Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Lopen in de loopbaan

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Lopen in de loopbaan

11 minuten leestijd

»Weet gijlieden niet, dat die in de loopbaan loopen, allen wel loopen, maar dat één den prijs ontvangt? Loopt alzoo, dat gij dien moogt verkrijgen.” 1 Cor. 9 : 24.

Meermalen spreekt Paulus in zijne brieven over hot leven van den Christen onder het zinnebeeld van de loopers in de loopbaan. Daarmede heeft de apostel dan ongetwijfeld op het oog de in dien tijd algemeen bekende wedloopen en strijdspelen, bij de Grieken en Romeinen in gebruik. Bij den loopstrijd liep men in de loopbaan om een prijs. Die loopbaan, ongeveer 600 voeten of 125 schreden lang, was met zand bestrooid, om het uitglijden te voorkomen. Die loopbaan liep soms aan de ééne zijde langs een diepe gracht, terwijl dan aan de andere zijde een touw was gespannen, waarin scherpgepunte zwaarden de loopers verhinderden naar ééne of andere zijde uit te wijken. De ééne loop kon korter, de andere langer zijn. Daarom werd door een witte streep of lijn het begin en het einde der loopbaan duidelijk aangewezen. De olijf-of laurierkrans als prijs voor den besten looper bestemd, hing aan het eind van de loopbaan, opdat de looper, daarop ziende, in zijn loop steeds aangemoedigd, het uiterste zou beproeven om den prijs machtig te worden. Standbeelden van de meest beroemde loopers stonden daarenboven ter zijde van de loopbaan. Rechters bepaalden de loopbaan, hielden den loopers de wetten van den strijdloop voor, en beslisten wie als overwinnaar moest gekroond worden. De bekroning had plaats onder groote toejuiching der toeschouwers, zoodat het den over winnaar aan vele eer bewijzen niet ontbrak. Alvorens aan zulk een strijdloop deel te nemen, had men gewoonlijk zich lang te voren op allerlei wijze voorbereid on geoefend. Kwam het dan eindelijk zóóver, dat men den loop zou beginnen, dan ontdeed de looper zich zooveel mogelijk van zijne kleederen, opdat niets hem in zijn strijdloop zou hinderen. Hadden zich vele loopers tot den loopstrijd aangemeld, slechts één van hen ontving den prijs. Het was derhalve geen geringe zaak om met de hoop om overwinnaar te worden, den loop in de loopbaan aan te vangen.
In menig opzicht is het leven der Christenen aan het loopen in zulk eene loopbaan gelijk. Daarom wekt de apostel de Hebreen op (Hebr. 12: 1, 2), na op te hebben, om af te leggen allen last en de zonde, die ons lichtelijk omringt, ten einde met lijdzaamheid te loopen de loopbaan ons voorgesteld, ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus. En met het voorbeeld van zijn eigen persoon vermaant diezelfde apostel de Corinthiërs, om toch wél te bedenken, dat het leven gelijk is aan het loopen in de loopbaan, waarbij zij tevens worden opgewekt om alzoo te loopen in de loopbaan, dat zij den prijs mogen ontvangen.
In de loopbaan der Grieken loopen al de loopers wel, doch slechts één ontving den prijs. Zoo is het echter in de Christelijke loopbaan niet. Meer dan één, zelfs velen zullen als overwinnaars worden gekroond; doch niet allen.
Dit blijkt, als we bedenken dat de Christelijke loopbaan niets anders is dan de weg des Heeren, ook wel genaamd de weg van Gods inzettingen en geboden. Die loopbaan is derhalve geen willekeurige, geen door den mensch uitgedachte of door den mensch zelven naar eigen smaak ingerichte of afgeteekende, maar een door God zelf in Zijn heilig Woord aangewezen weg. Een weg, op verschillende wijze voorgesteld en omschreven.
’t Is, om slechts iets te noemen, de weg des levens, die de verstandigen naar boven leidt, ’t Is een weg of loopbaan onderscheiden van alle andere. ’t Is een weg, door Christus genoemd een nauwe weg, in tegenstelling van den broeden weg, die ten verderve voert. Allen die Christenen heeten, worden van Godswege geroepen om in de Christelijke loopbaan te loopen. Dit hangt niet af van ’s menschen wil of voornemen, het is des Heeren bevel. Niemand is in dit opzicht zijn eigen meester. Niemand heeft het recht om dit bevel des Heeren te betwisten. Daartoe geeft de Heere ons zijn Woord, opdat we Zijn heiligen wil zouden kennen, Hem als onzen Schepper en Weldoener zouden gehoorzamen.
Hem te volgen is de eisch door Christus al Zijnen discipelen gesteld. Hoe velen, helaas de meesten die onder het licht des evangelies leven, daarover deuken en daaromtrent handelen, kunnen we elken dag met eigen oogen zien. Velen willen wel den prijs, die de overwinnaars aan het einde der loopbaan wacht, maar zij loopen niet in de loopbaan op eene wijze als waarop die prijs kan verkregen worden. Er zijn menschen die loopen, in plaats van in, naast de loopbaan. Anderen willen met den strijdloop beginnen als het te laat is. Nog anderen weigeren zich te ontdoen van den last, die noodwendig afgelegd moet worden, zal men overwinnaar kunnen worden. Daarenboven zijn er zoo velen, die over de zaak spreken, er strijd over voeren zelfs, maar nooit tot het rechte loopen in de loopbaan komen.
In de Grieksche spelen liep men op zijn voeten, in de Christelijke loopbaan komt het allereerst aan op een loopen met zijn hart. Dit deed Gods heiligen van oudsher bidden: „Heere! neig mijn hart tot Uwe getuigenissen”. De Bruidkerk in het Hooglied bidt: „Trek mij, wij zullen U naloopen.” Nergens hebben in den regel de menschen zooveel bedenkingen tegen en zooveel uitvluchten bij, als wanneer het den eisch Gods geldt om te loopen in de loopbaan. Men wil wel loopen in eene loopbaan, maar niet in de loopbaan. En juist dit is een van de grootste levensgeheimen. Ieder heeft een weg, die hem recht schijnt, maar ’t laatste van dien zijn wegen des doods. Voor ieder mensch behoort het een eerste levensvraag te zijn: wat en waar is de loopbaan, niet door menschen, maar door den Heere de vraag van ieder wien het door Gods genade met heiligen ernst om de overwinning, dat is om zijne eeuwige behoudenis te doen wordt.
Is uw beginsel uit God, dan zult ge u niet slechts aangorden om te loopen in de loopbaan, maar ge zult door Gods genade gesterkt, ook volharden. Dan zult ge niet doen gelijk zoo velen, die wel begonnen, maar om weldra te blijven stilstaan en eindelijk terug te keeren uit de Christelijke loopbaan. Bij duizenden zijn die ongelukkigen te tellen, die korter of langer een houding aannamen en een openbaring gaven, welke inderdaad het beste van hen hopen deed. Maar helaas, door de begeerlijkheid der zonde afgetrokken, door kwaad gezelschap op den dwaalweg geraakt, volgde men eigen zin en wil, met verloochening van het Woord des Heeren, om te eindigen waar allen komen die God verlaten, en ten laatste te sterven zonder hoop.
Daarop wijst de heilige apostel met nadruk, als hij zegt: »weet gijlieden niet”, — alsof hij zeggen wilde: hebt ge dat nog niet opgemerkt, is u dit onbekend? — „dat die in de loopbaan loopen, allen wel loopen, maar dat één den prijs ontvangt?” Het loopen, het zich bewegen in de loopbaan is goed, maar daarmede stelle zich niemand tevreden. Om den prijs, om de overwinning moet het te doen zijn. Daarom loopt alzoo, dat gij dien moogt verkrijgen. Deed men zooveel voor een verdetfelijke kroon, hoeveel temeer moest men dan niet doen om een onverderfelijke kroon te ontvangen. Daaromtrent was Paulus als dienaar van den Heere Jezus zoodanig werkzaam, dat hij met vrijmoedigheid zeggen kon: »Broeders! weest mijne navolgers, gelijk ik van Christus”.
Om zoo te loopen in de Christelijke loopbaan, dat men hopen mag op den prijs, ontbreekt het niet aan velerlei opwekking en aanmoediging en menigvuldige drangredenen. Is de strijd in dezen strijdloop ernstig en zwaar, er dient wel bij opgemerkt, dat de loopbaan maar kort is. Wat is die handvol levens van den mensch hier op aarde in vergelijking van de eeuwigheid? Hoe diep te beklagen is de mensch, die op de groote zaligheid ons voorgesteld, geen acht neemt! Die, in plaats van naar God zijnen Schepper en Weldoener te hooren, het oor leent aan den Satan! De mensch die om zingenot en allerlei ijdelheid de kroon des eeuwigen levens versmaadt! O vreeselijke vermetelheid! de loopbaan door God ons voorgesteld te verachten en zich een eigen weg te kiezen naar die ontzaglijke eeuwigheid!
De Christelijke loopbaan wijst ons op een menigte geloofshelden, die als overwinnaars gekroond, als een wolk van getuigen tot aanmoediging in de Heilige Schrift worden aangewezen. Die allen waren menschen van gelijke bewegingen als alle anderen. Zij allen hebben, als een Paulus, alle dingen schade en drek geacht bij de uitnemendheid der kennis van Jezus Christus. Onbekwaam en onmachtig in zichzelven, hebben zij met lijdzaamheid, met zelfverloochening, met volharding geloopen de loopbaan hun voorgesteld. Gehaat, gescholden, veracht, miskend, uitgeworpen van menschen, hebben zij de kroon in ’t oog gehouden, die daar schittert aan ’t einde van de loopbaan. Zij hebben geloofd in en vertrouwd op den Heere, en zij zijn niet beschaamd geworden. De berooving hunner goederen hebben zij met blijdschap aangenomen. Zij hebben de eere Gods liever gehad en hooger geacht dan de eer van menschen. En nog spreken zij, nadat zij gestorven zijn, en roepen door hun voorbeeld anderen toe: „Let op den vrome en ziet naar den oprechte, want het einde van die man zal vrede zijn."
Wél hebben die overwinnaars alle geweten, gelijk ook wij het moeten weten, dat niemand den prijs als verdienste ontvangt, maar louter uit genade. Daarmede vermindert echter in geen enkel opzicht da ernst dezer vermaning om zóó te loopen, dat men den prijs ontvangt. Christus alleen is de verdienende oorzaak van alle zaligheid, maar de prijs, als de kroon des eeuwigen levens, is alleen verkrijgbaar in den door God aangewezen weg.
Wat het meest van alles de loopers in de Christelijke loopbaan dient op te wekken tot loopen en volharden, is de onschatbare waarde van den prijs. Deze is onvergankelijk, en wordt in de Heilige Schrift voorgesteld als de kroon des eeuwigen levens, welke de Heere uit genade zal geven aan allen die overwinnen. Want die overwint, zal alles beërven!
Zijn daartoe veel, zeer veel bezwaren en moeielijkheden te overwinnen, Gods genade is tot alles genoeg. Genoeg tot verloochening van uzelven. Genoeg tot het overwinnen van Satans macht en invloed. Genoeg om te ontkomen aan de strikken welke de wereld op allerlei wijze spant. Genoeg om te breken met alle slecht gezelschap. Genoeg om den strijd aan te binden en met volharding te voeren tegen de zonde. Gods genade is in één woord genoeg om den Heese Jezus te volgen en steeds op Hem te zien als op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs.
Aan die genade dankte Paulus het, aan het einde der loopbaan gekomen, dat ook hem de kroon der rechtvaardigheid was weggelegd. En gelijk Paulus, zal ten slotte ieder kind des Heeren aan het einde van alles moeten erkennen: »Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen”.
Was het een voorbeeldige eer voor den Griek, met de zichtbare bewijzen der overwinning omhangen en bekroond en door de menigte der toeschouwers toegejuicht te worden, wat is dit alles in vergelijking van hetgeen zij hebben te wachten, die aan het einde van hun aardsche loopbaan de kroon des levens zullen ontvangen? Daarvan getuigt de Heilige Geest bij monde van een Paulus: »Wat geen oog heeft gezien, wat geen oor heeft gehoord, en wat in geens menschen hart is opgeklommen, dat heeft de Heere bereid dengenen die Hem liefhebben”.
Daarvan bewust en ten volle verzekerd, kunt ge door de kracht en genade des geloofs niet slechts beginnen, maar ook volharden met loopen in de loopbaan. Dan laat ge u door niemand en door niets aftrekken van dat ééne en groote levensdoel, dat u loopen doet om den prijs. Geen enkel bezwaar daartegen ingebracht, zal u kunnen weerhouden. Uw besten en uitnemendsten vrienden zegt ge, als het er op aankomt, liever voor altijd vaarwel, dan dat ge door hen u zoudt laten bewegen, om na te laten of uit te stellen, wat ge nu eenmaal door de genade Gods hebt mogen aanvangen. Al roept de geheele wereld: „vrede, vrede en geen gevaar!” — gij weet beter, want uw God heeft het u toegeroepen en doen verstaan: „Haast u om uws levens wil”.
Gevoelt ge u machteloos en onbekwaam, ge steunt immers niet op eigen kracht. Wordt ge bij oogenblikken vermoeid en dreigt u de moed te ontzinken, dan is het de Heere, die de Zijnen telkens bemoedigt en ondersteunt. Wie den Heere verwachten, zuilen de kracht vernieuwen, zij zullen opvaren met vleugelen gelijk de arenden, zij zullen loopen en niet moede worden, zij zullen wandelen en niet mat worden. Is dit raadselachtig en onverklaarbaar voor anderen, het is omdat deze niet verstaan de dingen ons van God geopenbaard. menschen trekt de kinderen der wereld meer aan dan de schitterende levenskroon, dan de eeuwige zaligheid, welke de Heere heeft beloofd aan allen die de verschoning van den Heere Jezus hebben liefgehad. Er is geen Christendom zonder Christus. Er is geen Godskennis zonder zelfkennis, er is geen kroon zonder kruis, maar ook geen overwinning zonder strijd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1901

De Wekker | 4 Pagina's

Lopen in de loopbaan

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1901

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken