Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Zonder Christus

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Zonder Christus

11 minuten leestijd

„Dat gij in dien tijd waart zonder Christus.” Efeze 2 : 12a.

Paulus herinnert in dil hoofdstuk de Efeziërs aan hun eertijds, om in het laatste gedeelte van datzelfde hoofdstuk zooveel te heerlijker te doen uitkomen, wat zij nu, als geloovigen in Christus, door de genade Gods waren geworden.
Het is een treurig verschijnsel in de wereld, dat zoovele menschen hunne afkomst vergeten. Zelfs onder Christenen kan dit als een zeer groot en veel voorkomend gebrek worden aangemerkt, dat men zijn afkomst maar al te zeer vergeet. Onder de dingen welke de apostel wil, dat de Efeziërs zullen gedenken, wijst hij met nadruk op hun afkomst uit de Heidenen ên schetst dan in ’t kort den treurigen staat waarin zij hebben verkeerd. Zij waren zonder Christus. Al stond geen enkel woord tot nadere omschrijving hier meer bij, wat zegt het dan veel, onbeschrijfelijk veel, zonder Christus te zijn. Dit waren zij, in dien tijd toen zij nog Heidenen waren, vervreemd van het evangelie. Toen leefden zij nog in duisternis, gelijk zoovele anderen. Maar nu had God zich hunner ontfermd. Het evangelie was onder hen gepredikt, zij hadden het evangelie aangenomen. Onder en door de werking des Heiligen Geestes waren zij getrokken uit de macht der duisternis en bedeeld geworden met het licht. Dood zijnde door de zonden en de misdaden, waren zij levend gemaakt met Christus. En nu kan de apostel tot roem van Gods genade van hen getuigen: „Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof.” Welk eene verandering: eertijds duisternis en nu licht. Eertijds vreemdelingen van God en nu uit genade tot kinderen Gods aangenomen. Eertijds zonder Christus en nu levend gemaakt met Christus. „Zonder Christus” — in dat tweetal woorden is saamgevat, de grootste ellende die er denkbaar is voor een mensch, niet alleen voor hen, die nog in en onder het Heidendom leven, maar ook van hen, die leven onder het licht van het evangelie, doch geen deel hebben aan den Middelaar. En toch wordt van deze ellende zoo weinig gezien en gevoeld. Alles wat zoo alledaagsch, wat zoo algemeen is, trekt in den regel minder de aandacht. Vraagt iemand, wat alle niet wedergeboren menschen met elkander gemeen hebben en hoe men aller ellende en jammerstaat kort en duidelijk teekenen kan, we zouden geen beter antwoord kunnen geven dan in die weinige, dan in dat tweetal woorden wordt gezegd: „zonder Christus”. Een mensch zonder geld, een mensch zonder wetenschap, een mensch zonder goede naam, die en nog vele anderen met hen, noemt men ongelukkig, maar zonder Christus te zijn vereenigt alle andere ellenden en plaatst ons voor de openbaring van onoverzienbare ellende. Al bezat zoo iemand al het goud dezer aarde, al kon hij over alle gaven en wetenschappen beschikken, al werd hij daarenboven nog door alle menschen gelukkig geprezen, wat zou dit alles baten voor den mensch die zonder Christus is. Christus is het leven, en die Christus mist, die mist het leven, want er is geen geestelijk leven buiten en zonder Hem. Er zijn menschen die zoo het schijnt, een schat van bevindingen hebben, een schat van allerlei beloften, ja welke schatten hebben zij al niet — maar als Christus daarin gemist wordt, heeft dat alles niet de minste waarde voor de eeuwigheid. De wereld is vol zelfbedrog en het is Satan hetzelfde, hoe hij onder Gods toelating der menschenzielen verderft. Of dit geschiedt met de verleiding der wereld, met allerlei ijdelheid, of dat des Satans doel bereikt wordt met teksten uit den Bijbel. Zelfs tot den Zone Gods kwam de duivel met het: „er staat geschreven”, en de Heilige Schrift waarschuwt tegen de listige omleidingen van hem, die zich als een engel des lichts weet voor te doen. Een leven zonder Christus is een leven zonder heerlijkheid, een leven zonder hope en zonder proefhoudende troost. Bezit, wat ge maar bezitten kunt, maar met de gansche wereld is dit gemis niet te vergoeden. Maar hoe is het dan mogelijk, kan men vragen, dat zoo velen, die zonder Christus zijn, schijnbaar zich toch zoo gelukkig achten? Dat dit zoo is, spreken we geen oogenblik tegen, alleen zij opgemerkt, dat dezulken slechts in schijn gelukkig zijn. En hoeveel menschen zijn er niet op een ander terrein, dien het evenzoo gaat en waardoor de zaak ons nog duidelijker wordt. Zijn er geen menschen, en wie zal zeggen hoeveel wel, die meenen gezond te zijn en dat geen kwaad als zoodanig dreigt, en bij wie vroeger of later openbaar wordt, dat zij een geheimzinnige, een doodelijke kwaal onder hun leden hebben omgedragen. Zagen en verstonden allen die zonder Christus zijn, hoe ellendig en gevaarlijk hun staat is waarin zij verkeeren, zij zouden geen oogenblik rust kunnen hebben, maar vragen en uitzien en zoeken of er nog een weg en een middel is om die groote en alles omvattende weldaad deelachtig te mogen worden. Niets kan een arm zondaar zoo ontsteld en bevreesd doen worden, dan de volle overtuiging te hebben en tot de klare ontdekking te komen: wat ik ook heb en meen te hebben, maar ik mis Christus, ik heb geen deel aan Hem en mitsdien ook niet aan de weldaden, door Hem verworven. En wat kan een deelgenoot van Christus dieper voor God verootmoedigen en met meer dankbaarheid voor den Heere doen vervuld zijn, dan naar des apostels Woord het gedenken aan zijn eertijds. Immers dan is de afstand tusschen dat eertijds en het heden zoo ontzaglijk groot. Dan is de verandering welke daarmee plaats greep in uw leven zoo geheel eenig. Dan kunt ge immers onmogelijk anders dan erkennen met geheel uw hart, dat dit van den Heere is geschied en dat het wonderlijk is in uwe oogen. Wat kwam daar veel bij te pas. Hoe blijkt daarbij dat alleen God de Heere, die almachtig is, dit vermag. Als een onwillige werd ge gewillig gemaakt om tot Christus te komen. Rijk in eigen schatting werd u door ontdekkende genade uw armoede openbaar. Van nature een vijand van God en Zijn dienst, kwaamt ge als een smeekeling aan den troon der genade, om te pleiten op Gods erbarming en genade, opdat uwe ziel mocht gered worden. En hebt ge nu door het geloof Christus aangenomen en zijt ge alzoo ééne plant met Hem geworden, zoo in de gelijkmaking Zijns doods gelijk ook in de gelijkmaking Zijner opstanding, dan zijt ge nu niet meer zonder Christus. Hij die het leven der Zijnen is. Hij is dan ook uw leven en is Christus uw leven, dan kan het niet anders, of het sterven zal ook eenmaal uw gewin zijn. Denk daartegenover nu eens in wat het zijn zal, te moeten sterven zonder Christus. Overal uit te zien naar redding en verlossing, zonder dat ook maar eenige redding mogelijk is. Ach die ellende is niet te beschrijven. Zonder Christus, zegt niets minder dan zonder Verlosser, zonder Middelaar te zijn. Voor den zoodanige is de hemel gesloten, de hel geopend, alle hoop afgesneden. Wie sterft zonder Christus, is voor eeuwig reddeloos verloren. Dit leert ons Gods woord zoo duidelijk en beslist mogelijk. Wie dit tegenspreekt, die spreekt God tegen. Wie hieraan twijfelt, moet aan alles twijfelen. Christus is de weg ten leven en er is geen andere weg. Hij alleen is de deur en er is geen ingang in Zijn eeuwig hemelsch Koninkrijk anders dan door Hem. Alleen Zijn bloed reinigt van alle zonde. Alleen de gerechtigheid door Hem verworven zal het kleed kunnen zijn, dat des zondaars schande en schuld voor God bedekt.
Zonder Christus te leven is het allerongelukkigste leven en zonder Christus sterven is een heengaan uit deze wereld zonder hoop. En toch zal bij onderzoek en nadenken zelfs zoo menig kind van God moeten erkennen, dat Christus helaas nog zooveel wordt gemist. Het eischt een bestendige oefening, en een nauwkeurige opmerkzaamheid, zal men niet op hout, op hooi en stoppelen, maar alleen bouwen op dat eenige fondament, namelijk Christus. Men kan zelfs met genade bedeeld, nog zoo inzinken, zoo afdrijven, zoo tevreden zijn met zich zelven. Paulus was zoo aangedaan over hetgeen hij van de Christenen te Galate had vernomen, dat hij in zijn brief aan hen gericht den wensch uitspreekt dat Christus eene gestalte in en onder hen mocht krijgen. De mensch is maar altijd geneigd tot uitersten te vallen. Zoo wil de een met de leer van vrije genade de genade tot een oorkussen van valsche gerustheid maken, terwijl de ander maar onophoudelijk bezig is, om gerechtigheid te zoeken uit de Wet. Uit genade gered en gezaligd, was het den Efezeërs zoo nuttig te gedenken wat ze te voren waren geweest, namelijk zonder Christus. Zij hadden wat zij nu waren niet aan zich zelven of aan iets buiten Christus te danken. Vrije gunst, eeuwige liefde, ondoorgrondelijk welbehagen was het, waar zij hunne verlossing aan te danken hadden. En wat was dan betamelijker dan te doen, waartoe de apostel aandringt, om nu dienovereenkomstig te leven en te wandelen. Daarmee krijgt dat „daarom” zijn bijzondere beteekenis. Van het werk, dat de Heere werkt, is immers niet af te denken het bijzonder en goddelijk doel waartoe dit alles is geschied. Zoowel in de genade als in de natuur werkt God alle dingen om Zijns zelfs wil, en moet alles strekken tot Zijne eer en heerlijkheid. Er zijn altijd menschen geweest, en die er zullen er wel blijven ook, die meenden of nog meenen dat het handhaven van de souvereiniteit Gods en van de leer der vrije genade noodwendig leidt tot een beginsel van zorgeloosheid. Op de vraag echter of het waar is, dat die leer zorgelooze en goddelooze menschen maakt, antwoordt de kerk als kerk in haar belijdenis beslist ontkennend, met te zeggen: „Het is onmogelijk, dat zoo wie Christus door een waarachtig geloof is ingeplant, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid.” Die in Christus is, die is een nieuw schepsel. Die bezit een nieuw leven, en met dat nieuwe leven ook nieuwe levenskracht. Zonder Mij, zeide de Heiland tot Zijne jongeren, kunt gij niets doen. Zal nu een mensch, die dit nieuwe leven bezit, zich aanstellen en gedragen als iemand, die zonder Christus is, dan zou dit zeker een allertreurigste openbaringzijn. Vraagt iemand of dit dan mogelijk is, dan antwoorden we met te wijzen, om niet meer te noemen, op de gemeente van Laödicea. Zeker is het, waar genade is verheerlijkt, daar blijft zij. Het geestelijke leven kan in de geloovigen niet sterven. Maar in Zijn Woord waarschuwt de Heere tegen allerlei dwaling. Dwaling in de leer, dwaling ook in de praktijk van het leven, tengevolge waarvan allerlei misstanden ontslaan.
Een geloovige kan wel niet leven zonder Christus, gelijk iemand die geen oprecht geloof en mitsdien geen geestelijk leven bezit, maar de grenzen kunnen verflauwen, er kan een wereldgelijkvormigheid, een doorvlooien zijn, dat ten slotte vragen doet: is bij zulk een mensch wel iets gebeurd?
Om Gode tot eer te leven en te wandelen, om den naasten tot stichting en zich zelven voordeelig te zijn, hangt alles af van de vraag: is uw leven een leven zonder of een leven uit en met Christus? ’t Is niet genoeg om te zeggen gelijk sommigen zeggen: eens genade, altijd genade. De vraag is: waaruit weet ge en op welken grond besluit ge, dat ge genade bezit. De boom moet uit de vrucht worden gekend. ’t Was van ouds her de taal van het oprechte volk van God: Ik ben een vriend en een metgezel van allen die Uw naam ootmoedig vreezen en leven naar Uw goddelijk bevel. Zonder Christus — zoo leeft de Heiden die het evangelie niet kent, dat ons bekend maakt met den eenigen Naam onder den hemel tot zaligheid geopenbaard. Zonder Christus, zoo leeft de Jood, die het evangelie verwerpt en de duisternis liever heeft dan het licht. Zonder Christus zoo leven duizenden, die nog een Christelijken naam dragen, maar met woord en daad bewijzen, dat het ééne noodige hun ontbreekt. Die allen kunnen niet gedenken aan een eertijds, waaruit zij verlost zijn, want zij zijn nog blind, zij zijn nog in hunne zonden.
Alleen tot hen, die aanvankelijk uit hun doodslaat verlost, zalig zijn geworden uit genade, door het geloof, tot hen komt dat woord: Gedenkt dat ge eertijds waart zonder Christus. Maar nu zijt ge, tot roem van Gods ontferming, geen duisternis meer, maar licht in den Heere. Wandelt dan als kinderen des lichts.
J. Wisse

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 6 July 1906

De Wekker | 4 Pagina's

Zonder Christus

Bekijk de hele uitgave van Friday 6 July 1906

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken