Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het oprechte geloof (III)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het oprechte geloof (III)

6 minuten leestijd

Het zaligmakend geloof is niet alleen een goddelijk licht in het verstand, het is ook een goddelijke kracht in den wil. Wij willen daarmede zeggen, dat het geloof der uitverkoornen Gods niet alleen bestaat in eene verlichte of geestelijke kennis en een toestemmen der goddelijke waarheid, maar ook in een hartelijk vertrouwen door den Heiligen Geest in het harte gewrocht. Tot het wezen des geloofs behoort dan ook als derde stuk: het vertrouwen, hetwelk evenmin als een wezenlijk stuk des geloofs kan gemist worden, als toestemming en kennis. Een geloof zonder geestelijke kennis, zonder verlichting des verstands door den Heiligen Geest, is geen oprecht geloof, zooals wij in het vorige stuk hebben aangetoond, maar evenmin is het een waar geloof, als het vertrouwen des harten ontbreekt, al heeft men dan ook nog zooveel kennis. Bileam miste dat derde wezenlijke deel des geloofs; hij had zeer veel verlichting in het verstand, de Heilige Geest schonk hem een inzicht in de toekomst en deelde hem vele verborgenheden mede, zelfs het opgaan van een Ster uit Jakob, doch hij had geen vertrouwen, hij vluchtte niet tot die Ster uit Jakob, tot dien Goël en Redder, door hem voor Israël geprofeteerd. Dat vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door middel van het Evangelie in het hart werkt, openbaart zich dan ook in daden des geloofs, n.l. in een toevlucht nemen tot den Heere Jezus, dat bij den een wel sterker kan zijn dan bij den ander, doch bij al Gods kinderen zich vertoont in een verzaking van alle eigen gerechtigheid, van de zonde en de wereld, en een honger en dorst naar den Heiland en de heilgoederen des genadeverbonds. Waar het oprechte geloof in het hart is gewrocht, daar kent men aanvankelijk zichzelf in zijn snoodheid en verdorvenheid, God in Zijn heiligheid, Jezus in Zijn dierbaarheid, algenoegzaambeid en gewilligheid; men stemt dit alles van harte toe en vertrouwt er zóó geheel op, dat er een dadelijk vlieden van alle ongerechtigheid en een ernstig toevlucht nemen tot den Borg uit geboren wordt. Het vertrouwen behoort dus ook tot het wezen des geloofs. Zegt nu onze Catechismus in Zondag 7 dat het oprechte geloof niet alleen een zekere kennis, maar ook een hartelijk vertrouwen is, dat door den Heiligen Geest wordt gewerkt, dan wordt daar dus van de natuur of het wezen des geloofs gesproken, en niet van het welwezen of een zekeren geloofstrap bij een enkel kind van God maar \ te vinden. Of is alle geloof, hoe klein ook in beginsel, wat zijn wezen of natuur betreft, niet een welwezend geloof? Kan het geloof als genadegave Gods en als vrucht van de werking des Heiligen Geestes in het hart, wel onwelvarend zijn? Immers neen. Een pas geboren kind, hoe klein het ook moge zijn, is toch een volkomen mensch, en heeft in beginsel alles wat een volwassene bezit.
Zoo ook vindt men in het wezen des geloofs alle drie zaken; kennis, toestemmen en vertrouwen. Doch men heeft vooral in het oog te houden, dat wij niet vragen: wat is gelooven of geloof oefenen, doch: wat is geloof? Geloof nu is geen daad, zooals de remonstrant zegt, maar eene gave, eene habitus of hebbelijkheid, een levensbeginsel, de wortel van het geestelijk leven. Dat het oprechte geloof geen daad, maar eene inblijvende hebbelijkheid is, leert ons de Heiland in het gezegde tot Petrus: „Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude”. Tijdens de verloochening door Petrus, openbaarde zich niet de werking des geloofs, integendeel veeleer zijn ongeloof, maar het geloof, als blijvende hebbelijkheid beschouwd, week van hem niet en staat dus duidelijk met de volharding der heiligen in verband. Een kind van God kan dus zeer zwak zijn in de oefening des geloofs, ja zelfs in donkere tijden geen of bijna geen geloof oefenen, terwijl toch de natuur des geloofs en dus het hartelijk vertrouwen in hem is, gelijk het kind wel alle lichaamsdeelen van den mensch bezit, doch klein nog in ontwikkeling.
Hoe geheel onderscheiden nu van hetgeen wij omtrent het geloof schreven, is hetgeen daaromtrent door Dr. Kuyper geleerd wordt en door velen zijner volgelingen in de zich noemende Gereformeerde Kerken gepredikt wordt. Die hoogleeraar zegt in zijn werk getiteld: „Het werk van den Heiligen Geest” 2de deel bladz. 262: „Spreekt men van „kennisse, toestemming en vertrouwen, als de drie stadiën, die het geloofsproces doorloopt, dan is die eerste kennisse, en hierop lette men wel, nog niets dan kennisneming, „die nog luiten alle geloof omgaat .” Volgens deze uitdrukking is dus de kennis, waarvan wij in ons vorig stuk schreven, geen deel van het wezen des geloofs, doch gaat zij nog buiten alle geloof om. Dr. Kuyper spreekt dus van eene kennis, die niet tot het wezen des geloofs behoort, maar noodwendig aan het geloof vooraf moet gaan en waarvan ook de Bijbel getuigt, waar men leest, dat het geloof is uit het gehoor en het gehoor door het Woord Gods. Er kan natuurlijk van geen oprecht geloof sprake zijn zonder kennisneming, dat is kennis verkrijgen door het gepredikte Woord, van datgene wat geloofd moet worden. Maar dan is de kennis of kennisneming, zooals Dr. K. het noemt, niets anders dan een historische kennis en dus geheel onderscheiden in hare natuur van de geestelijke kennis, welke wel degelijk tot het wezen des geloofs behoort. Hoevelen worden er wel gevonden, die kennis bezitten van de Waarheid, die zelfs overreed en overtuigd zijn van hetgeen noodig is ter zaligheid, maar bij wie het nimmer nog kwam tot overgave des harten aan den Heere, tot geheele overtuiging des harten om voor God te leven en de wereld te haten. Agrippa was overtuigd van de Waarheid, hij kende de Schriften, maar met die kennis of kennisneming, zooals Dr. K. het noemt, bezat hij nog niet die kennis, door goddelijk licht, welke een wezenlijk deel des geloofs is, en dus niet die kennis waarvan onze Catechismus spreekt. Calvijn spreekt hierover veel gezonder, zooals wij een volgende maal hopen te vernemen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 april 1902

De Wekker | 4 Pagina's

Het oprechte geloof (III)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 april 1902

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken