Bekijk het origineel

Jezus door Maria gezalfd

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Jezus door Maria gezalfd

12 minuten leestijd

„Maria dan genomen hebbende een pond zalf van onvervalschten zeer kostelijken nardus, heeft de voeten van Jezus gezalfd en met hare haren Zijne voeten afgedroogd, en het huis werd vervuld van den reuk der zalf.” Joh. 12: 3.

Bethanië, het vlek nabij Jeruzalem gelegen, wordt door een anderen evangelist genoemd als de plaats waar Maria haar liefdewerk heeft verricht. Zelfs het huis van Simon den melaatschen wordt genoemd, ter nadere aanwijzing, waar deze zoo treffende en zinrijke gebeurtenis heelt plaats gehad. Op Zijne laatste reis naar Jeruzalem vertoeft de Heere dan te Bethanië, de plaats waar het bekende drietal, Maria, Martha en Lazarus, woonde, en waar de. Heere meermalen een liefelijke rustplaats had gevonden, ’t Is een bijzonder gezelschap dat hier ten huize van genoemden Simon aan tafel is vereenigd. Jezus bevindt ziek hier met Zijne twaalf discipelen. Simon, bijgenaamd de melaatsche, is de man die door Jezus van zijne melaatschheid genezen was. Ook Lazarus, dien de Heere uit den dood had opgewekt, werd onder de aanzittende gasten geteld. In dit tweetal werd op aanschouwelijke wijze gepredikt de liefde en de almacht des Heeren. Terwijl deze allen daar aan tafel zich bevinden, volbrengt Maria de taak waartoe de liefde haar drong: zij zalfde Jezus, door haar kostelijken en onvervalschten nardus uit te gieten op Zijn hoofd. Daartoe brak zij den hals van de albasten flesch, zoodat de nardus van Jezus’ hoofd op Zijne voeten afdroop. Daaruit moet verklaard, dat de eene evangelist melding maakt van het hoofd en een ander van de voeten des Heeren, welke door Maria zijn gezalfd.
Wat die gezegende discipelin des Heeren hier deed, was een daad van groote beteekenis, én in betrekking tot haar eigen persoon én in betrekking tot al de aanzittende gasten, bijzonder in betrekking tot den Heere Jezus, en ten laatste ook in betrekking tot de gemeente des Heeren van alle volgende eeuwen.
Maria, waarschijnlijk Maria van Bethanië, de zuster van Martha en Lazarus, was de vrouw die hier dat liefdewerk in betrekking tot den Heiland verrichtte. Het offer dat haar liefde hier bracht was inderdaad niet gering. De geschiedenis leert ons, van welk eene hooge waarde deze nardus was. Wie weet hoe lang en hoe zorgvuldig deze kleine schat was bewaard. Wie zal zeggen daarenboven of er niet menig oogenblik in het leven van Maria was voorbijgegaan, waarin zij dezen nardus goed van de hand had kunnen doen en de opbrengst ten eigen bate had kunnen aanwenden. Dat zij nu bij deze gelegenheid niet spaarzamelijk te werk gaat, maar geheel dezen schat aan Jezus ten offer geeft, bewijst klaar als de dag, welk een innige liefde tot den Heere haar hart vervulde.
Waar de liefde, de ware, zuivere liefde handelend optreedt, zien we hier van hoedanigen aard zij is. Dan valt er weinig te rekenen, weinig te overleggen of te raadplegen, de liefde spreekt dan door daden. Liefde duldt geen beknibbeling, liefde laat niet afdingen. Liefde is niet traag. Liefde tot den Heere Jezus is werkzaam in haar aard, kenbaar aan baar vrucht, er gaat kracht van haar uit. Die liefde overwint alle bezwaren, luistert naar geen dwaze redeneeringen, stoort zich niet aan anderen; liefde zoekt zichzelven niet. Die liefde eert Christus als den Gezalfde Gods. In Hem erkent zij, als de liefde des geloofs, den Eeniggeborene van den Vader, vol van genade en waarheid. Maria! Welk een eenig oogenblik in uw leven, waar ge op zulk eene wijze, met het ledigen van de nardusflesch, uw geheele hart uitstort voor Hem dien gij boven alles liefhebt! Ja, boven alles heeft Maria Jezus lief. Op geheel eenige wijze heeft zij het onderwijs des Heeren ter harte genomen. En wat zij weldra niet meer zal kunnen doen, daar kiest zij nu de juiste gelegenheid voor uit, om Jezus te zalven.
Dieper dan men oppervlakkig beschouwd zou vermoeden, ziet haar geloofsblik. Verder dan het zich uitwendig laat aanzien, strekt de beteekenis van haar daad. Hoe menschen daar ook over oordeelen, de Heere kent haar hart, en Hij weet wat haar bewoog lot deze zoo geheimvolle handeling. Als des Heeren Woord weldra zal vervuld worden, als Jezus door de handen der zondaren gevangen, gebonden en gedood zal worden, dan zal Maria reeds bij voorbaat hebben gedaan, wat zij gaarne aan den geliefden doode zou doen, maar daartoe niet in de gelegenheid zal zijn. Veel meer dan louter een vriendschapsdaad kenmerkt zich deze handeling van Maria, die onder den invloed des Heiligen Geestes een daad verricht, ons als een daad van een profetisch karakter geteekend.
Wat Maria deed was een daad van groote beteekenis, ook in betrekking tot de met Jezus aanzittende gasten. Immers zolk eene daad moet onwillekeurig aanleiding geven tot instemming of tot afkeuring. Er zijn dingen in het leven waarbij liet uiterst moeielijk, zelfs beslist onmogelijk is, neutraal of onzijdig te blijven. Ondanks zichzelven openbaart de mensch wat in zijn binnenste omgaat. Zoo is het onder meer ook met het Woord Gods. Waar dat Woord komt, keert het nooit ledig terug. Men wordt door het Woord voor het Woord gewonnen, of de mensch openbaart zijn vijandschap tegen God en keert zich van dat Woord af. En wat geschiedt nu ten huize van Simon den melaatsche? Wat menschen niet konden vermoeden, moet, naar aanleiding van wat Maria deed, openbaar worden: er is één mensch in dat uitgelezen gezelschap, die ons herinnert aan de bekende spreuk: dat één doode vlieg de zalf des apothekers doet bederven. Door hetgeen Maria doet wordt Judas geërgerd. Schijnbaar met de beste bedoeling wordt door hem eene opmerking gemaakt, waardoor feitelijk de daad van Maria wordt veroordeeld, het geheele gezelschap ontsticht, en een allerongelukkigste verhouding tot den Heere Jezus in dien Judas Iskarioth openbaar wordt.
„Waarom is deze zalf niet verkocht voor driehonderd penningen en den armen gegeven?” Hoe lief en hoe vroom klinkt dit van de lippen eens mans, die naar het scheen zoo bezorgd was voor de armen, en daarin toch immers een bewijs gaf van zijne welmeenendheid en goeden zin! Maar neen, wat Judas openbaart als zoodanig is slechts schijn. ’t Is minder om de armen dan wel om zichzelven goed te doen, zooals de geschiedenis leert dat Judas een dief was, de beurs had, dus als penningmeester fungeerde en zich nu van een kostelijke gelegenheid beroofd zag om zichzelven te verrijken.
Wat Judas sprak, vond aanvankelijk instemming ook bij andere discipelen. Mattheus spreekt in het meervoud en zegt, dat Zijne discipelen dat kwalijk namen. Men vermoedde niet dat hier een adder onder het gras zat. Men dacht er zoo spoedig niet over na, dat men immers aan Jezus niet te veel kan geven. Ach welk een bittere smart moeten de woorden van Judas Maria hebben veroorzaakt. Zij wordt als met dolksteken in haar teeder beminnend en liefdevol hart gewond. Gelukkig voor deze diepbedroefde discipelin des Heeren, dat er Eén hier tegenwoordig, is, die de bedoelingen van Judas, maar ook de beweegredenen van Maria kent en doorgrondt. Met het »laat af van haar” neemt Jezus Maria in bescherming. Judas wordt afgewezen, de anderen terechtgewezen en Maria’s daad wordt onvoorwaardelijk door den Heere goedgekeurd en geprezen.
Wat hierbij in aller hart is omgegaan, is niet te beschrijven. De gedachte ligt zoo voor da hand, en wordt zoo zeer door de historie bewezen, dat Judas van nu afgelegenheid zoekt om zich op zijnen Meester te wreken, dat de andere discipelen meer of min beschaamd en verlegen het onderwijs des Heeren ter harte namen, en dat in het hart van Maria de woorden des Heeren als balsem dienden om haar smart weg te nemen en haar blijdschap en vreugde te doen smaken, door het geloof in Hem dien zij zoo innig en zoo hartelijk lief had.
Jezus door Maria gezalfd. Dat liefdewerk aan den Heiland verricht was voor Jezus zelf van zoo groote beteekenis, gelijk dit blijkt uit hetgeen de Heere zelf hieromtrent getuigt: „Zij heeft dit gedaan tot eene voorbereiding van Mijne begrafenis.” Hij die van eeuwigheid van God den Vader was gezalfd tot Profeet, Priester en Koning, en die gedurende Zijn openbaar optreden onder het volk bewezen had te zijn de van ouds beloofde Messias, op Wien de Geest des Heeren rustte, de Gezondene des Vaders tot dat heerlijk einde als reeds door een Jesaja aan zijne tijdgenooten was bekendgemaakt, Hij van wien de dichterprofeet had gezongen: „Gij zijt veel schooner dan de menschenkinderen, genade is op Uwe lippen uitgestort,” Hij die daar henengaat als de Zoon des menschen, aan Wien volbracht zal worden al wat van Hem geschreven is — Hij wordt door Maria gezalfd en daarmede ten doode gewijd.
Welk een geloof waardoor die Maria handelend optreedt. Welk eene erkentenis in betrekking tot Hem Wiens onderwijs ook door Maria is genoten, bij wie dit tot zulk eene heerlijke vrucht was gerijpt. Niets kon aangenamer zijn voor den Heere Jezus, dan de aanschouwing van zulk eene geloofsdaad, welke tevens zulk een veelbeteekenende prediking ook voor anderen was. Niet de waarde van dien kostelijken nardus, maar de erkenning van haar Heere en Zaligmaker welke zich daar zoo duidelijk in uitsprak, was den Heere welgevallig.
Daartoe was Gods Zoon in de wereld gekomen, om te zoeken en zalig te maken wat verloren was. Als geheel Jeruzalem bij Jezus’ intocht in uitbundig gejuich haar Hosanna’s aanheft, zien we Jezus weenen over de helaas zoo verblinde stad. En hier, waar het scheen dat eene vrouw zich aan verkwisting schuldig maakte, hooren we Maria door Jezus prijzen, want zij heeft gedaan hetgeen zij kon. Daarom zeide de Heere: „Wat doet gij deze vrouw moeite aan, want zij heeft een goed werk aan Mij gedaan. De armen hebt gij altijd met u, en wanneer gij wilt, kunt gij hun weldoen, maar Mij hebt gij niet altijd.” En wat kan grooter eer voor Maria zijn, dan hetgeen de Heere ten laatste omtrent haar getuigt in deze woorden: „Voorwaar zegt Ik u; alwaar dit evangelie gepredikt zal worden in de geheele wereld, daar zal ook tot hare gedachtenis gesproken worden van hetgeen zij gedaan heeft.”
Hieruit blijkt dat de daad van Maria van groote beteekenis is en blijft, ook in betrekking tot de gemeente Gods van alle volgende eeuwen. Van de gemeente gaat de prediking des Evangelies uit. Zij is de pilaar en vastigheid der waarheid, draagster en bewaarster der goddelijke waarheid, geroepen door middel van des Heeren dienaren om het evangelie te prediken aan alle creaturen. En als dan overal waar dat evangelie wordt gepredikt, naar des Heeren Woord, ook in gedachtenis zal gebracht worden wat Maria eenmaal deed ten huize van Simon den melaatschen, dan behoeft het geen nader bewijs, dat de Heere zulks goed en nuttig heeft geoordeeld. Een uitgebreid veld ligt hier dan ook voor ons open tot leering en onderwijs. Om slechts iets te noemen, besluiten we onze korte overdenking met dit weinige, dat den opmerkzamen. en aandachtigen lezer allicht stof zal bieden tot uitbreiding.
Allereerst wijzen we dan op het bijzonder Godsbestuur, waardoor tijd, plaats, personen, gelegenheid, alles saam moet werken tot uitvoering van Gods aanbiddelijken raad. Zoo lang bleef Judas als een geveinsde, als een huichelaar gespaard en verschoond. Van nu af zal het blijken, dat zijn hart niet recht was voor God, dat zijne liefde tot den Meester schijn en geen werkelijkheid was. Zoo wordt op des Heeren tijd het onkruid en het kaf onder de tarwe kenbaar.
Dan, voor Maria bleek niets te veel, te duur of te moeielijk als het den persoon des Verlossers gold. Dit teekent zoo duidelijk de ware liefde in onderscheiding van al dat halfslachtige, waar de wereld zoo vol van is. Maria gaf wat zij had, en ’t voornaamste daarbij was: zij gaf haar hart aan den Heere. Al gaaft gij al uw schatten, en ge gaaft uw hart niet, dan zou het allervoornaamste daarbij ontbreken.
Het geheele huis, zoo lezen we, werd vervuld met den reuk der zalf, en evenzoo kan één enkele geloofsdaad meer vrucht, meer aangenaamheid en blijdschap ouder al het volk van God te weeg brengen, dan o zooveel andere dingen, waar de wereld voor een oogenblik de loftrompet wel over doet hooren, maar die spoedig vergeten zijn.
Niet begrepen te worden is eene smart waar duizenden over hebben moeten klagen. Wat daaruit kan voortkomen, is niet te zeggen. Hier scheen het ook, dat niemand begreep wat Maria met haar liefdewerk bedoelde. Gelukkig dan voor de oprechten, als zij door menschen, soms zelfs door de vromen, verkeerd worden beoordeeld, dat de Heere aller overleggingen en bedoelingen doorgrondt. Op Zijn tijd gaat voor de oprechten het licht op in de duisternis, en worden ook de booze openbaar.
En welk een dierbaar onderwijs geeft de Heiland ten slotte omtrent de armen. Er zullen armen zijn en blijven. Al het pogen van de wijsheid dezer eeuw om het onderscheid van standen in de maatschappij op te heffen, is ijdelheid. Zoo gij wilt, zegt de Heere, kunt gij de armen weldoen. Wie Jezus liefheeft, heeft ook de arme leden van Jezus’ lichaam lief. De Heere heeft ze ons aanbevolen. Van die armen zal eenmaal blijken of gij ze om Jezus’ wil hebt liefgehad, hun koude ledematen hebt verwarmd, hun honger met brood hebt gestild, maar ook een woord van verkwikking en bemoediging voor die armen hadt. Dan zal de Heere zeggen: Wat gij aan hen hebt gedaan, dat hebt gij aan Mij gedaan, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal Ik u zetten, ga in in de vreugde uws Heeren!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 februari 1902

De Wekker | 4 Pagina's

Jezus door Maria gezalfd

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 februari 1902

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken