Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Kerk en Staat

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Kerk en Staat

8 minuten leestijd

Het is van algemeene bekendheid, dat de overgroote meerderheid van de Belijdenisschriften der Gereformeerde Kerken „infralapsarisch” zijn’ en dat de leer van „de rechtvaardigmaking van eeuwigheid” ten nauwste samenhangt met het supralapsarisme, waarvan Dr. Kuyper een beslist voorstander is. Van zelf, dat onze drie Formulieren van Eenheid allerminst accoord gaan met Dr, Kuyper’s gevoelen, en ten volle verklaarbaar, dat deze bij de ontwikkeling van zijn gevoelen zich o zoo weinig op de Belijdenis beroept.
Wat echter Dr. Kuyper nog nimmer heeft gedaan, aangetoond, dat zijn gevoelen niet in strijd, maar in overeenstemming met de Belijdenis is, zal Dr. de Moor trachten te doen in zake het stuk der rechtvaardiging. In de „Vijf Stellingen” heeft men kort en zakelijk gezegd: „in de Belijdenisschriften is geen sprake van eene „Eeuwige Rechtvaardigmaking, maar alleen van de „rechtvaardigmaking in den tijd” en door of uit het geloof.” Uit deze stelling hebben de opstellers nu logisch de conclusie getrokken, „dat deze leer dus niet mag voorgestaan noch verdedigd worden, zoomin door geschriften als door prediking en onderwijs,”
Deze conclusie richt zich dus rechtstreeks tegen de voorstanders van de rechtvaardigmaking van eeuwigheid en wijst ze een plaats aan buiten het erf der Gereformeerde Kerk.
Dit nu is Dr. de Moor niet naar den zin en op pag. 23 maakt hij zich op om te gaan aantoonen, dat deze leer en de inhoud van onze Belijdenisschriften zich o zoo goed met elkander verdragen.
Het bewijs dat hij daarvoor levert is echter pover. Want hij begint met te zeggen, „dat de zaak ongeveer evenzoo staat als bij de Heilige Schrift,” en hoe het er daar mee staat, hebben wij vroeger in het licht gesteld. Den eenigen tekst, dien Dr. Kuyper er voor heeft aangehaald, heeft Dr. de Moor losgelaten, zoodat deze leer met geen enkele uitspraak der H. S. kan worden bevestigd. Het staat met de Belijdenisschriften evenzoo, ja Dr. de Moor wil zelfs gaarne erkennen „dat de Belijdenisschriften hoofdzakelijk spreken van de rechtvaardigmaking in den tijd,” maar toch zal hij aan de hand van artikel XXII nog een poging wagen, teneinde „zijn gevoelen” uit en met de belijdenis te staven.
Art, XXII handelt over „onze rechtvaardigmaking door het geloof in Jezus Christus.” - Wie nu dit artikel aandachtig leest, zal dadelijk bemerken, dat er geen letter in staat ten voordeele van dit gevoelen.
Daarin toch wordt nadrukkelijk geleerd, dat wij door het geloof alleen gerechtvaardigd worden, „want het is het geloof en het „geloof alleen, dat Jezus Christus met alle „Zijne verdiensten omhelst, Hem eigen „maakt, en niets anders meer buiten Hem „zoekt.” Nu zouden wij zeggen, dat daar dan toch zoo duidelijk als mogelijk in wordt geleerd, dat de zondaar in den tijd gerechtvaardigd wordt en dat alles wat er ten opzichte van dien zondaar van .eeuwigheid is geschied, den naam van rechtvaardiging niet dragen mag. Neen, zegt Dr. de Moor, juist in dat artikel is niets wat er tegen, maar veel dat er voor pleit. „Immers” zegt hij, „wordt bier niet gesproken van eigendom, maar van bezit, en daartusschen is een niet onaanzienlijk verschil.” Wij zien het verschil niet in. Wanneer Dr. de Moor zegt, dat een minderjarige eigenaar is van alles wat hem als zijn kinderdeel toekomt, dan is dat op zijn zachtst genomen onjuist. Hij heeft daar wel eigendomrecht op, maar het eigendom; krijgt hij eerst met zijn meerderjarigheid, dan pas kan hij met zijn eigendom doen wat hij wil, maar laat hij eens probeeren zijn goederen te verkoopen zoolang hij nog minderjarig ia, zijn voogden zullen het hem wel beletten.
Volgens Dr. de Moor is er echter een groot verschil tusschen deze heiden, een verschil dat hij ten opzichte van het stuk in geding aldus omschrijft: „dat de rechtvaardigmaking van eeuwigheid ons door de verdienende oorzaak van Christus eigenaren der rechtvaardigheid maakt. Het bezit nemen hiervan moet wachten tot we 1° onzen schat kennen; 2° zelf aanvaarden en toeeigenen.
Nu is volgens Dr. de Moor de voldoening, van Christus, onzen eenigen Hoogepriester voor ons, dus onze rechtvaardigheid in Hem, het eigendom, dat wij niet kennen.” Wij hebben dus een eigendom, een schat in Christus, zonder dat wij het weten en zonder dat wij ons recht of onze aanspraak er op kennen, maar hoe ter wereld kan men dat nu toch een eigendom noemen. Een schat buiten ons krijgt toch eerst waarde en beteekenis voor ons, wanneer hij tot ons en wij tot hem in personeele betrekking worden gebracht, zoolang dit uitblijft beteekent die schat voor ons niets en mag die schat den naam van eigendom niet dragen, want dan is het een spelen met het woord „eigendom.”
En nu ontslaat die betrekking op de gerechtigheid van Christus eerst door het geloof, want het geloof en het geloof alleen neemt Christus aan en maakt ons eigenaar van die gerechtigheid, waartoe de Vader ons van eeuwigheid had verordineerd en die Christus in den tijd voor ons verworven heeft.

L. (Leiden) J.

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 augustus 1905

De Wekker | 4 Pagina's

Kerk en Staat

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 augustus 1905

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken