Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Vereeniging met Christus

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Vereeniging met Christus

11 minuten leestijd

„Want indien wij met Hem ééne plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zoo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding.” Rom. 6 : 5.

Juiste kennis te bezitten van de betrekking waarin ieder mensch tot Adam, en ieder geloovige tot Christus staat, is voor ieder mensch van ’t hoogste belang. Alle ketterijen en dwalingen omtrent de leer der zaligheid ons in Gods Woord geopenbaard, komen in hoofdzaak hieruit voort, dat men niet verstaat en niet gelooft wat de apostel in de eerste vijf hoofdstukken van dezen brief heeft geleerd. Duidelijk heeft Paulus ontwikkeld, hoe in Adam hun verbondshoofd aangemerkt, alle menschen verdoemelijk zijn voor God, maar ook hoe van rechtvaardig zijn voor God alleen kan sprake zijn, als men deel heeft door het geloof aan Christus en Zijne gerechtigheid. Onkunde en misvatting van deze waarheden is oorzaak van allerlei dwaling, zoowel in leer als praktijk.
De Christelijke Kerk heeft bij vernieuwing gedachtenis gevierd van de opstanding van Christus. In velerlei talen is het Paaschevangelie over de geheele aarde verkondigd. En op de vraag: wat doet deze blijde en heerlijke gebeurtenis voor alle geloovigen zulk een heilvolle zijn? vinden we in bovenstaande tekstwoorden het antwoord zoo kort, zoo duidelijk, zoo krachtig en zinrijk omschreven. Paulus wijst daarmede aan de bijzondere vereeniging der geloovigen met Christus, ten opzichte van des Heeren dood, maar ook in betrekking tot Zijne opstanding. Het eene is onafscheidelijk aan het andere verbonden.
Op den grondslag reeds in het vorige hoofdstuk gelegd, bouwt de apostel voort, om straks te komen tot de onwederlegbare sluitrede, dat zij die met Christus gestorven zijn, ook met Hem zullen leven. Leven, niet slechts hiernamaals in volmaakte heerlijkheid en gelukzaligheid, maar leven reeds in dit leven als ranken van den geestelijken Wijnstok, vrucht dragende en Gode welgevallig. Een tweevoudige overeenkomst of vereeniging wijst de apostel hier aan, en wel als eene gewordene, eene nader omschrevene, eene wondervolle, eene allerzaligste vereeniging.
Dat die tweevoudige vereeniging eene gewordene wordt genoemd, wijst duidelijk aan dat we daarbij aan wat groots hebben te denken. ’t Is dan ook geen getuigenis geldig van alle menschen, maar alleen en uitsluitend van de geloovigen. Niet onvoorwaardelijk van alle gedoopten, maar alleen van hen die met den doop ook de beteekende zaak des doops deelachtig zijn geworden. Het is maar niet het gevolg eener natuureigenschap, het is niet iets dat de mensch slechts door eigen toedoen verkreeg, neen het is een geworden vereeniging, alleen mogelijk door een bijzonder werk Gods. ’t Is of de apostel zeggen wil, ook met insluiting van zijn eigen persoon: wat we te voren niet waren, dat zijn we nu geworden. Het groote onderscheid dat zich in het leven en in de geheele openbaring van ons geloovigen en alle anderen openbaart, is alleen hieruit te verklaren. Oorspronkelijk waren wij aan alle kinderen van Adam gelijk, in zonden ontvangen, in ongerechtigheid geboren en van nature kinderen des toorns Onze voeten waren naar de hel en niet naar den hemel gekeerd; wij waren vijanden van God en leefden zonder Christus. Door de groote verandering welke heeft plaats gehad, is dit nu zoo geheel anders geworden. Wat we te voren haatten, hebben we nu lief gekregen. Wat we te voren misten, doet ons nu verheugd en verblijd zijn, bezitters te zijn van den allergrootsten schat. De geschiedenis begrepen in dat geworden zijn, is naar omvang en inhoud beide een geheel eenige. Wat een mensch ook worden kan, en wat de historieschrijver ook later van u kan vermelden, dat is het grootste, het voornaamste, het allergewichtigste van alles.
Wat dit geworden zijn inhoudt, omschrijft de apostel nader met de woorden: wij zijn geworden ééne plant, nl. met Christus. Eéne plant, in de gelijkmaking Zijns doods. Gelijk dit elders door denzelfden schrijver wordt uitgedrukt, wil dit zeggen: wij die gelooven, zijn met Christus gestorven. Het woord gelijkmaking duidt een zeer bijzondere betrekking aan. Christus stierf lichamelijk, en de geloovige sterft bij zijn vereenigd worden met Christus op geestelijke wijze. Allerduidelijkst wordt dit met het beeld dat Paulus zelf in het elfde hoofdstuk gebruikt, waar hij spreekt van inenten. De ent die afgesneden wordt, houdt op langer levenssappen te trekken uit den stam waar zij afgenomen wordt. Maar ingeënt op een anderen stam gaat zij dááruit leven. Zoo ook de geloovige. Met Christus door het geloof vereenigd, houdt het Adamietische leven als heerschend levensbeginsel op, en openbaart zich het leven dat uit Christus is. Op de vraag, hoe dat is geschied, zegt Paulus in zijn brief aan de Galaten: „Ik ben met Christus gekruist.” Gelijk de kruisiging een onuitsprekelijke smart veroorzaakt voor het lichaam, zoo ook kent de geloovige zijn smart wat betreft zijn kruisiging, het sterven van zijn zondige natuur. Een broeder wordt in benauwdheid geboren. Menschen die er zoo lichtvaardig over spreken, hebben, naar te vreezen is, er nog weinig van geleerd. Toch staat het vast, dat niemand kan leven met Christus, zonder ook met Christus gestorven te zijn. De vraag of dit niet leiden moet tot een methodistische voorstelling van het geestelijk leven, wijzen we onvoorwaardelijk af. Die vraag komt wel beschouwd hier geheel niet te pas. ’t Gaat hier niet over kwantiteit, maar wel over kwaliteit. De wijze waarop God de Heere deze dingen werkt, is en blijft grootelijks onderscheiden. Maar hoe onderscheiden ook, aan de gelijkmaking, aan de vereeniging tot één plant, hier door den apostel bedoeld, gaat altijd wat vooraf. Daarom geldt ook voor allen zonder onderscheid: die niet wedergeboren is, zal het Koninkrijk Gods niet zien.
We zeggen daarom met nadruk, dat de vereeniging der geloovigen met Christus eene wondervolle vereeniging is. Op allerlei wijze heeft men steeds getracht dit werk Gods na te bootsen. Onder allerlei vorm wil men het doen voorkomen, alsof men waarlijk deze weldaad deelachtig is, doch alle werk Gods is en blijft zoodanig van al het werk der menschen onderscheiden, dat het groote verschil tusschen het eene en het andere duidelijk genoeg is waar te nemen.
Te leven en toch te sterven, te sterven en toch te leven, schijnt op den klank der woorden afgaande, iets onmogelijks te zijn. Toch wordt de waarachtige bekeering des menschen in onzen Heidelberger zoo juist omschreven met te zeggen, dat zij bestaat in de afsterving van den ouden en in de opstanding van den nieuwen mensch. De vereeniging met Christus en de gelijkmaking Zijns doods wijst duidelijk aan, dat de geloovigen in en met Christus gestorven zijn. Hun zonde is in Hem gestraft. De straf die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijne striemen is ons genezing geworden. Maar gelijk Christus niet in het graf is gebleven, maar luistervol is opgestaan ten derden dage, zoo zijn de geloovigen, waar ze ééne plante met Hem geworden zijn, ook deelgenooten, uit kracht eener innige geloofsvereeniging, van Zijne opstanding.
Na Zijne opstanding openbaarde de Heere Zich in een nieuw leven. Geen andere persoon. Dezelfde, die gekruist en gestorven is, die is ook opgestaan. In en met dat leven bewijst Christus, dat Hij den dood heeft overwonnen, het leven en de onverderfelijkheid heeft aan ’t licht gebracht. Die nu ééne plante met Hem is geworden, dankt aan Hem zijn leven, trekt uit Hem alle levenskracht, en wordt daardoor in staat gesteld om vrucht te dragen. Vrucht welke onmogelijk uit den boom Adam kan voortkomen, maar die alleen en uitsluitend te danken is aan de geloofsvereeniging met Christus. Zonder Mij, heeft de Heere gezegd, kunt gij niets doen. De wilde olijfboom draagt geen vrucht, maar geënt, tegen nature, brengt de geënte boom gewenschte vrucht voort.
Wondervol is de vereeniging met Christus, want zij is de uitvoering van hetgeen in Gods raad reeds van eeuwigheid is besloten. Wondervol, want zij doet ons in één en denzelfden mensch de grootste verandering aanschouwen. Wondervol, want daardoor houdt de doodstaat des zondaars op, en geldt van den zoodanige, wat Paulus schrijft aan de gemeente te Efeze: „U heeft Hij mede levend gemaakt met Christus.” De gevolgtrekking door Paulus in onzen tekst gemaakt is zuiver, onbedriegelijk. Dat is geen ijdele philosophie, maar de openbaring des Heiligen Geestes.
„Indien” — met dat woord wordt de voorwaarde aangeduid, op grond waarvan men besluiten mag en moet, deel te hebben aan de rijk gezegende vrucht van Christus’ opstanding. Indien gij volkomen zeker zult zijn van deze genade, komt het er maar op aan of ge reeds ééne plant met Christus zijt geworden in de gelijkmaking Zijns doods. Het is daarbij niet de vraag of ge een nieuwe natuur hebt gekregen, want de natuur van Adam blijft ieder mensch behouden zoolang hij op deze aarde leeft. En het is evenmin de vraag of ge zonder zonde zijt, want ook de allerheiligste in dit leven heeft nog maar een klein beginsel van hetgeen wij Gode schuldig zijn. Maar de vraag waar alles op aankomt, en waarmede alles wordt beslist, is deze: is uw oude mensch met Christus gekruist? Die gekruist is kan nog leven, maar is vastgenageld en kan onmogelijk meer doen, wat hij te voren deed. Is de liefde Gods in uw hart uitgestort door den Heiligen Geest, dan kunt ge geen vijand van God en van Christus meer zijn. We hebben Hem lief omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. Waar uwe blinde oogen zijn geopend, kunt ge onmogelijk langer de hel voor den hemel en den dood voor het leven kiezen. Waar ge alzoo der zonde dood zijt, kan het niet anders of daar volgt dat ge Gode levend zijt in Christus Jezus, onzen Heere. Op de vraag: vanwaar die groote verandering, van waar die gezegende en Godverheerlijkende levensvrucht? is het niet de wijsheid of de kracht van den mensch, maar de vrucht der genade Gods, de vrucht van de geloofsvereeniging met Hem, met Wien ge ééne plant zijt geworden.
Allerzaligst is deze vereeniging, én voor het heden én voor de toekomst.
Eéne plant geworden met Christus, ook in de gelijkmaking Zijner opstanding, staat Gods kind in levensgemeenschap met Christus, met den levenden Christus. En naarmate de bewustheid hiervan gekend en genoten wordt, ziet ge over alle bezwaren en moeielijkheden heen, om met den blik naar boven te leven in vertrouwen dat uw hemelsche Leidsman u niet begeven noch verlaten zal.
Hoe groot, hoe heerlijk, hoe vele zijn de beloften door Immanuel aan Zijn zuchtend Sion gedaan. Wat al rijke vertroostingen heeft de levende, de opgewekte Christus Zijnen geloovigen geschonken. Al wacht hen in deze wereld veel verdrukking, zij kunnen goeden moed houden, want Christus heeft de wereld overwonnen. Al is er veel te strijden en te lijden op den pelgrimstocht door dit leven, schitterend is de kroon, welke aan het einde der loopbaan de getrouwen wacht. Israëls Wachter slaapt en sluimert niet. Als de vuur- en wolkkolom waakt Hij bij dage en bij nachte over Zijn erfdeel. Wel loert Satan als de hellehond op Christus’ schapen om die te verslinden, maar niet één zal er uit Zijne hand worden gerukt. Gekomen om Zijnen schapen leven en overvloed te geven, zal Hij het aan ’t noodige niet laten ontbreken. Als de Heere Uw Herder is, zijt ge gewaarborgd tegen alle kwaad. Nog grooter en nog heerlijker wordt de weldaad der vereeniging met Christus bij de gedachte aan en ’t gezicht op de toekomst. De gedaante dezer wereld gaat voorbij. Aan allen strijd en aan alle moeite komt een einde. Wie zonder Christus heeft geleefd en zonder Hem moet sterven, ziet eens al zijn verwachting en ijdele hoop als in rook verdwijnen. Maar die ééne plant is geworden met Christus, zal ook met Hem in de eeuwige heerlijkheid deelen.
Christus opgestaan zijnde uit de dooden sterft niet meer. De met Hem door het geloof vereenigden kunnen ook niet meer sterven. Alleen leggen zij bij den dood hun lichaam af, dat sterfelijk en verderfelijk is. Maar de ziel zal eeuwig leven met Christus. En ten jongsten dage zal het lichaam, dat in verderfelijkheid als een zaad in de aarde was gelegd, in onverderfelijkheid worden opgewekt. Dan zullen ziel en lichaam met elkander vereenigd, opgenomen in het huis des Vaders, voor altoos bij den Heere zijn. Eerst dan zal ten volle worden verstaan en volkomen kunnen overzien worden de rijkdom der genade en der heerlijkheid van al de gekochten door Jezus’ bloed. Hier kennen we slechts ten deele. Maar dan, als deze bedeeling zal zijn voorbijgegaan en alle goddeloozen vergelding van hunne werken zullen ontvangen, dan zullen de vrijgekochten des Heeren te Sion komen, en eeuwige heerlijkheid zal op hen zijn.
Daarom, die met Christus gestorven en opgewekt is, die zoeke en bedenke de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 4 April 1902

De Wekker | 4 Pagina's

Vereeniging met Christus

Bekijk de hele uitgave van Friday 4 April 1902

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken