzoekende, uit vrees voor den dood of voor iets anders mijn post had verlaten, Dan kon men mij met recht voor het gericht trekken, dat ik niet aan de godheid geloofde, daar ik ongehoorzaam was aan haar bevel en voor den dood vreesde, alzoo meende wijs te zijn zonder het te zijn. Den dood te vreezen is toch niets anders dan wijs te schijnen zonder dat men het is. — Ik onderscheid mij misschien ook hierin van de meeste menschen, dat ik over de toestanden na den dood meen niets te weten. Maar onrecht te doen en niet gehoorzamen aan den meerdere, hetzij God of mensch, dat weet ik dat kwaad en schande waard is. Om het kwaad nu, waarvan ik weet, dat het kwaad is, zal ik dingen, van welke ik niet weet, of ze mij niet veeleer ten goede zijn, nooit vreezen of ontvlieden. Indien gij mij dus nu vrijliet en zeidet: „O, Socrates! wij willen u vrijspreken, doch onder voorwaarde, dat gij u nooit meer met zulke onderzoekingen bezighoudt, en wanneer gij daarbij betrapt wordt, moet gij sterven”; als gij mij onder die voorwaarde wildet vrijlaten, zou ik u antwoorden: Ik heb wol voor u, mannen van Athene, alle achting. Ik heb u lief, maar ik zal Gode meer gehoorzamen dan u, en, zoolang ik ademhaal en het vermag, zal ik niet ophouden mij met wijsbegeerte bezig te houden en u daartoe op te wekken en ieder, dien ik maar ontmoet, daarvan te overtuigen. Zooals ik gewoon ben, zal ik tot hen zeggen: O gij, die een Athener zijt, burger van eene stad, welke de grootste en wat wijsheid en kracht aangaat de meest beroemde is! gij bekommert u om van rijkdommen zooveel te verkrijgen als mogelijk is. Voor de zucht naar roem en eer schaamt gij u niet, maar voor kennis en voor waarheid en hoe uwe ziel zoo voortreffelijk als mogelijk is, worden moge, daarom bekommert gij u niet? En als iemand mij dan tegensprak en beweerde, dat hij er wél zorg voor droeg, zou ik hem niet dadelijk loslaten en heengaan, maar ik zou hem ondervragen en onderzoeken en uitvorschen, en als hij mij toescheen het goede niet te bezitten, wat hij beweerde, zou ik hem verwijten daarover doen, dat hij wat het meeste waarde bezit, het minste, en het geringste het hoogste achtte, — Niets anders doende ga ik rond, jongen en ouden overredende voor lichaam en rijkdom niet zoo ijverig te zorgen als voor hunne ziel, daar ik hun zeg, dat niet uit rijkdommen deugd voortkomt, maar wél uit deugd rijkdom en alles wat goed is voor de menschen, zoowel in het private als ia het publieke leven.”
Wat dunkt u ? Zou er in het woord van dezen heiden nog niet iets ter beschaming voor menigen Christen zijn?
Ook het slot zijner rede, nadat hij tot het drinken van den giftbeker veroordeeld was, is zeer merkwaardig, „Bedenkt het, o rechters! dat er voor een goed mensch niets slecht is noch in het leven noch in den dood, en dat zijne omstandigheden niet door de godheid worden verwaarloosd. Ook de mijne zijn alzoo niet door het toeval geworden, integendeel, het is mij duidelijk, dat nu te sterven en van moeiten vrij ’te worden, voor mij het beste ia. — Dit bid ik nog van u: als mijne zonen zijn groot geworden, bestraft hen dan, gelijk ik u gedaan heb, als zij zich meer om geld of om iets anders bekommeren dan om de deugd en als zij den schijn aannemen van iets te zijn zonder dat zij het zijn. Houdt hun dan voor oogen, gelijk ik n deed, dat zij zich niet bekommeren om hetgeen zij moeten, en dat zij gelooven iets te zijn, terwijl zij niets waard zijn. Als gij dit doet, zal zoowel mij als mijnen zonen recht van u zijn wedervaren. Maar het is reeds tijd om heen te gaan, voor mij om te sterven en voor u om te leven. Wie van ons beiden tot een beter iets heengaat, is voor ieder verborgen, behalve voor God.”

Niet gecorrigeerd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 mei 1899

De Wekker | 4 Pagina's

Een merkwaardig woord van Socrates

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 mei 1899

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken