Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Voor de overtreders gebeden

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Voor de overtreders gebeden

11 minuten leestijd

(Jes. 53 : 12 )„En Jezus zeide: Vader; vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.” Lucas 23 : 34.

„Via dolorosa”, weg van smarten, heeft men genoemd den weg van Jeruzalem naar de „Hoofdschedelplaats”, waarlangs Jezus is geleid om gekruist te worden. Ontzaglijk veel was reeds aan dien uitgang uit Jeruzalem voorafgegaan. Onbeschrijtelijk is al het leed en de smarte, den Man van smarten aangedaan. En op den kruisheuvel aangekomen, wacht den geheel eenigen Lijder al het vreeselijke, wat in de kruisstraf vereenigd is.
Daar gekomen, zegt Lucas, kruisigden zij Hem en de kwaaddoeners den eenen ter rechter- en den anderen ter linkerzijde. Zoo hangt dan Jezus aan het kruis genageld, ten aanschouwe van een groote volksmenigte, waaronder de oversten, die met het volk den gehaten Nazarener beschimpen, en de krijgsknechten die Hem bespotten. Als een Lam ten slachting geleid, heeft Hij Zijn mond niet open gedaan. Alleen als de eer der waarheid zulks eischte, heeft de Heere een enkel woord gesproken. Overigens zien we zelfs de laagste aantijging en den schandelijksten laster door Jezus met een welsprekend zwijgen beantwoord. Gedurende de meer dan zes volle uren, dat Christus levend aan het kruis hangt, zien we tot zevenmaal toe Zijn heilig zwijgen afgebroken, om in de bekende zeven kruiswoorden, door verschillende evangelisten ons medegedeeld, de geheel eenige wijze van Zijn lijden en sterven te doen kennen.
Het eerste kruiswoord is een gebed van weinige, maar veelbeteekende woorden, hetwelk aldus luidt: „Vader! vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen.” Reeds dat woord „Vader” heeft op Christus’ lippen een geheel eenige beteekenis. Niemand kan gelijk Hij alzoo God aanspreken. In de diepte Zijner vernedering, in Zijn onuitsprekelijke smarten blijft Christus zich bewust de innige gemeenschap, welke tusschen den Zoon en de Vader bestaat. Dat woord „Vader” bezigt Hij in Zijn bange zieleworsteling in den hof Gethsémané, we hooren het aan het kruis, en zelfs stervende zal het nog van Zijn gezegende lippen worden vernomen in het: „Vader! in Uwe handen beveel Ik mijnen Geest.”
Aandoenlijk is het voor ieder die nog voor aandoening vatbaar is, het woord „Vader” daar op Golgotha te hooren. Hadden we daarbij te doen met een mensch, ja slechts met een mensch als onzer één, wat al gedachten zou dan dit eene woord bij een lijdenden bidder niet kunnen opwekken. Nu is Christus geen mensch als onzer één, naardien Hij God en mensch is, in eenigheid Zijns persoons, maar Hij is dan toch ook waarlijk mensch, den broederen in alles gelijk, uitgenomen de zonde. Hoe kan het hart van een aardschen vader breken, als hij zijn kind in groote smarte het woord „vader” hoort roepen. Zulk een vader, hoe ook bewogen met het lot van zijn lijdend kind, moet als afhankelijk schepsel dat lijden aanzien, machteloos tegenover dit alles. Maar zoo geheel anders is het met Hem, dien de lijdende Immanuel met het woord „Vader” in Zijn gebed aanspreekt, want deze is God almachtig, voor Wien geen ding te wonderlijk is. Dit waarborgt volkomen de verhooring van het gebed van Hem, die wel overgeleverd is, maar daarom en daarmee niet ophoudt de Zoon Zijner eeuwige lietde, de Zoon Zijns welbehagens te zijn. „Vergeef het hun”, welk een bede! Welk een tegenstelling, die bloedgierige en moordzuchtige, die beschimpende en met den Heilige Gods spottende menigte, tegenover dien zachtmoedigen, geduldigen, vreeselijk lijdenden en biddenden Immanuel. „Vergeel het hun” wat kan dit anders beteekenen dan: reken het hun o Vader! niet toe, laten zij in uwe verschoonende en vergevende liefde deelen. Voor wie geldt die bede? zoo vraagt men. Op wie heeft dit betrekking. De drangrede bij dit gebed, uitgesproken in de woorden: „want zij weten niet wat zij doen”, meent men, dat tot verklaring dient en alleen kan slaan op de Romeinsche krijgsknechten. Want, zoo denkt men dan, deze waren hierin grootelijks van het Joodsche volk onderscheiden naardien zij onbekend waren met den inhoud der Heilige Schrift.
Daarom konden zij niet weten, wat omtrent den Verlosser, die komen zoude, door Gods heilige profeten was voorzegd. Dat er groot onderscheid was in dezen, wat de verantwoordelijkheid betreft, wie zal dit tegenspreken. Niets lag meer voor de hand, dan dat die Romeinsche soldaten hebben gemeend, zich van een schuldigen plicht gekweten te hebben in de uitvoering van het vonnis, door den stadhouder uitgesproken, aan iemand die beschuldigd was zichzelven als koning te hebben opgeworpen. Maar dat Joodsche volk dan? Wisten zij wat zij deden? Dat zij het hadden kunnen weten, weerspreken we niet. Zij hadden de Schriften, doch zij verstonden ze niet. Zij hadden Jezus’ prediking gehoord of kunnen hooren, terwijl de Heere door teekenen en wonderen Zijn leer had bevestigd en Zijn Goddelijke afkomst allerduidelijkst had bewezen.
Maar trek deze gedachte eens door, en besluit dan eens voor een oogenblik, gelijk sommigen deden, dat Christus hier al de zoodanigen van Zijne voorbidding had uitgesloten, en bedenk dan eens, waar ge uitkomt. Geldt niet van allen, die onder het licht van het evangelie leven, van allen die leven onder de bedeeling en bediening van het genadeverbond, in zekeren zin hetzelfde? Kunnen ook die niet allen weten, dat Jezus is de Christus, de Zoon des levenden Gods? Kunnen deze niet daarenboven weten, dat Jezus, die gekruist is en gestorven, ook opgestaan en ten hemel gevaren is? En worden we nu geroepen alleen het evangelie te prediken aan braven, aan vromen, aan godsdienstigen, óf heeft Christus de Heere bevolen, dat het evangelie gepredikt zou worden aan allen? Zijn des Heeren apostelen daar niet in voorgegaan, en leert het Woord Gods niet, dat Christus voor de goddeloozen gestorven is? Neen, hoe groot ook de zonde der Joden is, die hun Messias hebben verworpen, en van die overheden, die den Heere der heerlijkheid hebben gekruist. Petrus bewijst ons, dat zij niet als uitgesloten mogen gedacht worden van dat dierbaar gebed:„Vader! vergeef het hun.” In Handel. 3 : 17 hooren we dezen apostel tot dat schuldige volk zeggen: „En nu, broeders! ik weet, dat gij het door onwetendheid gedaan hebt, gelijk ook uwe oversten”. En als straks dat vreeselijk kruislijden is geëindigd en Jezus aan het kruis gestorven is, keeren de scharen, die daar saamgekomen waren, wederom, slaande op hunne borsten. En vijftig dagen later roepen drie duizend menschen, die Christus gekruisigd hebben, met verslagen harten uit tot Zijn apostelen: Wat zullen wij doen, mannen broeders? Zoo is die bede van Christus verhoord, de bede voor hen, voor wie de groote verborgenheid der godzaligheid. God geopenbaard in ’t vleesch, bedekt was.
„Vader, vergeef het hun.” In het licht dezer bede vinden we de uitnemendste verklaring van het lijden en sterven van den Heere Jezus. Om vergeving te verwerven voor hen, die door erf- en dadelijke zonden, Gods geduchten toorn verdiend en zich de eeuwige rampzaligheid hebben waardig gemaakt, heeft Christus zich aan het kruis laten nagegelen en zich vrijwillig overgegeven tot in den dood. De straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem en door Zijne striemen is ons genezing geworden. Geen heerlijker woord kan op aarde worden vernomen, geen belangrijker en heilrijker tijding aan zondaren worden gebracht, dan dat Jezus Christus, Gods Zoon, tot zulk een einde de menschelijke natuur heeft aangenomen, dat Hij daartoe geleden heeft en gestorven is. Dat is het evangelie der genade, dat van vergeving en verzoening getuigt. Dat is de bron, waaraan duizenden en millioenen zielen zijn verkwikt geworden. Dat is de heerlijkheid, welke afstraalt van het kruis van Golgotha. Voor dat evangelie des kruises moet alle tegenspraak verstommen, Wat men ook uitgedacht heeft en nog uitdenken mag, om de kracht van dat evengelie te breken en te vernietigen, ’t is alles ijdel en te vergeefs, gelijk de geschiedenis van zoovele eeuwen heeft geleerd. En geen wonder. Geen grooter behoefte is voor een arm Adamskind denkbaar, dan vergeving van zonden te ontvangen en met zijn God en Maker verzoend en bevredigd te worden. Alleen geestelijke blindheid, de dwaasheid van het ongeloof, kan zich daartegen verzetten. Geen vraag waar de wetenschap, geen vraag waar de gansche wereld meer mee verlegen is, dan wanneer de vraag uit behoefte der ziel geuit wordt: „Hoe word ik van mijn zonde verlost?” Onder al het zuchten van Gods schepsel hier beneden, onder al de tranen door menschen op aarde geweend, is geen oorzaak van lijden en smart te vergelijken met datgene, wat uit diep schuldbesef voor God den zondaar in het stof doet bukken met de vraag: is er nog een middel om de straf, op de zonde bedreigd, te ontgaan en wederom tot genade te komen? Daartoe bewerkt door den Heiligen Geest, ziet ge in het kwaad van hen, die Jezus hebben uitgeworpen en gekruist, uw eigen zonde. Elke hamerslag, waarmede die scherpe nagelen door Immanuëls handen en voeten worden gedreven, klinken als donderslagen u door de ziel en veroordeelen u van wege al uwe ongerechtigheden. En als het dan van alle zijden donker en schrik van rondom voor u wordt, dan kan alleen uit de bede van den eenigen Middelaar aan het kruis licht opgaan voor uw benauwde hart.
Geloovig opziende tot Hem, die in Zijne onuitsprekelijke benauwdheden en helsche angsten aan het kruis om vergeving bidt voor overtreders, daagt het licht der hope, zelfs voor den diepst gezonkene in jammer en ellende. O blijde en troostvolle gedachte dan, dat vergeving nog mogelijk is.
Kostelijk en onschatbaar evangelie, dat ons verzekert de vergeving der zonde, voor een iegelijk, die in Christus den gekruiste gelooft.
Al waren dan uwe zonden rood als scharlaken, dan zullen zij wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen, worden als witte wol. En al vraagt ge dan ook duizendmaal: hoe kan dat zijn? God de Heere zoo heilig en rechtvaardig en ik daarentegen zoo zondig en goddeloos! God zoo heilig en ik zoo onrein, — hier op Golgotha, in hetgeen die geheel eenige Lijder daar bidt, hebt ge de oplossing van al uw vragen.
Toen gij nog als een vijand tegen den Heere u openbaardet en geen lust hadt aan de kennis van zijne wegen, toen bad uw Middelaar en Borg al om vergeving voor u. Vergeving om Zijns lijdens, vergeving om Zijns dierbaren bloeds wil. Vergeving niet slechts van enkele misdaden, maar vergeving van al uw zonde en schuld. Waarheen de arme mensch, onder het gevoel van schuld en zonde gedrukt, zich ook wendt, waar hij ook zoekt naar redding en uitkomst, alleen in dien éénigen Middelaar en Verlosser is heil. In Hem is het vereenigingspunt voor alle door God ontdekte zielen, die getrokken worden uit de macht der duisternis. En wee den mensch, die verhard blijft onder de prediking van het evangelie des kruises. Wee den mensch, die niet leert verstaan wat die bede: Vader, vergeef het hun, beteekent. Wie het evangelie daarin gepredikt verwerpt, maakt zich schuldig aan het bloed des Nieuwen Testaments en voor dien blijft geen slachtoffer meer over voor de zonde. En toch, hoe ontzettend dat oordeel Gods dreigt, toch zien we hoe helaas duizenden bij duizenden, die onder het licht van het evangelie leven, zelfs in den naam van den Drieëenigen God zijn gedoopt, zich afkeeren van dat evangelie. In ijdelheid en zingenot zoekt de verblindde mensch zijn heil. Gods roepstemmen worden in den wind geslagen, Gods liefde wordt versmaad en de groote menigte hoort niet naar de vertolking van hetgeen Gods heilig Kind Jezus aan ’t kruis voor zondaren bidt.
Anderen, die nog wel hooren naar ’t Woord, die met kerk en godsdienst nog niet geheel hebben gebroken, luisteren ook toe, als het evangelie des kruises hun gepredikt wordt, doch helaas, zouderdat men iets van de gewenschte vrucht gewaarwordt. Het Woord hooren is goed, maar niet genoeg. U onttrekken aan alle verkeerd gezelschap en naarstig zijn in het gebruik der middelen, is goed, maar noodig is boven alles, dat ge een recht en geloovig gebruik weet te maken van Christus in dat alles waartoe Hij van den Vader gegeven is.
Zult ge nu Christus liefhebben, dierbaar en noodzakelijk achten, als de Hoogepriester Zijns volks, die met Zijn eigen bloed is ingegaan in ’t binnenste heiligdom, dan is vooraf diezelfde Christus noodig als Profeet, want alleen door Hem komt ge tot ware Godskennis en zelfkennis.
Hebt ge vergeving gezocht en gevonden als vrucht van Zijn tusschentreden bij den Vader, dan zult ge u ook hartelijk kunnen vereenigen met al des Heeren onderdanen, die in den lijdenden Borg en in dien diep vernederden Christus hun Koning en Heere erkennen. U, die gelooft, is Hij dierbaar. Dierbaar, als ge van Zijn gezegende lippen de woorden opvangt: „Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.”
J. Wisse

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 april 1906

De Wekker | 4 Pagina's

Voor de overtreders gebeden

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 april 1906

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken