Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Zeer heerlijke dingen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Zeer heerlijke dingen

11 minuten leestijd

„Zeer heerljke dingen worden van u gesproken, o stad Gods.” Psalm 87 : 3.

In Gods licht zien wij het licht. Het licht der waarheid en der heerlijkheid, waar de natuurlijke mensch blind voor is. Al schijnt de zon op den middag nog zoo helder, de blinde wordt van die heerlijkheid niets gewaar. De heerlijkheid Gods is geopenbaard in al de werken des Heeren, maar om die heerlijkheid te zien, moet de mensch op elk terrein van het leven, een gezichtsvermogen hebben, dat God alleen geven kan. Groot is de heerlijkheid door den dichterprofeet in dezen psalm bezongen, waarin hij het oog heeft gericht op de stad, die het middenpunt was van de Godsopenbaring aan Israël, het volk der belofte, het nakroost van Abraham, den Vader aller geloovigen, het volk door Jehovah uitverkoren tot Zijn erfdeel. Die stad is de stad Gods. Het Zion, door den Heere bemind boven alle woningen Jakobs. Het is Jeruzalem de stad der steden, de stad waar de tempel is gebouwd, waar de woonstede is van den God Jakobs. Zeer heerlijke dingen worden van haar gesproken. Dingen den geestelijken zanger niet onbekend. Trouwens welke Israëliet zou dat niet weten. Van die stad werd gezongen: „God is in het midden van haar, zij zal in eeuwigheid niet wankelen.” In het licht der profetie, waarin de dichter dat Zion aanschouwt, ziet hij den Filistijn, den Tyriër met den Moor aldaar geboren. Zelfs Rahab en Babel worden vermeld onder degenen, die den Heere kennen. Dit bewijst reeds genoeg, dat de man Gods, die in dezen psalm de heerlijkheid van Zion bezingt, op meer dan op aardsche en vergankelijke heerlijkheid het oog heeft. Want wel was Jeruzalem een schoone en sterke stad, en wel was er op Zion, waar de tempel was gebouwd, bewonderings-waardige schoonheid te aanschouwen, maar de geschiedenis van later tijden heeft geleerd, dat ook die schoonheid en heerlijkheid der vergankelijkheid onderworpen was. Hoe is des Heeren Woord vervuld geworden, toen na diepe vernedering die stad weer was opgebloeid, dat geen steen op den anderen zou gelaten worden, die niet zou worden afgebroken. Maar Jeruzalem was een afschaduwing van de Christelijke Kerk. En in dat licht gezien, typisch en profetisch, krijgen de woorden: „zeer heerlijke dingen worden van u gesproken”, een veel rijker beteekenis.
Als Jehovah door den mond van een Jesaja getuigt:,om Zions wil zal Ik niet zwijgen en om Jeruzalems wil zal Ik niet stil zijn: totdat hare gerechtigheid voortkome als een glans, en haar heil als een fakkel die brandt.” En wederom: „Ik schep Jeruzalem eene verheuging, en haar volk eene vroolijkheid. En Ik zal mij verheugen over Jeruzalem en vroolijk zijn over mijn volk”, wie zou dan niet erkennen, dat dit op geen k andere dan op heerlijke dingen betrekking kan hebben. Met de komst van Christus in het vleesch was het Licht gekomen, waar Gods heilige profeten met zooveel lof van hadden getuigd. Daarmee was de Zon der Gerechtigheid opgegaan, een Licht tot verlichting der Heidenen en tot heerlijkheid van het Israël Gods. En nadat de Heilige Geest op den Pinksterdag te Jeruzalem was uitgestort, des Heeren apostelen met kracht uit de hoogte waren aangedaan en zij uitgingen om alom den volke het evangelie te prediken, toen is nader bevestigd, wat zoovele eeuwen te voren was getuigd: Zeer heerlijke dingen zijn aanschouwd en genoten. Wat verachtelijk en bespottelijk was in de oogen der wereld, werd nader openbaar als het werk Gods, waar de Heere in en door verheerlijkt werd en dat zoovele zielen tot zaligheid leidde. Immers wat kan heerlijker zijn, dan gelijk we op die eerste bladzijden van de geschiedenis des Christelijke Kerk lezen, dat de Heere dagelijks toedeed tot de gemeente die zalig wordt. Voor Joden en Heidenen was nu de toegang tot den troon der genade ontsloten, aan allen zonder uitzondering werd het evangelie gepredikt, uit alle geslachten, volken en natiën vergadert Christus Zijne gemeente, door zijn Woord en Geest. Christus’ Kerk, aan een stad gelijk, is op een vasten en onwrikbaren grondslag gebouwd. De poorten der hel zullen haar niet overweldigen. Het aardsche Jeruzalem, hoe groot en sterk ook, kon niet alleen belegerd, maar ook ingenomen en verwoest worden, maar het tegenbeeldige Zion, de gemeente des levenden Gods, is onoverwinbaar.
Het heeft in den loop der eeuwen aan poging tot haar verwoesting niet ontbroken. Maar geen nood, wat men ook bedenkt of onderneemt en hoe alle vijandelijke machten somtijds onder Gods toelating kunnen samenspannen, het Woord des Heeren, de belofte van Hem, die getrouw en almachtig is, waarborgt haar toekomst. Nog kan ook van dat Zion worden getuigd: God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen.
Dat geestelijk Zion heeft een Koning, wiens rijk eeuwig is, en Wiens heerlijkheid nooit vergaat. Hij heerscht van de zee tot aan de rivieren en van de rivieren tot aan de einden der aarde. Hij is der koningen koning der heeren Heere, de Heere geweldig in den strijd. Alles staat onder Zijn gezag. Eens zal alle knie voor Hem buigen en alle tong Hem belijden.
Zijn Naam is de eenige, onder den hemel tot zaligheid geopenbaard. Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der gemeente. Ieder geloovige is een lid van Zijn geestelijk lichaam. Zoowel van het lichaam als van het hoofd worden heerlijke dingen gesproken, maar altijd zoo, dat men daarbij wel heeft te bedenken, dat het lichaam zijn heerlijkheid alleen aan het Hoofd heeft te danken. Daarom getuigt de Heilige Geest van de geloovigen door den mond van Paulus: „Gij zijt in Hem volmaakt.” En Petrus van die heerlijkheid van het lichaam van Christus getuigend, zegt: „Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden desgenen, die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht.” En zou men een bloemlezing maken en verzamelen van al de uitspraken der Heilige Schrift, welke tot bevestiging kunnen dienen van de waarheid: „Zeer heerlijke dingen worden van u gezegd,” er zouden inderdaad heel wat bladzijden mede gevuld worden. Al is de gemeente Gods in en bij de wereld niet geacht, en al heeft een valschelijk genaamde wetenschap niet dan afkeer en verachting daar voor over, heerlijker dan de openbaring en de getuigenis van menschen is de getuigenis van God. Nooit wordt dit duidelijker gezien en opgemerkt, dan in het persoonlijk leven der geloovigen. Het rust immers niet op de getuigenis van menschen, als Gods kind door het geloof mag roemen in zijn God, en aldus roemende met een Paulus getuigt: „Het lijden dezes tegenwoordigen tijds is niet te waardeeren tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden.” En als ge dan wilt beproeven om die heerlijkheid te omschrijven, ach dan gevoelt ge, daar is onze taal te arm toe, om dit naar waarde te kunnen doen. Profeten en apostelen hebben als organen van den Heiligen Geest, als het ware gewedijverd om den rijkdom der genade Gods in dezen te verheffen en de zaligheid van het volk van God op het heerlijkst te doen uitkomen. Dat deed Gods kerk reeds onder de oude bedeeling als in verrukking uitroepen: „Ik ben zeer vroolijk in den Heere, mijne ziele verheugt zich in mijnen God, want Hij heeft mij bekleed met de kleederen des heils, den mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan.” En op de vraag of men dan geen vijand had te vreezen, antwoordt de Heere en zegt: „Alle instrument, dat tegen u bereid wordt zal niet gelukken, en alle tong, die in het gericht tegen u opstaat, zult gij verdoemen, dit is de erve der knechten des Heeren en hunne gerechtigheid is uit Mij, zegt de Heere.”
Plaatsen we hier naast, om niet meer te noemen, wat onder de Nieuwe bedeeling apostel Paulus aan de gemeente te Rome schrijft in hoofdst. 5 : 1: „Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus”, dan mogen we met recht wel vragen: hoe zouden nog grooter en heerlijker dingen kunnen gesproken worden, dan hetgeen in al dergelijke waarheden ons wordt voorgehouden en verzekerd.
Plaats daar nu eens tegenover al de ellende en den jammer van hen, die geen deel aan Jezus hebben en die in hun onwedergeboren staat leven gelijk zij geboren zijn. Wat is die tegenstelling dan ontzettend, wat is dat onderscheid groot, en wie zou bij het bewustzijn deelgenoot van die heerlijke dingen te zijn, niet in verootmoediging voor God erkennen: „Heere! Ik ben geringer dan al die weldadigheid mij bewezen!”
De kerk des Heeren wordt in de H. S. onder meer ook vergeleken bij een huis, bij een gebouw, dat uit „levende steenen” wordt opgetrokken en waar God zelve de Bouwmeester van is. Van dit gebouw is Christus de uiterste hoeksteen, het fondament, waar het geheele gebouw op rust. De bouw van dat geestelijk huis gaat altijd voort. Al Gods
uitverkorenen, voorgekend van voor de grondlegging der wereld, worden in den tijd geroepen, gerechtvaardigd en verheerlijkt. Zij worden als levende steenen toegevoegd tot dit geestelijk huis, tot een heiligen tempel, tot een woonstede Gods in den Geest.
Alles wat daarvan getuigd wordt in des Heeren Woord is even heerlijk. Al Gods deugden schitteren hier voor het oog des geloofs op het heerlijkst. Geen wonder dan ook, dat de Christen, rekenschap gevraagd van en omtrent de bate zijns geloofs, op de vraag: wat baat, wat vrucht geeft u, wat gij gelooft, antwoordt: dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben en een erfgenaam des eeuwigen levens. O onbegrijpelijke en ondoorgrondelijke heerlijkheid! Zoo spreekt en belijdt ge als een schaap van den goeden Herder, als een geredde uit den muil van den helschen leeuw. Zoo mag door Gods ondoorgrondelijke ontferming een beweldadigde zondaar getuigen, dien de Heere van dood levend en van blind ziende heeft gemaakt. Eertijds duisternis, maar nu licht in den Heere. Eertijds een vijand en een vreemdeling, maar nu, herschapen in Christus, een vriend en een kind van God. Te voren zonder Christus en zonder hope, maar nu getrokken met koorden van goedertierenheid, door een oprecht geloof Christus ingelijfd en al Zijne weldaden deelachtig geworden.
Zoo moogt ge in en door Christus tot Hem die uw hemelsch Vader geworden is opzien, om in allen nood en droefenis in Hem uw sterkte te zoeken, van Hem uw heil te verwachten, met Zijne dierbare beloften u te troosten. En dat alles onder verzekering van ’s Heeren wege, dat God op u niet meer toornen noch schelden zal, dat de Heere in eeuwigheid u niet zal verlaten. Hoe donker ook Gods weg mag wezen, Hij ziet in gunst op die Hem vreezen. Door de woestijn van dit leven zal uw Ontfermer u leiden, en als ge des Heeren raad op aarde hebt uitgediend, wordt ge in Zijne zalige heerlijkheid opgenomen. Dan verwisselt ge uw reisgewaad met het hemelsche sieraad van de vrijgekochten des Heeren, dan zal de kroon des levens het deel der getrouwen zijn. Wat dunkt u, zijn dat geen heerlijke dingen?
En toch, wat van Zion, wat van de stad Gods, wat van de kerk des Heeren wordt getuigt, geldt ook van elk geloovige in ’t bijzonder.
Schoon van gelegenheid, een vreugde der gansche aarde is de berg Zions, de stad des grooten konings, zoo zong weleer het uitverkoren Israël. En waar na de uitstorting des H. Geestes allen volken het evangelie wordt gepredikt, zal de Heere ook van alle volken ontvangen aanbidding eer en dankbare lofgezangen. Zoowel van den bekeerden Moor en Indiaan, als van den toegebrachten Israëliet, geldt het woord der Zaligmakers: Gij zijt het zout der aarde en het licht der wereld. Zoo min de stad op een berg gebouwd verborgen kan blijven, zoo min kan ook het werk Gods in den zondaar bedekt blijven. En hoe anderen daar ook over denken en spreken, dat werk zal door allen, die het kennen, groot en heerlijk worden genoemd. Want God is bekend in Juda, Zijn Naam is groot in Israël.
J. Wisse

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 juni 1906

De Wekker | 4 Pagina's

Zeer heerlijke dingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 juni 1906

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken