Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een vraag en een antwoord (I)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een vraag en een antwoord (I)

9 minuten leestijd

In den Gelderschen Kerkbode wordt ons eene vraag gedaan omtrent eene uitdrukking in het dankgebed na den doop en de vrager meent dat hier koren te vinden is op den molen van hen, die den doop bedienen op grond eener veronderstelde wedergeboorte. Het verblijdt ons zeer dat die vraag wordt gedaan, daar zij eene schoone gelegenheid biedt om ook voor de lezers van „de Wekker” de leer des doops een weinig uiteen te zetten en te wijzen op de baptistische dwalingen, die onder den naam van echt Gereformeerd in onze dagen door de volgelingen van Dr. Kuyper geleeraard worden. Voor de lezers van ons blad zal het dan, hoop ik, duidelijk worden, dat niet wij doopersch zijn, zooals van Gereformeerde zijde al eens beweerd is, maar dat juist de oude dwalingen der Dooperschen of Baptisten in het Nieuw-Gereformeerde kamp schuilen. Allereerst zullen wij onze lezers bekend maken met de vraag van v. S. Zij luidt:
„Als er één kind gedoopt wordt, hoe dienen dan in het formulier van den kinderdoop sommige zinsneden te worden gelezen, als er slechts één te doopen voorwerp is? b. v. in de dankzegging: Wij bidden U ook, door Hem Uwen lieven Zoon, dat Gij dit kind met Uwen Heiligen Geest altijd wilt regeeren, o dat het Christelijk en godzaliglijk opgevoed worde, en in den Heere Jezus Christus wasse en toeneme, opdat het uwe vaderlijke goedheid en barmhartigheid, die Gij hem en ons allen bewezen hebt, moge bekennen, enz.
Zoo luidt de nieuwe lezing, zie uitgave Rutgers. In de vroegere uitgaven, in ons land in gebruik, stond in plaats van het gecursiveerde dit kind, deze gedoopte kinderen. Terwijl vaderlijke goedheid en barmhartigheid noodwendig slaan moet op de weldaden in den allereersten zin van deze dankzegging genoemd: een zin, eindigende met de woorden: en ons dit met den Heiligen Doop bezegelt en bekrachtigt.”
Voor de voorstanders der onderstelde wedergeboorte levert noch die zin in zijn geheel, noch het enkelvoud bij het doopen van één kind, eenig bezwaar op en loopt alles geheel geleidelijk.”
Tot zoover de vraag van den Gelderschen Kerkbode. Wij beginnen met te zeggen dat ook voor ons bij hot doopen van één kind het enkelvoud in ’t geheel geen bezwaar oplevert. Al gebruiken wij niet de uitgave Rutgers, maar de lot nu toe gebruikte lezing, ook als wij één kind te doopen hebben, vragen wij in het voorgebed: „Wij bidden U door Uwe grondelooze barmhartigheid dat Gij dit kind genadiglijk wilt aanzien, en niet, zooals er staat: deze kinderen. Waarom zou er dan bezwaar zijn om ook verder het enkelvoud te gebruiken bij den doop van één kind? v. S. kan zich echter niet voorstellen, zooals duidelijk uit zijn vraag doorschemert, hoe ook wij van dat gedoopte kind kunnen zeggen, dat God Zijne vaderlijke goedheid en barmhartigheid aan hem heeft bewezen, eene vaderlijke goedheid en barmhartigheid, welke bestaat in de weldaad der schuldvergeving, verzegeld en bekrachtigd met den H. Doop, als wij niet veronderstellen dat het wedergeboren is, zooals v. S. doet.
En toch doen wij het, maar wij beschouwen die vaderlijke goedheid en barmhartigheid aan dat gedoopte kind bewezen, geheel anders. De vraag is, hoe en op welke wijze wij ons deze vaderlijke goedheid en barmhartigheid hier hebben te denken. Indien men, zooals v. S. doet, ze onderwerpelijk zou moeten denken, zoo zou hieruit die verregaande ongerijmdheid volgen, dat namelijk de geheele zichtbare gemeente met al hare gedoopte kinderen, en dus ook het zooeven gedoopte kind, in het zaligmakend bezit van Gods vaderlijke barmhartigheid en genade zou zijn, wat met den geheelen geest en inhoud van het doopsformulier in strijd is en bovendien dagelijks door de ervaring wordt gelogenstraft. Zegt nu v. S.: „die vaderlijke goedheid en barmhartigheid moet noodwendig slaan op de weldaden in den allereersten zin van de dankzegging genoemd”, n.l. „de vergeving der zonden door het bloed van Jezus Christus, wij stemmen dit alweder volkomen toe, maar zeggen terstond erbij: v. S. gij verstaat niet wat onze vaderen met die dankzegging voor „de vergeving der zonden door het bloed van den Heere Jezus” bedoelden. Wij kunnen ons de vergeving der zonden tweeledig denken, n.l. onderwerpelijk, wanneer ze gedacht wordt, als door een oprecht geloof omhelsd en aangenomen en door den Heiligen Geest aan het hart geheiligd, zoodat men voor eigen hart de zalige vruchten van het kruis van Golgotha heeft ervaren in de verzekering dat God de zonden in een zee van eeuwige vergetelheid geworpen heeft; maar wij kunnen de „vergeving” ook voorwerpelijk verstaan als eene belofte des genade verbonds, welke zoowel den kinderen der gemeente als den volwassenen gegeven is, gelijk ook in onzen Catechismus antw. 74 gezegd wordt dat „de kinderen zoowel als de volwassenen in het verbond Gods en in Zijne gemeente begrepen zijn en dat hun door Christus’ bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt, niet minder dan aan de volwassenen toegezegd wordt.” Verre er van om dus onderwerpelijke genade in het hart van den doopeling te onderstellen en voor die onderstelde genade te danken, dankt de kerk voor de verbondsbeloften, voor die vaderlijke goedheid en barmhartigheid ons in Gen. 17:7 en Hand. 2:39 beschreven, welke beloften des verbonds met den heiligen doop verzegeld en bekrachtigd worden.
Zóó, voorwerpelijk verstaan, niet als onderstelde genade, maar als belofte des genadeverbonds, kan hier in het geheel geen zwarigheid overblijven en loopt bij ons alles geleidelijk, en het is geheel aan geen twijfel onderworpen, dat het doopsformulier in dezen zin moet worden verstaan. Immers in het gebed vóór den doop wordt gevraagd: Wij bidden U door Uwe grondelooze barmhartigheid dat Gij deze kinderen (of indien er één is, dit kind) genadiglijk wilt aanzien en door Uwen Heiligen Geest, Uwen Zoon Jezus Christus inlijven; opdat zij met Hem in Zijnen dood begraven worden en met Hem mogen opstaan in een nieuw leven, enz. De personen, voor wie dit gebed wordt opgezonden, zijn de kleine kinderen die aan-aanstonds gedoopt zullen worden. Voor hen wordt van den Heere gesmeekt dat God hen in genade wil aanzien en door Zijn Heiligen Geest Christus inlijven, waarmede niet anders kan bedoeld worden dan een bede om genade, om wedergeboorte, om overplanting uit den ouden Adam, in wien zij verdoemelijk voor God liggen, in den tweeden Adam, in den Heere Jezus Christus, en dat de Heilige Geest als de Toepasser der verworven zaligheid hun ouden mensch mocht kruisigen en een nieuw leven in hen verwekken. Uit dit gebed vóór den doop blijkt duidelijk dat het formulier niet van de veronderstelling uitgaat, dat de kinderen reeds vóór hun doop onderwerpelijk wedergeboren, gewasschen door het bloed des kruises en Christus ingelijfd zijn. Hoe zou toch met zulk een veronderstelling dit gebed te rijmen zijn. Of was het misschien bij de opstelling van het doopsformulier gewoonte, om van God af te bidden wat men reeds onderstelde verkregen te hebben? Op die vraag zouden wij wel eens een antwoord van een voorstander der „veronderstelde wedergeboorte bij den doop” willen ontvangen.
Hoe zou het dus mogelijk zijn, dat de opstellers van het formulier, waar zij in het gebed vóór den doop het te doopen kind (of kinderen) zich denken en aan God opdragen als nog buiten Christus en niet door God in genade aangezien, terstond na den doop zouden danken voor dit gedoopte kind, dat God Zijn vaderlijke goedheid en barmhartigheid door onderwerpelijke genade en wedergeboorte er aan betoond heeft? Zouden onze vaderen dan gedacht hebben: vóór den doop is het nog buiten Christus, maar na den doop onderstellen wij dat er genade in is? Neen, ieder zal moeten toestemmen dat in het dankgebed door onze vaderen aan geen onderwerpelijke genade gedacht werd, en dat de vergeving der zonde en de vaderlijke barmhartigheid aan dit gedoopte kind bewezen, niet anders dan verbondsgewijs kan begrepen worden, dat wil zeggen, in de belofte des verbonds aanwezig en als zoodanig aan dat kind geschonken.
God heeft dus „aan het gedoopte kind en ons allen bewezen” niet, zooals de Geldersche Kerkbode veronderstelt, genade en wedergeboorte, maar zooals ons Doopsformulier verzekert, de belofte des verbonds, dat Hij de God van Zijn volk en hun zaad wil zijn, maar onder verplichting van eene nieuwe gehoorzaamheid om dien drieeenigen God aan te hangen, te betrouwen en lief te hebben van ganscher harte, van ganscher ziele, van ganschen gemoede en met alle krachten, de wereld te verlaten, onze oude natuur te dooden en in een nieuw godzalig leven te wandelen, en die belofte des verbonds wordt ons met den Heiligen Doop verzegeld en bekrachtigd. Terecht zegt dan ook ons doopsformulier dat de Doop dient om Gods verbond te verzegelen en niet onderstelde genade in den doopeling. Helaas, dat zelfs bij vele lieve kinderen Gods in onze dagen zooveel misverstand heerscht omtrent sommige uitdrukkingen van ons doopsformulier, zoodat wij er wel ontmoet hebben die meenden dat in het dankgebed na den doop gedankt werd voor onderwerpelijke genade aan den doopeling betoond. Juist daarom wilden wij niet alleen een antwoord geven op de vraag van v. S., dat er bij rechte kennis van de bedoeling der vaderen juist voor ons Christ. Gereformeerden geen bezwaar kan zijn om ook het enkelvoud te gebruiken bij den doop van één kind, maar ook anderen ter nadere toelichting in den breede de beteekenis van eenige uitdrukkingen in de dankzegging na den doop toelichten, om dan ten slotte er op te wijzen hoe juist voor de voorstanders der veronderstelde wedergeboorte bij den doop bezwaren zich opdoen, die met eene uitvlucht goedgemaakt moeten worden, zal, zooals v. S. schrijft, alles geheel geleidelijk loopen. Hierover echter D. V. eene volgende maal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 oktober 1902

De Wekker | 4 Pagina's

Een vraag en een antwoord (I)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 oktober 1902

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken