Bekijk het origineel

Een teedere spruit en een vruchtdragende scheut - I

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een teedere spruit en een vruchtdragende scheut - I

10 minuten leestijd

»Want er zal een rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï, en eene scheut uit zijne wortelen zal vrucht voortbrengen«. Jesaja 11:1.

Als God werkt, wie zal het dan keeren? Hij is wonderlijk van raad en machtig in al Zijne daden. Des Heeren vijanden worden als boomen uitgehouwen en nedergeworpen, maar over Zijn erfdeel wil Hij Zich ontfermen, Zijns verbonds zal Hij gedenken in der eeuwigheid. Dat is het heil des Heeren, dat de profeet Jesaja aan Israël verkondigt; dat is de troost voor het volk van God, in benauwdheid der tijden. Zou iemand vragen: hoe en van waar al dat heil, ook later, als de toekomst steeds donkerder schijnt te worden? dan zijn het in ’t bijzonder de Messiaansche voorzeggingen, welke, als de morgenschemering van een heerlijken dag, naar de blijde tijding doen uitzien, dat het zoo lang voorzegde heil is gekomen. De wijze waarop dit geschieden zal, omschrijft de profeet met te zeggen, dat er een rijsje zal voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï. De beeldspraak, waarvan de profeet zich hier bedient, doet ons denken aan hetgeen we lezen in het boek van Job: „Voor eenen boom, als hij afgehouwen wordt, is er verwachting, dat hij zich nog zal veranderen, en zijne scheute niet zal ophouden. Indien zijn wortel in de aarde veroudert, en zijn stam in het stof versterft, hij zal van den reuk der wateren weder uitspruiten en zal eenen tak maken gelijk eene plante”.
In verband met hetgeen in vs. 2 en vervolgens wordt gezegd, blijkt duidelijk, dat met het woord „rijsje” een persoon wordt bedoeld van bijzondere afkomst en van buitengewone hoedanigheden. Daarbij te willen denken aan een of ander historisch persoon, hetzij aan Hiskia, Josia, Zerubbabel of iemand anders uit de menschen, loopt Iijnrecht in tegen hetgeen niet alleen hier, maar ook elders van datzelfde rijsje wordt voorspeld. Hieraan gedachtig, past op niemand anders dan Christus al het heil, dat uit dit rijsje zal voortkomen. In hoofdstuk 53 teekent deze zelfde profeet den Messias als den lijdenden Christus, als den Borge Zijns volks, door Wiens striemen ons genezing is geworden, op aanschouwelijke wijze. En als ge dan vraagt aan den profeet des Heeren, van wien hij daar getuigenis geeft, dan wijst hij naar datzelfde rijsje in hoofdstuk 11 bedoeld, terug en zegt: „Hij is als een rijsje opgeschoten voor Zijn aangezicht, en als een wortel uit een dorre aarde”. Trouwens dit is geheel in overeenstemming met geheel de wijze van voorstelling door Gods heilige profeten, waar zij melding maken van de vernederende omstandigheden waaronder de Heere Jezus naar Zijne menschelijke natuur zou verschijnen op aarde. Maar ofschoon Hij, aldus aangemerkt, veracht en de onwaardigste onder de menschen wordt genoemd, toch zal Hij een Plant van naam worden, een Boom des Levens, wiens bladeren zelfs dienen zouden tot genezing der Heidenen.
En dat rijsje zal voortkomen uit een afgehouwen tronk. Uit een boom, wiens stam en takken niet alleen, maar wiens tronk of wortelstuk zelfs is uitgehouwen. Die afgehouwen tronk doet denken, niet aan David en diens glorierijke heerlijkheid, later zoo zeer getaand en verdonkerd, maar aan Isaï, die zooveel minder was in heerlijkheid dan David zijn zoon. Ver beneden koninklijken glans, zelfs beneden de eer van een voortreffelijk geslacht, maar toch naar de Schrift uit den stam van Juda en uit het huis van David. Als een scheut uit de wortels van dien afgehouwen tronk, zal een vruchtdragende Boom voortkomen. Van den Heere zal het geschieden, en het zal wonderlijk zijn in de oogen van de kinderen der menschen.
De grootste heerlijkheid zal uit hetgeen gering was in de oogen der menschen te voorschijn komen en zich met kracht, duidelijkheid en heerlijkheid openbaren, gelijk de zou, die aan den hemel schijnt. Dit wordt in beeldrijke taal hier stellig en onvoorwaardelijk uitgesproken. Menschen verwachten in den regel heil van hetgeen in hunne oogen groot en aanzienlijk is. God de Heere daarentegen gebruikt meestal wat in onze oogen klein en gering is, om daardoor zijne grootheid en heerlijkheid aan ons te openbaren. Niet in de stad Jeruzalem, maar in het kleine Betlehem zal Christus geboren worden. Niet in een vorstelijk paleis, maar in de beestenkrib, buiten de herberg, zal het wonderkind van Maria worden aanschouwd. En al zijn Jozef en Maria ver in de geschiedenis teruggedacht, uit koninklijken bloede gesproten, al de omstandigheden bij de vervulling der aloude Godsbelofte laten het aanzien, dat de teekening van den afgehouwen tronk van Isaï volkomen gepast is om de laagheid en nederigheid van den stand uit te drukken, waartoe beide, Jozef en Maria, waren gedaald.
Toch staat dit Jehovah niet in den weg. Zijn wondervolle raad zal bestaan. Aan die nederige moedermaagd boodschapt één van Gods heilige engelen, dat het heilige, dat uit haar zal geboren worden, Gods Zoon zal genaamd worden. Al is er geen sterveling, die er aan denkt, al is er geen enkel Adamskind, die zulks vermoeden kan, de afgehouwen tronk van Isaï zal opbloeien; wat verloren scheen, zal herleven; wat onmogelijk was voor het natuurlijk verstand, zal nochtans niet onmogelijk zijn voor God. Al moeten nog eeuwen voorbijsnellen, al moet Israël nog op het diepst vernederd worden, al zal zelfs met de wegvoering naar elders en met het dienstbaar worden onder vreemde heerschappij, geheel Israëls verwachting schijnbaar zijn vergaan, op Zijn tijd komt de Heere om Zijn grootheid en Zijn macht te toonen, en tevens om te bewijzen, dat Zijn Woord zeker, en Zijne beloften getrouw zijn. Dat zal de aarde doen weergalmen van Gods lof. Dat zal engelen en menschen vereenigen in één loflied, in één juichtoon; dat zal tot in verre nageslachten de gemeente des Heeren doen zingen: »Hij heeft gedacht aan Zijn genade, Zijn trouw aan Isrel nooit gekrenkt. «Als een rijsje uit den afgehouwen tronk van Isaï, — wat is geringer en teederder, bij de boomen in het woud vergeleken, dan een nietig rijsje of twijgje, dat daar opschiet uit een dorre aarde? Maar als in dat kleine en geringe de hand des Heeren zich openbaart, dan leert ons het mostaardzaad, hoe uit dat kleine zaad een groote boom kan opgroeien.
Waar de boom weggevallen, zijn stam en takken verdwenen, zelfs zijn tronk is afgehouwen, blijft alleen het geloof nog over, dat er voor den Heere niets te wonderlijk is. God, die den wonderboom boven het hoofd van Jona opgeschoten, op een oogenblik kan doen verdorren, laat uiteen rijsje een boom opschieten, wiens takken zich uitbreiden over de geheele aarde en wiens vrucht van zich zal doen spreken zoolang er menschen wonen op dit benedenland. Ja, meer nog dan dit: want als deze wereld zal zijn voorbijgegaan, dan nog zal tot in alle eeuwigheid hier God Drieëenig worden geloofd en geprezen!
Al is de grootheid van Davids huis schier geheel vergeten, al schijnt het laatste van den boom van Isaï’s geslacht uitgeroeid, er zijn nog overblijfselen, die als wortels van een uitgehouwen boom in de aarde verborgen zijn. Daaruit zal een scheut, een spruit te voorschijn komen, en die scheut, hoe teeder en gering ook, zal worden een vruchtdragende boom.
Welk een treffende beeldspraak. Door te eten van de vrucht van een boom, door God verboden, stortte Adam, en met hem zijn gansche geslacht, in het verderf, en hier doet de Heere de belofte, dat een boom zal opschieten, die vrucht zal dragen, en die vrucht zal van een wonderlijken aard zijn. In den beloofden Messias, in den komenden Christus, en in Zijn eeuwig gezegend verlossingswerk zal de heerlijkheid en de onschatbare waarde van die vrucht worden aanschouwd.
Zoo zal tegen alle verwachting van menschen het heil des Heeren dagen. Zoo zal op des Heeren tijd en op des Heeren wijze het heil onzes Gods worden gezien. En als straks Jesaja zijnen tijdgenooten toeroept: »Maakt u op, wordt verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid des Heeren gaat over u op,” dan staat voor zijn profetischen blik die scheut uit den afgehouwen tronk van Isaï reeds als de vruchtdragende boom, schijnende als een licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van het Israël Gods.
De vrucht, welke de profeet hier op het oog heeft, doet ons denken aan de door Christus verworven weldaden. Zij doet ons denken aan hetgeen ons in het heilig evangelie zoo duidelijk is omschreven. Naar Zijne menschelijke natuur teeder, en als een „rijsje” voortgekomen, maar in vereeniging met Zijne goddelijke natuur de volkomen Zaligmaker van zondaren. „De Heere onze Gerechtigheid”.
En gelijk het voortkomen als een scheut uit de wortels van een afgehouwen boom, zoo zal het niet alleen met Christus, maar ook met Zijne gemeente gaan onder de nieuwe bedeeling. In dit opzicht is er overeenkomst tusschen Hem, die het Hoofd, en de gemeente, die het lichaam is. Als de boom van Israelitisme uitgehouwen is, neemt God de Heere het eerste weg om het tweede in de plaats te stellen. Van Jeruzalem zal de wet uitgaan. Van Jeruzalem zal het Evangelie zijn loop nemen, en klem en gering in den beginne, zal de gemeente Gods, nu vergaderd uit Joden en heidenen, als een mostaardzaad opschieten en opwassen tot een vruchtdragenden boom, waarin de Heere zal verheerlijkt worden.
Zoo gaat het werk Gods door, en openbaart zich ten slotte in ieder oprecht geloovige, al is het ook op onderscheiden wijze. Hoe klein en gering kunnen in onze schatting die eerste werkingen en openbaringen der goddelijke genade zijn. Doch wat door den Heere wordt gewerkt, kan niet verborgen blijven. Neen, er is wasdom in het werk Gods. En als ge dan dat werk in deszelfs heerlijke vrucht moogt aanschouwen, dan roept die aanschouwing en genieting tot dank en aanbidding. Dan erkent ge dat de Heere wonderlijk is in al Zijn weg en werk. Neen, dan veracht ge den dag der kleine dingen niet. Dan ziet ge niet slechts uit naar hetgeen groot en aarzienlijk is in de oogen der menschen. Dan geeft ge acht op elke openbaring, die van het werk Gods getuigenis geeft. Zelfs uit den mond der zuigelingen zal Gods lof worden verkondigd. Christus ontvangt zoowel kinderen als volwassenen. En de vrucht, welke Jesaja aankondigt, van die scheut uit een dorre aarde en uit de wortels van een afgehouwen tronk, zal kleinen en groeten, armen en rijken ten goede komen. Dat is de rijkdom der genade, dat is de verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is aan al Gods heiligen, aan wie God heeft willen bekend maken, welke zij de rijkdom dezer verborgenheid onder de Heidenen, welke is Christus onder u, de hoop der heerlijkheid.
Zoo gaat in de belofte Gods het licht op, dat in latere tijden over de geheele aarde schijnsel zal geven, tot eenmaal de volheid der heidenen zal ingaan, gansch Israël zal zalig worden, en God zal zijn alles en in alles.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 december 1900

De Wekker | 4 Pagina's

Een teedere spruit en een vruchtdragende scheut - I

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 december 1900

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken