Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Christus opstanding het fondament onzer Christelijke hoop

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Christus opstanding het fondament onzer Christelijke hoop

10 minuten leestijd

„En indien Christus niet opgewekt is, zoo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof.” 1 Cor. 15 : 14.

Hoe groot en heerlijk feest van Christus’ opstanding is bij vernieuwing door geheel de Christelijke kerk op aarde herdacht. Treffend valt ons Christelijk Paaschfeest saam met de herleving in Gods schepping. Paaschfeest en lentetijd, alles predikt ons nieuw leven. Te midden van zooveel dood en verderf als voortdurend op aarde om ons heen zich openbaren, is en blijft het evangelie der opstanding de bron van de meest heerlijke vertroosting.
De leer der opstanding van Christus is van zoo groote beteekenis, dat zij met recht het fondament genoemd kan worden, waarop het gebouw onzer Christelijke hoop is gegrond. Dit wijst de apostel in bovenstaande woorden duidelijk aan. Wat Paulus den Corinthiers gepredikt heeft, was niets meer en niets minder dan Jezus Christus en dien gekruist. Hij had niet anders voorgenomen onder hen te willen weten. Christus, die voor Paulus het leven was geworden, predikte hij alom als het Leven. Paulus kende geen ander geestelijk leven dan alleen uit Christus. Die in Christus is, die is een nieuw schepel, maar ook deze alleen. Dit zou onmogelijk zijn, als Christus, die op Golgotha aan het kruis gestorven is, niet ware opgewekt. Opgewekt door de kracht des Vaders, en ook opgestaan door Zijn eigen goddelijke kracht. De waarheid en de zekerheid van Christus opstanding bewijst de apostel met historische bewijzen, zoowel als uit de goddelijkheid zijner zending waarbij hij ontvangen heeft, wat hij anderen tot zaligheid verkondigt.
En om nader te bewijzen van welk eene geheel eenige waarde en beteekenis Christus’ opstanding voor de gemeente is, beweert de apostel dat de prediking ijdel en het geloof ijdel is, indien namelijk Christus niet is opgewekt.
De opstanding toch van Christus waarborgt de opstanding aller menschen. En de prediking dat in Christus vergeving is der zonde, voor een iegelijk die gelooft, kan alleen dan waarde hebben, als het vaststaat, dat Christus, die overgeleverd is om onze zonden, ook opgewekt is tot onze rechtvaardigmaking. De prediking van hen, die niet gelooven dat Jezus Christus uit de dooden is opgestaan, heeft dan ook niet de minste waarde voor de eeuwigheid.
Niet van een dooden, maar van de levenden Christus gaat kracht uit. Onze prediking als apostel, wil Paulus zeggen, is ijdel, is te vergeefs, is dwaasheid zelfs, als Christus niet is opgewekt. Onze prediking, zal zij heil en troost bevatten, moet een bevredigend antwoord geven op de vraag, of er nog een middel is om de straf op de zonde bedreigd te ontgaan en wederom tot genade te komen. Zij moet een bevestigend en bevredigend antwoord geven ook op de vraag of we geloovende in Christus, ook eeuwig hier namaals zullen leven met Hem. Nu is door de opstanding uit de dooden krachtelijk bewezen, dat onze Heere Jezus Christus de Zoon van God is, naar den Geest der heiligmaking. (Rom. 1 : 4) De waarheid Zijner heerlijke opstanding is door zoovele historische bewijzen gebleken, dat wie hieraan nog twijfelt, ten slotte aan alles twijfelen moet. Wie in de opstanding van Christus niet gelooft, moet den Bijbel maar sluiten en voor altijd ter zijde zetten. Er is geen feit, dat in de Heilige Schrift met zoovele en klare bewijzen wordt geleerd als dit. Door onwrikbaar vast te houden aan de waarheid dezer leer en onbewogen vast te staan in dit geloof, trots alle geweld door een ijdele wetenschap daartegen ondernomen, zijn we geen navolgers van kunstelijk verdichte fabelen, maar bouwen we voort op het fondament der profetie en apostelen, waarvan Jezus Christus de uiterste hoeksteen is. Met een Petrus kan de gemeente Gods, verheugd in haar Heere en Heiland jubelen: „Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, die naar Zijne groote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot eene levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de dooden”.
Hoe zou er van wedergeboorte en van vergeving der zonden, hoe ook van aanneming tot kinderen Gods kunnen sprake zijn, als Christus niet ware opgestaan. Dan zou de leer dat Christus voor de zonde gestorven is, een troostlooze leer zijn. Hij die als Borg en Middelaar de zonden Zijns volks op zich heeft genomen, daarvoor geleden heeft en gestorven is, moest ook bewijzen dat Hij den dood, den Satan, dat Hij in één woord alle vijandelijke machten overwonnen heeft. Zijn de oorzaken weg, dan houden ook de gevolgen op. Waar geen zonde meer is, daar kan ook geen vloek meer zijn.
Juist door Zijne opstanding uit de dooden is het onwederlegbaar bewijs geleverd, dat Christus de Vorst des Levens, de groote Overwinnaar is, en dat het offer door Hem gebracht door den Vader is aangenomen en volkomen genoegzaam verklaard. Het handschrift der zonde, dat tegen ons was, is aan het kruis vernietigd. De schuld Zijns volks is uitgewischt. Hij is eene verzoening voor onze zonden. Maar zoo noodzakelijk als het was om gerechtigheid en het eeuwige leven te verwerven, zoo noodzakelijk is het ook, dat wij eenen Middelaar en Verlosser hebben, die niet alleen al dat heil verwerft, maar die ook machtig is, dat verworven heil toe te passen. Nu Christus de opstanding en het leven is, komt het evangelie der opstanding tot ons als de prediking van het grootste heil. Nu is die prediking maar niet een ijdel verhaal, zij is geen fantasie, zij is niet de vrucht van menschelijke vinding of wetenschap. Neen, die prediking van den levenden Christus houdt in, dat er genade voor zondaren bereid is. Ook ons geloof in den levenden Christus is nu geen ijdel, geen vruchteloos geloof. Zulk een geloof zou krachteloos zijn. De Schrift zegt: die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven. Het geloof vereenigt met Christus, doet leven uit Christus, en alzoo vrucht voortbrengen waarin God verheerlijkt wordt.
In plaats van ijdel te zijn, zegt het oprecht geloof: In Christus is ons leven. Het leven, dat God de Heere hier door Zijn Geest en Woord, door de daad der wedergeboorte in Zijne uitverkorenen werkt, dat zich in dit leven door deszelfs eigenschappen en vruchten kenmerkt, en dat hiernamaals in volle heerlijkheid zal genoten worden. Door dat geloof ziet ge over dood en graf heen, verzekerd van de zaligheid, die in Christus Jezus is.
Laat dan het ongeloof spotten met de waarheid van Christus opstanding; laat men minachten en verachten de prediking van dit evangelie; laat men ook het geloof in den opgewekten Christus als ijdel beschouwen — maar het vaste fondament ook van deze waarheid staat. En wie op dat fondament bouwt zal niet beschaamd worden.
We mogen nu weenen bij de graven onzer in Christus ontslapenen, maar niet als degenen, die geen hoop hebben. De geloovigen mogen sterven, gelijk als alle anderen sterven, maar die in Christus gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven. En zalig zijn de dooden, die in den Heere sterven. Ach hoe arm is alle troost, waar ’t geloof aan Christus’ opstanding wordt gemist. Dan eindigt al die troost bij den dood, juist als de arme mensch het allermeest behoefte aan troost heeft.
Wie gelooft naar de Schrift in de heiligheid, de waarheid en rechtvaardigheid Gods, die moet ook gelooven, dat God de Heere geen genade kan schenken aan den zondaar ten koste van Zijn goddelijk recht. En daarom één van beiden: de mensch een zondaar zijnde moet voor zich zelven betalen, wat onmogelijk is, of hij moet een Borg hebben die voor hem de schuld betaalt. Nu Christus, de Borg en Middelaar Zijns volks, door Zijn „dadelijke” en „lijdelijke” gehoorzaamheid aan Gods gerechtigheid heeft voldaan, en door Zijne opstanding uit de dooden het bewijs heeft geleverd, dat de schuld der Zijnen is uitgewischt en het eeuwige leven voor hen is verworven, is er ook voor al de Zijnen geen oorzaak meer tot vreezen. Integendeel. Hij die Zijn leven voor Zijne schapen heeft gesteld, zal nu ook het leven, voor hen verworven, overeenkomstig Zijne belofte schenken.
Daarin bestaat nu de bate en heerlijke vrucht van het geloof. Voor degenen die in Christus Jezus zijn, is geen verdoemenis meer. God de Heere zal in eeuwigheid op hen niet meer toornen noch schelden. Zij zijn uit genade om Christus’ wil tot kinderen Gods aangenomen. In dat geloof zegt geheel de Kerk des Heeren het een Paulus na: „En indien wij kinderen zijn, dan zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen Gods en medeerfgenamen van Christus.” Laat men nu maar zeggen dat de prediking van Christus’ dienaren ijdel en dat het geloof in die prediking ijdel is. Neen, zeggen we, dat zou wel zoo zijn, indien Christus niet ware opgewekt. Maar Gode zij dank voor deze zoo onuitsprekelijke genade, Jezus is als de Vorst des Levens opgestaan ten derden dage en Hij heeft zich aan de Zijnen geopenbaard. Met de teekenen der nagelen in Zijne handen en voeten, is zelfs de twijfelende Thomas overtuigd geworden, dat Hij die dood is geweest, weder levend is geworden.
Veertig dagen lang bleef Jezus nog op aarde, om daarna lichamelijk en plaatselijk voor de oogen Zijner apostelen van den Olijfberg ten hemel te varen. Tegenover zoo vele en zulke krachtige bewijzen mag men met recht wel vragen, hoe is tegenspraak dan nog mogelijk. Doch de geschiedenis leert ons, dat reeds in de dagen der Apostelen valsche leeraars de opstanding der dooden loochenden. Zij die Jezus aan het kruis hebben gebracht, zijn de eersten geweest, om ’s Heeren opstanding te ontkennen. Geld hebben zij gegeven om door de wachters, die bij ’t graf hebben gewaakt, den leugen te verspreiden, dat het doode lichaam van Jezus door Zijne discipelen des nachts is weggenomen.
En als in veel later eeuwen het rationalisme en modernisme, met allen die in geen wonderen gelooven, het opstandingswonder als mythe of fabel aanmerken, dan volgt daaruit van zelf, dat geheel de Evangelieprediking, waarvan de levende Christus de hoofdinhoud is, waardeloos is. Want al wil men van die zijde dit volstrekt nog niet toegeven en hoog opgeven van dat zeldzame voorbeeld van gehoorzaamheid en deugden, wat waarde heeft dit alles voor het zondaarshart. Neen, waar behoefte wordt gekend en gevoeld aan verlossing, omdat men weet wat het zegt tegen den vlekkeloos Heilige gezondigd te hebben, daar is wat anders noodig dan gelijk men het wel eens genoemd heeft „een brave Hendriks” geloof. Om getroost te kunnen leven, getroost en zalig te kunnen sterven, is noodig het eigendom te zijn van den Heere Jezus Christus. Naarmate de gegronde bewustheid daarvan in u leeft, zult ge reeds in dit leven u in die zaligheid verheugen met eene heerlijke en onuitsprekelijke vreugde.
Moest de zekerheid van Christus’ opstanding nog bewezen worden, och, wat was dan der Christenen troost arm. Nu dit heerlijk feit op overvloedige wijs bewezen is, zegt Gods kind: niets, ook de dood niet, zal ons scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onzen Heere.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 april 1905

De Wekker | 4 Pagina's

Christus opstanding het fondament onzer Christelijke hoop

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 april 1905

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken