Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De opgewekte Christus de blijdschap Zijner discipelen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De opgewekte Christus de blijdschap Zijner discipelen

11 minuten leestijd

De discipelen dan werden verblijd, als zij den Heere zagen. Joh. 20: 20b.

Geheel eenig in beteekenis is do opstanding van den Heere Jezus uit de dooden. De grootste verandering is hierdoor teweeggebracht, de rijkste zegen is hieraan te danken, de heerlijkste openbaring mogen we daardoor aanschouwen, de rijkste stof tot blijdschap in den Heere is al het volk van God daarin bereid. Openbaarde zich de Heere vóór dien tijd in dienstknechtsgestalte, en bleek in Zijn vreeselijk lijden en in Zijn ontzettend sterven de diepe vernedering van den Zoon des menschen, aan Wien alles werd volbracht wat van Hem geschreven was, van de opstanding des Heeren af treedt de Zone Gods te voorschijn als de Vorst des levens, als de Overwinnaar van dood en graf. Nu geen voorwerp meer van smaad en verachting gelijk te voren, nu niet meer onderworpen aan allerlei beleediging en smart, maar Christus de Heere, met heerlijkheid gekroond, die in Zijne handen en voeten de teekenen draagt van Zijn allervreeselijkst lijden en ongeëvenaarden strijd, om van nu aan alom zich te openbaren als de Vertreder van den kop der oude slang, als der Koningen Koning en als der Heeren Heere.
Welk eene verandering ook voor de discipelen en de discipelinnen des Heeren. De dagelijksche omgang en het verkeer gelijk te voren heeft nu opgehouden. De opgestane Christus verschijnt wel en openbaart Zich wel aan de Zijnen, maar alles teekent van stonden aan het voorbereidend karakter van een naderend scheiden. Toch zal dit voor de Zijnen geen schade, maar enkel voordeel zijn. Te leven door geloof en niet door aanschouwen, zal de gewichtige waarheid zijn welke nu in praktijk moet gebracht worden. Bekend met al de zwakheden Zijner discipelen, zal Christus niet op denzelfden dag Zijner opstanding ten hemel varen. Nog veertig dagen blijft Hij op aarde. En die veertig dagen zijn een tijd van velerlei verrassingen en bijzondere voorbereiding. Reeds van den eersten morgen der opstanding af zien we, hoe wondervol de Heere Zich als de Levende, als de uit het graf Verrezene aan de Zijnen openbaart. Daarvan getuigt immers de verschijning des Heeren aan Maria Magdalena, die aan da Emmausgangers, de persoonlijke verschijningen aan Petrus en aan Jakobus. En wie kan zich de werkelijkheid voorstellen van hetgeen daar heeft plaats gehad, toen de Heere aan den avond van dien eersten dag Zich in het midden Zijner discipelen openbaarde?
Zij werden verblijd, lezen we, als zij den Heere zagen.
Zoo wordt ons, gelijk de Heilige Schrift dit eigen is, de allerheerlijkste gebeurtenis met eenvoud en soberheid van woorden medegedeeld. Menschen trachten gewoonlijk hunne verhalen op allerlei wijze op te sieren. De Heilige Schrift plaatst ons eenvoudig voor feiten en daadzaken, die uit haar aard zoo heerlijk zijn, dat versiering van menschen daar niet alleen bij gemist kan worden, maar daarenboven veel schade en nooit eenig voordeel er aan toe kan brengen.
Vergaderd met gesloten deuren, om de vrees der Joden, zijn Jezus’ discipelen, met uitzondering van Thomas, aan ’t spreken met en onder elkander over de gebeurtenis welke hen allen met de grootste belangstelling vervult. Van Maria hebben zij reeds vernomen dat zij den Heere had gezien. Ook de Emmausgangers en Petrus deelen hunne ervaring mede. Twijfeling en bekommering tracht zich echter gedurig van hen meester te maken. En dan die vrees der Joden — zij wisten immers hoe men over Jezus had geoordeeld, hoe men met Hem had gehandeld, en wat stond hun te wachten, als ’t bekend werd dat zij als aanhangers en volgelingen van Jezus daar met elkander vergaderd waren? Menschenvrees kan zoo veel goed bederven, van zoo veel genot berooven, zoo velerlei schade veroorzaken! Die vrees alleen kan den mensch zoo ongeschikt en onbekwaam maken tot geestelijke genietingen. Evenwel Jezus’ komst alleen is genoeg om die vrees te doen verdwijnen. En wat gebeurt er? Terwijl zij spraken met en onder elkander, kwam Jezus en stond in het midden en zeide tot hen: Vrede zij ulieden! En dit gezegd hebbende toonde Hij hun Zijne handen en Zijne zijde.
Plechtige stilte volgt als in een oogwenk. De discipelen zien elkander roerloos aan. Wie staat daar voor en onder hen? Wie is het die hen daar zoo wondervol met dat veelbeteekenend „vrede zij ulieden” begroet? Mogen ze hun oogen wel gelooven? Zijn ze soms in te hoog gespannen verbeelding? Maar neen, ’t is geen fantasie, maar werkelijkheid, ’t is geen droombeeld, maar leven dat zij aanschouwen, ’t Is de Meester, ’t is de Heere, die daar als de levende Christus voor hen staat. Zijn stem is het die met zulk een vriendelijken avondgroet hen verrast.
Der woorden en der gedachten vol, staren allen den Vorst des levens aan. Hij is dood geweest, maar is weder levend geworden en leeft nu tot in alle eeuwigheid! En zijn die discipelen eerst nog in twijfel en in vrees, zóó zelfs, dat zij meenden een geest te aanschouwen, konden ze het van blijdschap nog niet gelooven dat het waarlijk Jezus was — de Heere zal hen van alle vrees en twijfel verlossen en volkomen overtuigen door met hen te eten, dat Hij waarlijk de Persoon is, aan Wien ook zij de zaligheid hebben te danken. Hun blijdschap wordt daardoor zoo onbegrijpelijk groot, dat nooit in woorden kan worden uitgedrukt wat zij in die oogenblikken hebben gevoeld. Gevoel is voor geen beschrijving vatbaar. Naarmate men zich weet te verplaatsen in den tijd en in de omstandigheden waarin zij verkeerden, naar die mate kunnen we beseffen wat het inhoudt, als we lezen dat deze jongeren des Heeren verblijd werden, toen ze den Heere zagen. Zij waren Jezus kwijtgeraakt uit het gezicht. En nu kan de één zeggen: zij waren toch bekend met Jezus’ eigen voorzegging; en een ander kan zeggen: zij waren toch geloovige menschen en dezulken kunnen toch nooit ’t geloof geheel verliezen; en een derde kan vragen: moesten zij niet kalm en geloovig hebben afgewacht de dingen die komen zouden? Maar al dergelijke redeneeringen verraden slechts groote onkunde omtrent de werkelijkheid van het leven. Die menschen waren menschen gelijk alle andere. Ook wij moesten nooit vrees hebben voor menschen. Ook wij moesten, als we discipelen en discipelinnen des Heeren zijn, steeds geloovig ons verlaten op des Heeren Woord. Ook wij moesten nimmer twijfelen aan de toezeggingen des Heeren aan al Zijn volk gedaan. Maar leert ons de waarheid van des Heeren Woord niet dat zelfs de allerheiligste nog maar een klein beginsel heeft van die volmaakte gehoorzaamheid des geloofs? Leert de ervaring niet dat al Gods kinderen diep afhankelijke schepselen zijn en blijven? En al is het geloof in den geloovige niet geheel weg, toch kan er immers vele en velerlei bekommernis zijn. Allermeest als ge, gelijk de discipelen, Jezus uit het gezicht verliest.
De omstandigheden waaronder we leven, kunnen grootelijks onderscheiden zijn, maar de hoofdzaak blijft hetzelfde. Zoo ook wat betreft de blijdschap des geloofs. Het leven des geloofs is rijk aan afwisseling. Maar alle ware blijdschap grondt zich in het zien van Christus. Alle wetenschap, alle bevinding, waar Christus in gemist wordt, heeft geen waarde voor de eeuwigheid. Al spreekt ge nog zulke groote dingen, al zijt ge een wonder in de oogen van anderen, al overtreffen uwe idealen en voorstellingen die van alle anderen — Christus te zien in uw weg, in uw leven, in uwe kennis, in uwe bevinding, dat is alles, daar komt het op aan. Alle andere blijdschap vergaat gelijk zij komt. De blijdschap die uit Christus is, vergaat niet Zij is wel onderworpen aan vermeerdering en vermindering, maar vergaan zonder vrucht achter te laten doet zij nooit.
Staan ons verder geen bijzonderheden vermeld van de blijdschap van Jezus’ discipelen, toen zij aan den avond van den dag der opstanding den Heere zagen, het laat zich gemakkelijk verklaren waarom dat zien hun zulk eene stof van bijzondere blijdschap was. Niet alleen was de tegenwoordigheid des Heeren hun boven alles dierbaar, maar in en door het aanschouwen van den levenden, van den uit den dood verrezen Zaligmaker werden hun de allsrgewichtigste levensvragen beantwoord. Iets te weten en het grondig te verstaan is nog zoo onderscheiden. Zij wisten dat de Heere gezegd had uit de dooden te zullen opstaan ten derden dage. Zij wisten in betrekking lot alles wat de Heere had geleden, dat alle deze dingen alzoo moesten geschieden. Doch hoe veel menschen zijn er niet die, als het alleen op weten aankomt, o zooveel kunnen zeggen. Weten alleen is echter niet genoeg. Wel is er geen oprecht geloof zonder kennis, maar ’t geloof is meer dan kennis. Het is niet alleen een zeker weten en voor waarachtig houden alles wat God in Zijn Woord heelt geopenbaard, maar ook een zeker vertrouwen door den Heiligen Geest in ’t hart gewerkt. En wat kon nu meer en beter des Heeren discipelen in hun geloof en vertrouwen sterken, dan volkomen overtuigd te worden dat Jezus, van Wiens lijden en dood zij kennis droegen, nu waarlijk was opgestaan? De opstanding toch was de kroon op het Middelaars werk van den Heere Jezus. De Emmausgangers waren ook discipelen des Heeren, en hoe hooren we desniettemin hen zeggen: »Wij hoopten dat Hij was Degene die Israël verlossen zou.«
Iets te bespreken of te doorleven is ook nog zoo grootelijks onderscheiden. Nooit had iemand een geschiedenis doorleefd gelijk aan die welke des Heeren jongeren doorleefden. Zij stonden niet, gelijk wij, achter de geschiedenis. Zij stonden er eerst vóór, en kwamen er later in. Men moet zich dan ook trachten geheel in hunne geschiedenis te verplaatsen, zullen we ook maar eenigszins kunnen verstaan, waarom en hoe groot hun blijdschap moet geweest zijn toen zij den Heere zagen. Wat al gedachten en verschillende gewaarwordingen hebben hunne harten vervuld van dat oogenblik af dat zij hun Heere en Meester in den hof zagen gevangen nemen. Wie zal zeggen hoe veel bedenkingen zij van anderen hebben gehoord, en hoe geweldig de aanvallen des Satans waren aan welke zij hebben bloot gestaan? Toen het lichaam van Jezus rustte in het graf was het voor hen een tijd dien we ons voorstellen eenig geweest te zijn in hun leven. Maar hoeveel donkere wolken zich ook samenpakten voor hunne oogen, en hoe eenzaam en verlaten zij zich ook mogen gevoeld hebben, de Heere had beloofd: »Ik zal u geen weezen laten.« En thans, nu zij op den opstandingsdag Jezus mogen zien, treedt zichtbaar voor hunne oogen de Heilige Schrift in vervulling: »Gij zult mijne ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten dat Uw Heilige de verderving zie.« In vollen glans is de Zon der Gerechtigheid opgegaan. De macht der vijanden is beschaamd. Christus de Heere heeft over alle vijanden gezegevierd. De steen door de bouwlieden verworpen is door God ten hoofd des hoeks gelegd.
Zulk een Zaligmaker en Verlosser is gepast voor al hunne behoeften. Als de Vredevorst staat Jezus in hun midden. Vrede verworven door het bloed dei kruises zal hun deel zijn. Dien vrede hebben zij en hebben alle geloovigen met hen alleen aan Hem te danken. Wie door het geloof in het evangelie der opstanding Jezus mag zien, mag zien gelijk Hij is en gelijk de Heere Zich heeft geopenbaard, vindt daarin dan ook stof tot onuitsprekelijke blijdschap. Hij die door Zijn bitter lijden en sterven de zaligheid heeft verworven, is door God den Vader luistervol verhoogd en kan nu ook den Zijnen de door Hem verworven zaligheid toepassen. Draag de bewustheid in u om van eigen nietigheid, onbekwaamheid en afhankelijkheid, wees ontmoedigd, verlegen, arm en onwaardig in eigen schatting, maar ziende op Hem, die als uw Verlosser u toeroept: »Heb goeden moed, want Ik heb de wereld overwonnen«, gaat ge voort in de kracht des Heeren om uw loop te loopen, uw strijd te strijden, om door den levenden Christus gesterkt, getroost en bemoedigd te hopen op des Heeren Woord. De discipelen hadden de belofte ontvangen, zij zouden Jezus zien. En diezelfde belofte, zij het dan ook in gewijzigden zin, heeft de Heere aan al Zijn volk gedaan, Zij zullen Jezus zien. Hier door het geloof, en eens hiernamaals in zalig aanschouwen. Dan, ja dan zullen alle vragen worden opgelost, alle twijfelingen voor altijd een einde nemen. Dan geen klachten, geen tranen, geen angsten, geen smarten, geen dood, geen scheiden meer. Met Christus opgewekt en tot Hem in heerlijkheid opgenomen, zullen de gekochten door Jezus’ bloed altijd met den Heere wezen.
Zoo dan vertroost elkander met deze woorden.

»Wien heb ik nevens U omhoog, —
Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog
Op aarde nevens U toch lusten …«

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 april 1901

De Wekker | 4 Pagina's

De opgewekte Christus de blijdschap Zijner discipelen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 april 1901

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken