Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Wedergeboorte vóór de roeping?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Wedergeboorte vóór de roeping?

9 minuten leestijd

J. P. te N. vraagt ons: „Hoe te verstaan de gelijkenis van den zaaier, waarin gezegd wordt dat de goede aarde eene wel toebereide was, wat door de Neo-Gereformeerden verklaard wordt als zou hier de wedergeboorte vóór de roeping geleerd worden?”
Allereerst merken wij hier op dat bij het verklaren van gelijkenissen met de grootste strengheid moet gewaakt worden tegen willekeurige behandeling van deze schoone gedeelten uit Gods Woord. Men lette vooral op de hoofdzaak en op hetgeen als versiering der gelijkenis is bijgevoegd. Bovenal wake men er voor, alles in eene gelijkenis te willen overbrengen op geestelijk gebied. Die uit lederen trek van de gelijkenis een leerstuk wil halen, gaat zeker van het rechte pad. Die uit de gelijkenis van de wijze en dwaze maagden b.v. de stelling put dat er evenveel ware als tijdgeloovigen zijn, is geheel van het spoor. Men staat dan ook op een zeer zwak punt, als men de Gereformeerde (?) leer, dat de wedergeboorte vóór de roeping gaat, uit een gelijkenis moet putten.
Nu willen wij de gelijkenis van den zaaier eens nader beschouwen. De Heere Jezus zelf geeft ons in Matth. 13:19—23, Marc. 4:14—20 en Lukas 8:11b—15 de verklaring. Het zaad is het Woord Gods, de zaaier is, die het Woord zaait, de aarde is het hart van den mensch, waarin gezaaid wordt. Hier wordt dus gesproken van den prediker des Evangelies, die het gepredikte Woord brengt tot menschen die dus onder het Evangelie leven. Nu kan het zaad (Woord Gods) in het ééne vers van de gelijkenis geen andere beteekenis hebben als in een ander vers van dezelfde gelijkenis, dat zou tegen alle regelen der exegese strijden. Er is dus sprake van de uitwendige roeping door het gepredikte Woord. Sommigen blijven daaronder dezelfden, anderen gelooven voor een tijd, doch brengen geen vruchten van waarachtige bekeering voort, bij weer anderen wordt het goede zaad verstikt door de zorgvuldigheden dezer wereld, en bij de vierde categorie zien wij vruchten der bekeering waardig. De verschillende uitwerking van de uitwendige roeping hangt dus volgens den Neo-Gereformeerde daarvan af of het zaad des Woords valt in een wel toebereid of wedergeboren hart ja dan neen. Er is dus ééne roeping met tweeërlei uitwerking. Dit nu is zuiver remonstrantsch en eene geheele verloochening van de inwendige roeping, welke, volgens Gods Woord en onze belijdenisschriften, alleen den mensch tot ware bekeering brengt. Artikel 3 en 4 cap. 9 van de vijf Artikelen tegen de Remonstranten zegt: „Dat velen, die door de bediening des Evangeliums geroepen zijn, niet komen, noch zich bekeeren, daarvan is de schuld niet in het Evangelie, noch in Christus, door het Evangelie aangeboden, noch in God, die door het Evangelie roept, en ook zelfs verscheidene gaven aan hen toebrengt, maar in de geroepenen zelven: van welke sommigen het Woord des Levens uit zorgeloosheid niet aannemen; anderen het wel aannemen, maar in het hart niet inlaten, en daarom na eene voorbijgaande vreugde des tijdgeloofs terugwijken; anderen het zaad des Woords door de doornen der zorgvuldigheden en wellusten dezes levens verstikken en geheel geene vruchten voortbrengen, hetwelk onze Zaligmaker leert in de gelijkenis van het zaad, Matth. 13.” Hier ligt de oorzaak in den geroepene. Wat nu de goede uitwerking betreft in de wel toebereide aarde, dan zegt onze belijdenis niet, dat daar het zaad valt in een wedergeboren hart, zoodat de wedergeboorte aan de roeping door het Evangelie voorafgaat, maar dat de inwendige krachtdadige roeping door Gods Geest de bediening des Evangelies heiligt aan het hart en de zondaar daardoor van dood levend gemaakt wordt en goede vruchten gaat voortbrengen. Art. 3 en 4, cap. 10: „Dat echter anderen, door de bediening des Evangelies geroepen, komen en bekeerd worden, is niet toe te schrijven aan den mensch... maar aan God; Die, gelijk Hij de Zijnen van eeuwigheid in Christus uitverkoren heeft, zoo ook in den tijd hen krachtdadig roept, met het geloof en de bekeering begiftigt en uit de macht der duisternis verlost, in het koninkrijk Zijns Zoons overbrengt, opdat zij zouden verkondigen de deugden Desgenen, die hen uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht, en niet in zichzelven, maar in den Heere roemen, zooals de Apostolische schriften overal getuigen. Voorts, wanneer God dit Zijn welbehagen in de uitverkorenen uitvoert of -— (niet en, zooals Dr. Kuyper in zijne uitgave heeft en daarmede wedergeboorte en bekeering van elkaar scheidt; want waar God Zijn welbehagen uitvoert, daar heeft terstond bekeering plaats, en niet eerst na vele jaren nog in goddeloosheid te hebben geleefd met een wedergeboren hart;) — de ware bekeering in hen werkt, zoo bezorgt Hij niet alleen dat hun het Evangelie uitwendig gepredikt wordt; ook verlicht Hij niet slechts door den H. Geest krachtdadig hun verstand, om recht te verstaan en te onderscheiden de dingen die des Geestes Gods zijn; maar, door de uitwerkende kracht van denzelfden wederbarenden Geest, dringt Hij tot in de binnenste deelen des menschen, opent het gesloten hart, vermurwt het harde, besnijdt het onbesnedene, stort nieuwe hoedanigheden in den wil, en maakt dien van dood levend, van kwaad goed, van niet willende gewillig, van wederspannig gehoorzaam, en beweegt en versterkt dien, dat hij, als een goede boom, vruchten van goede werken kan voortbrengen.”
Hieruit blijkt dus duidelijk dat de Dordtsche Canones de dertig-, zestig- of honderdvoudige vrucht niet toeschrijven aan de weltoebereide aarde of het wedergeboren hart, waarin het zaad des Woords valt, maar aan de inwendige krachtdadige roeping die zich paart aan de uitwendige. Dat deze inwendige roeping niet, zooals de Neo-Gereformeerden leeren, vooraf gaat aan de uitwendige, maar God juist de uitwendige gebruikt als middel tot de wedergeboorte zeggen onze vaderen in die zelfde leerregelen cap. 17: „Gelijk ook die almachtige werking Gods, waardoor Hij dit ons natuurlijk leven voortbrengt en onderhoudt, niet uitsluit, maar vordert het gebruik der middelen, waardoor God, naar Zijne oneindige wijsheid en goedheid, deze Zijne kracht wil uitoefenen; zoo sluit ook deze voormelde bovennatuurlijke werking Gods, waardoor Hij ons wederbaart, (dus de inwendige roeping) geenszins uit, noch stoot omver het gebruik des Evangelies, hetwelk de hoogstwijze God tot een zaad der wedergeboorte verordend heeft”. Let wel: er staat niet: het welk God verordend heeft om als het zaad des Woords in een wedergeboren hart te vallen, maar: tot een zaad der wedergeboorte verordend heeft. Duidelijk leert dus onze belijdenis een uitwendige roeping door het gestrooide zaad des Evangelies, doch ook eene inwendige roeping, waardoor de zondaar van dood levend wordt gemaakt, en deze levendmaking of wedergeboorte niet vóór, maar na of liever door inwendige roeping, waarbij God de uitwendige toepast door Zijn Geest.
Ten slotte keeren wij nu nog eens tot de gelijkenis van den zaaier terug en vragen: leert de Heere Jezus nu dat die weltoebereide aarde een wedergeboren hart is? Met hetzelfde recht als de Neo-Gereformeerde dit leert, kan de Pelagiaan zeggen, dat hier geleerd wordt dat de weltoebereide aarde een hart is dat beter is, dat ontvankelijker is voor genade en dezelve niet wederstaat, gelijk anderen dit wèl doen, en deze kan zich dan ook nog beroepen op de uitdrukking: een eerlijk en goed hart. Zulk een verklaring is echter geen uitlegging, maar inlegging van eigen meening.
Niet de exegese moet aan onze dogmatiek, maar de dogmatiek aan de exegese onderworpen zijn. En hoe verklaart de Heiland zelf de gelijkenis?
Hoofdzaak is de discipelen er op te wijzen dat de prediking der Evangelies niet bij allen vruchten der bekeering voortbrengt. Integendeel bij velen wordt gezien dat de booze het goede woord wegneemt, bij anderen wordt eene opwekking gezien die slechts voor een tijd is, en bij een gedeelte slechts wordt het woord verstaan (Matth.), aangenomen (Marcus), bewaard (Lukas). Daar blijft het niet op de oppervlak te liggen, maar dringt door tot in het diepst der ziel. Het hooren gaat daar gepaard met eene andere werkzaamheid n.l. het verstaan, aannemen, bewaren, hetwelk niet een vrucht is van het vallend zaad, maar van de krachtige inwendige roeping door Gods Geest. Letten wij dus op de verklaring die de Heere Jezus geeft, dan blijkt hier dat Jezus leert dat velen het woord hooren, maar tegenstaan door allerlei oorzaken, maar dat de uitverkorenen het krijgen te verstaan en aan te nemen door Gods Geest.. Laat men echter de verklaring des Heilands wegvallen en gaat men alleen de gelijkenis verklaren door ieder woord eene bijzondere beteekenis te geven, ja dan kan men er inleggen dat de wedergeboorte vóór de roeping gaat, en de weltoebereide aarde een wedergeboren hart is. De vermaning des Heilands aan het slot der gelijkenis: Ziet dan, hoe gij hoort, heeft dan echter geen zin en moest naar de Neo-Gereformeerde leer en uitlegkunde veeleer luiden: Ziet dan dat eerst het hart wedergeboren en geschikt gemaakt wordt om te hooren.
Uit bovenstaande blijkt dus hoezeer de Neo-Gereformeerden afwijken van onze belijdenisschriften met hunne stelling dat eerst de H. Geest den uitverkorene wederbaart en dat God daarna roept door Zijn Woord tot bekeering. De verandering door Dr. Kuyper in zijne uitgave van de Dordtsche leerregels van het woord of in en (zie Art, 3—4 cap. XI) doet ons zien hoe noodig voor hen de verandering onzer belijdenisschriften is. Waren er nu maar geen Christ. Gereformeerden, die verandering zou wel spoedig plaats hebben. Reeds in 1896 benoemde de generale Synode te Middelburg eene commissie tot herziening van art. 36 Geref. Geloofsbelijdenis. Uit vrees voor meerdere beroering in de Geref. Kerken kwam het nog niet tot verandering. Als straks het opkomend geslacht in de Neo-Geref. stellingen is opgevoed, zal het beter gaan en kan behalve art. 36 ook eene herziening van andere artikelen plaats hebben. Artikel 24 Geref. Geloofsbelijdenis zal dan ook wel moeten gewijzigd worden, daar dit ook geen wedergeboorte vóór de roeping leert. Waarde J. P. lees dit artikel maar eens na en beware de Heere niet alleen de Christ. Geref. Kerk maar al Zijn volk, ja vooral ook de kinderen van ons volk voor de Neo-Gereformeerde leer, die in de Gereformeerde (?) kerken geleerd wordt.

D.B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 mei 1903

De Wekker | 4 Pagina's

Wedergeboorte vóór de roeping?

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 mei 1903

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken