Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Met het hart gelooven en met den mond belijden

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Met het hart gelooven en met den mond belijden

11 minuten leestijd

„Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met den mond belijdt men ter zaligheid.” Rom. 10 : 10.

Gelooven en belijden staan, in den goeden zin genomen, met elkander in het nauwste verband. Wat de Heere in dezen heeft samengevoegd, scheide de mensch niet. En toch geschiedt dit helaas maar al te veel.
De ellende welke hieruit voortkomt, is onoverzienbaar, en wel in drieërlei opzicht. Vooreerst in betrekking tot den Heere, die ons Zijn Woord gegeven en ons daarin Zijn heiligen wil heeft geopenbaard. Al wat daarmee in strijd is, daargelaten hoe menschen hierover oordeelen, kan nooit de goedkeuring Gods wegdragen. Vervolgens voor den mensch, die hierin dwaalt, want dit kan nooit anders dan tot groot nadeel voor hem zelven zijn.
En in de derde plaats ten opzichte van anderen, die men onwillekeurig óf op een dwaalweg helpt, óf als zij van een beter oordeel zijn, ten onrechte verdenkt of veroordeelt. Wat de apostel in bovenstaande woorden leert, is een nadere bevestiging van hetgeen in het naastvoorgaande vers is gezegd. Dit houdt niets minder in, dan het antwoord op de vraag: wie er zullen zalig worden. Daartoe komt de mensch niet, die uit de Wet zoekt gerechtvaardigd te worden. Dit zou alleen dan mogelijk zijn, als de mensch de Wet kon volbrengen. Nu dit door Adams bondbreuk onmogelijk is, blijft de Wet veroordeelen. Want er staat geschreven: vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al wat er geschreven staat. Maar hetgeen der Wet onmogelijk was, dewijl zij door het vleesch krachteloos was, heeft God Zijnen Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleesches, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vleesch.
Tegenover de rechtvaardigheid uit de Wet komt nu het evangelie, dat ons bekend maakt met de rechtvaardigheid, die uit het geloof is, en deze was de hoofdinhoud van Paulus’ prediking. Tegenover die prediking was het nu maar de vraag voor de Christenen te Rome, niet alleen of zij dat evangelie hadden aangenomen en als de waarheid met den mond beleden, maar ook of zij die waarheid, door God geopenbaard, met het hart geloofden.
En om de noodzakelijkheid hiervan allerduidelijkst in het licht te stellen, zegt de apostel: „Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met den mond belijdt men ter zaligheid”. Den Heere Jezus met den mond te belijden is geen geringe zaak. De Heere heeft zelve daarvan getuigd: „die Mij belijden zal voor de menschen, dien zal Ik ook belijden voor mijnen Vader die in de hemelen is, maar zoo wie mij verloochend zal hebben, dien zal ik ook verloochenen voor mijnen Vader, die in de hemelen is. En in Hand. 4 getuigt de Heilige Geest door één der apostelen des Heeren, dat er onder den hemel geen andere Naam gegeven is, door welken wij moeten zalig worden. Te belijden den Christus der Schriften zegt niets minder dan Hem die in de Schriften, zoo des Ouden als des Nieuwen Verbonds, geopenbaard is, te erkennen als den eenigen Borg en Middelaar van al Gods uitverkorenen, den eenigen en volkomenen Zaligmaker van zondaren.
Daarin is begrepen de profetie en de vervulling, de vernedering en de verhooging van Christus, vanaf Zijne heilige ontvangenis, tot Zijn dood aan het vloekhout op Golgotha, van Zijn opstanding uit de dooden tot Zijn zitten aan Gods rechterhand. Daarin is in één woord alles saamgevat, wat de Heilige Schrift in dezen leert. Bij dat belijden hebben we niet te denken aan een geheime, aan een verborgen belijdenis, maar aan een belijden met den mond, dat wil zeggen, aan het openbaar daarvoor uitkomen, het met der daad betoonen, dat men Christus als den levenden Christus belijdt. Houdt dit veel in, bijzondere tijden van druk en vervolging kunnen dit nog verzwaren. De geschiedenis heeft het geleerd en zij leert het nog gedurig, wat er noodig is, om daarvoor uit te komen en daarin te volharden, als er smaad aan verbonden is, als ge bedreigd wordt in uw brood, in uw leven, of waarin dan ook. In zulke tijden maken de menschen van hun belijdenis geen vlag om meê te pronken. Men laat zich dan niet op allerlei wijze bewegen om te belijden wat anderen belijden.
Dan blijkt duidelijker dan anders, hoe genade noodzakelijk en hoe genade ook genoegzaam is om den Heere Jezus Christus, koste wat het koste, tot zaligheid te belijden. Met nadruk zeggen we, dat het bij die belijdenis er op aankomt, of we belijden den Christus der Schriften. Zoovelen hebben gedurig den naam Jezus op de lippen, maar op de vraag wie en wat zij daarmee belijden, spreekt de één van een Jezus, die louter mensch geweest is, zonder dat men van Zijn Goddelijke natuur wil hooren. Een ander wil Christus erkennen tot op zekere hoogte, beide in Zijn menschelijke en in Zijn goddelijke natuur, maar zonder daarbij te erkennen, wat evenzeer noodzakelijk is, dat Hij alleen de Zaligmaker Zijns volks is.
Zoo zouden we kunnen voortgaan om nog op een menigte dwalingen te wijzen, welke allen hierin met elkander overeenkomen, dat de Christus der Schriften daarmee niet beleden wordt.
Hoe gewichtvol en belangrijk dat belijden met den mond ook zij, toch is het op zichzelf genomen niet genoeg. Met een historisch geloof alleen kan niemand zalig worden. Het is niet alles Israël, wat Israël heet. En omdat wij als menschen in eens anders hart niet kunnen lezen, is het altijd aangenaam, als we een goede, een rechtzinnige, een op Gods Woord gegronde belijdenis mogen hooren. Toch zou het groote onkunde en oppervlakkigheid verraden, als men onvoorwaardelijk alle rechtzinnige belijders voor wedergeboren menschen aanzag. Het ligt niet in ons doel, daar thans verder op in te gaan. Alleen willen we maar zeggen, dat de Heilige Schrift ons wat anders leert. En wat wil men meer, dan hetgeen de apostel der Heidenen hier in onzen tekst zoo duidelijk leert, namelijk, dat men met het hart gelooft ter rechtvaardigheid. Niet het hoofd, maar het hart is de zetel van het geloof. Al wat geloof schijnt te zijn, maar niet het geloof is, zetelt in het hoofd, in het verstand der menschen.
Wie Christus met den mond belijdt zonder met het hart in Hem te gelooven, diens belijdenis is de ware niet. Niet die daar zegt: „Heere, Heere” zal ingaan, maar die gedaan zal hebben den wil des Vaders, die in de hemelen is.
Gods wil betrachten is voor den natuurlijken mensch onmogelijk. Alleen de genade Gods maakt daartoe in beginsel bekwaam. In beginsel slechts, want ook de in Christus herschapen mensch blijft gedurende dit tegenwoordige leven der zondige Adamietische natuur deelachtig. Gelooven met het hart wil zeggen, niet maar slechts een geloof te bezitten, dat voor waar en waarachtig houdt al wat ons God in Zijn Woord heeft geopenbaard, maar dat ook zich verder kenmerkt door op den Heere te vertrouwen. Wie derhalve gelooft dat Jezus Christus uit de dooden is opgewekt en in de opwekking van Christus het zichtbare bewijs ziet van de goedkeuring des Vaders op het Middelaarswerk des Zoons, die zal daarin zien, dat het handschrift der zonde, dat tegen ons was, aan ’t kruis is verscheurd. Dat aan de gerechtigheid Gods is genoeg gedaan, zoodat Christus nu, gelijk Johannes getuigt, een verzoening is voor onze zonden. Was Christus niet opgestaan, dan ware onze prediking ijdel en ijdel was ook ons geloof. Maar Gode zij dank, nu staan we voor de openbaring, ons door God geschonken in en door Zijn Woord, de openbaring welke het ons zegt en verzekert, dat Christus gestorven, dat Hij overgeleverd is om onze zonden en opgewekt is tot onze rechtvaardigmaking. Nu dood en hel zijn overwonnen, het leven en de onverderfelijkheid zijn aan het licht gebracht, heeft de geloovige geen kwaad meer te vreezen. Geheel de kerk des Heeren kan zeggen: niets zal ons meer scheiden van de liefde Gods, die daar is in Christus Jezus onzen Heere.
Bij de aanneming van Christus door het geloof gaat het dus niet in het afgetrokkene om den Persoon des Middellaars, afgescheiden van Zijne weldaden, maar om den Persoon met Zijne weldaden. Vandaar die verklaring des apostels: Met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid.
Dit deed onze geloovige oudvaderen vaak spreken van ’t heilvattend geloof. Met dit geloof door den Heiligen Geest in ’t hart gewerkt en in Gods vierschaar gerechtvaardigd, bezit ge het vermogen om u Christus en Zijne weldaden toe te eigenen. Wie gerechtvaardigd zijn uit het geloof, die hebben vrede met God door onzen Heere Jezus Christus. Belijden is een eerste vrucht, waardoor dat geloof zich openbaart. Waar het hart vol van is, loopt de mond van over.
Belijden zonder oprecht geloof is mogelijk, anders zouden er ook geen huichelaars meer zijn. En die zullen er wel blijven ten einde toe. Maar oprecht gelooven zonder belijden is onmogelijk. Wel kan dat belijden onderscheiden zijn, maar nooit zoo, dat er niets zou openbaar worden voor anderen van zulk een groote genade aan ons geschied. Paulus beschrijft de vrucht des Geestes in Gal. 5 : 22 als een veelvoudige, met te zeggen, dat de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, langmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid. Waar alzoo het werk Gods aanwezig is, zal men met het hart gelooven tot rechtvaardigheid en met den mond belijden ter zaligheid.
Naar eisch is deze weldaad door geen schepsel te waardeeren. Immers in die weldaad, zoo doet Paulus duidelijk uitkomen, ligt het vaste en onbedriegelijke bewijs van zalig worden. Daarom zeiden we: hier vinden we het antwoord op de vraag, die in beteekenis alle andere overtreft: wie er zal zalig worden. Men zegge dan niet: dat kan een mensch nooit te weten komen. Wij zouden willen vragen: kan het nog duidelijker en eenvoudiger gezegd worden, dan gelijk het hier gezegd is?
Maar, zal men zeggen, hoe komt het dan toch, dat men op de algemeene openbaring der Christusbelijders afgaande, maar zoo uiterst weinigen aantreft, die op deugdelijke gronden getuigenis geven van de zekerheid hunner zaligheid. Deze vraag is zeer praktikaal en toch ook zeer ingewikkeld. Zij biedt stof voor zeer uitgebreide uiteenzetting. Dit ligt echter nu niet op onzen weg. Doch om er toch iets op te zeggen, daar het een punt geldt, waaromtrent velen belangstellend iets naders zullen willen hooren, merken we kortelijk dit aan: Wat we aan het begin dezer overdenking zeiden, kunnen we niet ernstig genoeg ter overdenking aanbevelen. Door hier te scheiden, wat de Heere heeft saamgevoegd, komt men tot een dwaling waardoor velen zich berooven van de bate des geloofs. Naar de voorstelling welke men gedurig schier overal aantreft, zou men Christus deelachtig kunnen zijn zonder Zijne weldaden.
En die twee zijn onmogelijk te scheiden. Het is stout uitgedrukt en toch volkomen waar: als ge niet voor God gerechtvaardigd zijt, dan zijt ge ook Christus niet deelachtig. Te zeggen: Ik ben wel bekeerd, maar niet gerechtvaardigd, is dwaling en geen leer der Heilige Schrift. Waarachtige bekeering is de openbaring van een nieuw leven. En er is geen nieuw leven anders dan in Christus, die der geloovigen leven is. Er wordt in den regel maar te veel waarde gehecht aan de getuigenis van menschen en te weinig aan de onfeilbare uitspraken van Gods Woord.
En nu weten we wel, en het is volkomen waar, dat een geloovige fel bestreden kan worden en dat sommigen in onderscheiding van anderen kleinen zwakgeloovigen worden genoemd, maar het is ook waar, dat ieder geloovige zooveel waarheidskennis behoort te bezitten, dat men weet te onderscheiden tusschen hetgeen men door iemands „staat” en wat men door iemands „stand” heeft te verstaan. Wat uw „staat” betreft, zijt ge dood of levend, één van beiden. Niemand kan tegelijk dood en levend zijn. Maar wat uw stand of toestand betreft, deze is aan afwisseling onderworpen. Maar al verbergt de Heere bij oogenblikken Zijn aangezicht, al moet ge gedurig leed en rouwe dragen van wege uwe vele afdwalingen en zwakheden, dan mag dit immers geen grond zijn tot wanhoop. Zoo verdorven is echter onze natuur, dat zelfs Gods kinderen nog gedurig neiging openbaren, om hun zaligheid in zich, in plaats van buiten zich te zoeken. Gelooven en belijden, in die twee woorden wordt beslist over het heden en over de toekomst. Gelukkig zij, die de bate des geloofs kennen en genieten. Deze zijn rechtvaardig voor God in Christus en erfgenamen van het eeuwige leven.
J. Wisse

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 21 September 1906

De Wekker | 4 Pagina's

Met het hart gelooven en met den mond belijden

Bekijk de hele uitgave van Friday 21 September 1906

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken