Bekijk het origineel

„De Zalker Jongen” (X)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„De Zalker Jongen” (X)

Een vriend der Kamper-School die haar thans beklaagt

5 minuten leestijd

VI.
Protesten

I. TEGEN DE „GEMEENE GRATIE”,-LEER IN „DE HERAUT”.
Men kan even goed zeggen, dat er twee zonnen aan den hemel staan, als dat er zoo’n tweeërlei genade zou zijn. Men wil ons wijs maken, dat God met Zijne „gemeene gratie” in het paradijs tot den zondaar gekomen is, terwijl Hij juist dáár kwam met de zaligmakende genade van Jezus Christus, het Licht der wereld, de Zon der gerechtigheid, gelijk ons Paulus duidelijk maakt in den Brief aan Titus, Hfdst. 2:11 en 12: „Want de zaligmakende genade is verschenen allen menschen”, enz. Derhalve geen andere dan die genade, door welke men zalig wordt; in welke ook de ongeloovige wereld uitwendig deel heeft, zoodat om de verdienste van Christus de geheele wereld liefde-bewijzen van God geniet. Dus nu staat „de Staat” niet op den bodem van gemeene gratie, maar heeft nut van de zaligmakende. Geen staatsman is compleet, tenzij hij de zaligmakende genade in zijn hart heeft, al heeft hij overigens ook nog zooveel gemeene gaven des H. Geestes. Zal dus een staatsman de rechte zijn, dan moet hij van harte Christen wezen. En zoo lang wij zulke staatspersonen niet hebben, heeft men niet, die men hebben moet; en God kan ook niet met een anderen tevreden zijn; want zonder geloof kan men Hem niet behagen.

II. TEGEN DE GISSING VAN DE SCHEPPING IN TIJDPERKEN VAN MISSCHIEN 1000 JAREN.
Daardoor zal men afwijken tot de leer der evolutie of der ontwikkeling, volgens het ideaal der heidensche wijsgeeren. Hoe durft men het wagen, zulke gissingen te maken, daar het uit het Vierde Gebod van de Wet des Heeren zoo duidelijk blijkt, dat God in de zes werkdagen van 12 of 24 uren de wereld heeft geschapen ? We zien duidelijk in Joh. 11, dat er 12 uren in den dag zijn en volgens Matth. 20 in de gelijkenis van den Wijngaard.
Ik herzeg, hoe durft men ’t wagen te zeggen, dat er op den zesden dag wel wat veel zou geschied zijn, om dat in 12 of in 24 uren te doen?

III. TEGEN DIE VAN EEN GEDEELTELIJKEN ZONDVLOED OVER DE AARDE.
Er is in Gen. 6 en 7 geen zweem van om tot zulk een gissing te geraken. Brengt men met zulk eene leer geen twijfel in het hart aan de onfeilbaarheid der H. Schrift? ’t Is mij een gruwel, als ik in de Gemeene Gratie hoor of zie vragen: „Indien de zondvloed over de geheele aarde ware geweest, vanwaar zouden dan de wilde dieren gekomen zijn?” Uit de ark, zegt men, konden ze niet komen, want Noach en zijne zonen konden ze wel tam houden. Ze waren immers in de ark, en, als door een wonder, getemd; gelijk de leeuwen in den kuil van Daniël en de wilde dieren bij den Heere Jezus in de woestijn. Maar, weer in de ruimte komende, konden ze hun oude natuur den vrijen teugel vieren. Men wachte zich dus voor zulke losse gissingen.

IV. TEGEN DE LEER VAN MIDDELLOOZE WEDERGEBOORTE.
Toen God tot Adam kwam, vond Hij dezen toch niet wedergeboren, maar afkeerig van Hem en Zijn Woord. Wien wil men dan nu wijs maken, dat de heidenen zonder Woord van God wedergeboren gevonden zouden worden? Zegt Jezus niet tot Paulus dat Hij hem zond tot de heidenen om hunne oogen te openen en hen te bekeeren van de duisternis tot het licht, van de macht des Satans tot God, opdat zij vergeving der zonden ontvangen en een erfdeel onder de geheiligden door het geloof in Hem? (Hand. 26:18).
En is niet het Woord Gods menigmaal in de Schrift genoemd het zaad der wedergeboorte? Hoe kan iemand nu wedergeboren zijn, zonder dat zaad ontvangen te hebben? Men wordt uit de waarheid geboren, dus uit het Woord Gods en alzóó uit God. Gij zult geen vrucht maaien, waar ge geen zaad gezaaid hebt, Die dat zaad zaait, is de Zoon des menschen en het zaad, zegt Hij, is het Woord Gods; zie maar Matth. 13. En Paulus zegt: „Hebt gij den Geest niet ontvangen uit de prediking des geloofs?” Zegt Jakobus niet: „Naar Zijnen wil heeft Hij ons gebaard door het Woord der waarheid?” (Hfdst. 1:18.) En gelijk het in de natuur is, alzoo ook in het geestelijke: zonder moeder geen kind. En wordt niet in Jes. 54 de Kerk de moeder genoemd? En in den Brief aan de Galaten, dat „Jeruzalem is onzer aller moeder?” Waar dus Jeruzalem niet is, zijn ook geene kinderen van Jeruzalem geboren.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 augustus 1903

De Wekker | 4 Pagina's

„De Zalker Jongen” (X)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 augustus 1903

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken