Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Aan een vriend te Ulrum (191)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Aan een vriend te Ulrum (191)

5 minuten leestijd

Waarde Vriend!

Al meer komen de geesten openbaar. Wat wij voor veertien dagen in ons blad overgenomen vonden uit de pen van Ds. Bos van Bedum, spreekt voor zichzelf. Het bewijst, dat de vroegere Chr. Gereformeerde broeders in de Geref. Kerk tot bewustheid van hun huidigen toestand beginnen te komen. Dat is reeds veel gewonnen. Er zal wel heel wat toe noodig zijn, zullen ze voor goed ontwaken, doch als de Heere dat wil, zal het op Zijn tijd geschieden. De dwaalleeringen durft men ook daar onder de oogen te zien; ja men durft ze in het openbaar als met den vinger aan te wijzen. Stuk voor stuk legt men ze onder het ontleedmes, of brengt men de vruchten der zoogenaamde christelijke philosophie onder den toets van ’s Heeren onfeilbaar Getuigenis. Vroeger reeds wezen wij u er op, hoe na ernstig onderzoek van de zijde der Gereformeerden de onhoudbaarheid gebleken is van het begrip, dat Dr. Kuyper van „de Voorbereidende Genade” de kerk wilde indragen; alsof daar onder niets anders te verstaan ware dan de gewone leidingen Gods. Krachtdadige wederbrenging en bekeering van al dezulken, die onder het Evangelie opgroeiden, behoeft dan niet meer.
Comrie verstond het anders. Luister maar eens.
„Al die voorafgaande dingen, die men in meer of minderen trap gemeenlijk ziet in de menschen, die tot jaren van onderscheid komen, zijn in hunne eigen natuur en aard geenszins met de zaligheid gepaard, noch hebben den minsten invloed om die te bekomen; maar zijn eigenlijk gesproken, het leven der zonde in de conscientie, waarvan Paulus spreekt, als hij zegt Rom. VII:9, dat toen de wet kwam de zonde weder levend werd, voor welke een ieder openligt, en die alleen gemist worden voor een tijd door de onbegrijpelijke ongeloovigheid aan de waarheid van Gods heilige wet. Schoon zij in en uit hunne eigene natuur niet zaligmakend zijn, nochtans is het Gods gemeene weg, om altoos de wet op de conscientie van bejaarden eerst te gebruiken, om hen daardoor bij zichzelven rampzalig te maken; en zoo men dit niet wil toestaan, dan spreekt men het Woord Gods en de bevinding van alle eeuwen tegen, en maakt zichzelven ten eenenmale bespottelijk en verachtelijk, en men geeft een duidelijk bewijs, dat men nooit zijne ellende door de wet heeft leeren kennen. Dewijl derhalve deze dingen gewoonlijk voorafgaan, in eene mate en trap, die God dan eens grooter met de allerontzaglijkste beroeringen, dan eens met meer bedaardheid in dezelve geeft, zoo is het te vreezen, dat zij, die zich daartegen kanten, zullen bevonden worden tegen God te strijden, dewijl dit Werkingen van den Geest en van het Woord zijn.
„Schoon al de genoemde dingen, die de levendmakinge in de bejaarden voorafgaan, in hunne eigen natuur niet zaligmakend zijn, maar dikwerf overgaan en verdwijnen, ja geheel uitgebluscht worden, door de vijandschap van den wederspannigen en vijandelijken wil, en dat zij gemeen zijn aan sommige verworpelingen zoowel als aan vele uitverkorenen, die tot jaren van onderscheid komen; nochtans gelooven wij heiliglijk, dat God eene bijzondere bestiering en beooging heeft in zijne geheele voorzienigheid omtrent de uitverkorenen, zoowel vóór als na de bekeering”.
Daar komt het op aan. De lijn moet zuiver getrokken worden, zooals Comrie aantoont, zullen wij niet blijken tegen God te strijden. De geheele schrift teekent ons een bijzondere bestiering in Gods voorzienigheid omtrent de uitverkorenen, niet alleen na, ook vóór hun bekeering.
„Hij stelt hen met een oogmerk onder deze tucht van de vorige wet, om hen daarvoor te doen vallen, en om in hen ten onder te brengen al de hoogten van eigen werk, die zich tegen de vrije genade verheffen, en om Zijnen weg voor Christus en de vrije genade te banen, zoodat de Heiland, als Hij hen levend maakt, hen gestaltelijk dood bij zichzelven vindt; de dingen, die hun gewin waren, schade en drek achtend, en onder een gevoel, dat zij zoo geheel dood zijn, dat als de zaligheid om een zucht, of zooveel als een schrapsel van een nagel moest bekomen worden, zij dan voor eeuwig zouden moeten verloren gaan.
„Of er nu — en hier leidt Comrie ons in het hart der zaak — boven en behalve het gezegde, eenig inwendig onderscheid bestaat tusschen de dingen, die de levendmaking voorafgaan, zooals de verworpelingen en de uitverkorenen beiden deelachtig worden, is een vraag van gewicht. Wij kunnen er veilig op zeggen: 10 dat terwijl ze aan de verworpelingen gegeven worden uit Gods rechterlijken toorn, ze den uitverkorenen gegeven worden uit Gods liefde, als een God, die met hen, schoon vijanden zijnde, verzoend is. 20 Dat God een bijzonder oog op hen in dezen houdt, zoodat zij van God bijgestaan en bewaard worden voor de groote uitersten van den diepsten wanhoop en het gaan tot den strop met Judas, enz.”
Comrie, zooals vervolgens in zijn werk te lezen is, legt hier vooral den nadruk op, dat de uitverkorenen zoo gansch verloren en doemschuldig gemaakt worden, dat ze niets meer in of bij zichzelven zoeken, en in den dood gevallen, na de wederbarende kracht Gods, al hun wijsheid, rechtvaardigmaking, heiligmaking en volkomen verlossing in Zijnen Zoon vinden.
En nu houd ik op met theologiseeren, zooals men tegenwoordig smadelijk de bespreking van de stukken, die tot onze zaligheid dienende zijn, noemt. Ik hoop, dat u nog zoo ouderwetsch zult zijn, dat uw verhemelte, niet bedorven door de walgelijke en nietswaardige beuzelingen van krantenschrijvers, smaak vindt in de degelijke spijze onzer vaderen. Indien ons volk wat meer bij hen getafeld had, zou het niet zoo gemakkelijk omgevoerd zijn met allerlei wind van leer.

t.t.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 februari 1901

De Wekker | 4 Pagina's

Aan een vriend te Ulrum (191)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 februari 1901

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken