Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ingezonden

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ingezonden

6 minuten leestijd

Hooggeachte Redacteur,
Zou u mij nog eenige plaatsruimte willen afstaan in ons Kerkelijk Orgaan? Bij voorbaat mijn hartelijken dank.

In het boek van Dr. Kuyper Jr.: „De Band des Verbonds”, wordt ook over de roeping gehandeld. Wij lezen op blz. 96: „De noodzakelijkheid van die (n.l. de uitwendige) roeping ligt vast in dit Schriftwoord: „Hoe zullen zij in Hem gelooven, van welken zij niet gehoord hebben? en hoe zullen zij hooren, zonder die hun predikt?” Volgens Gods Woord is het (dadelijk) geloof uit het gehoor.
„Natuurlijk geldt dit niet, gelijk elk dieper kenner der volle waarheid weet, het vermogen des geloofs als zoodanig, maar betreft dit de dadelijkheid des geloofs.”
Bladz. 97: „De Heere teekent ons in Zijn Woord het geloof en de bekeering steeds als vruchten. Alle vrucht komt op uit een zaad. De vrucht des geloofs en der bekeering uit het zaad der wedergeboorte.”
Bladz. 101 wordt gezegd dat de uitwendige roeping niet zaligmakend kan zijn, als er niet iets bij komt. Er moet bijkomen een oor om te hooren. In het natuurlijke waarschuwt men geen dooden. Ook in het geestelijke niet. Er moet vóór de uitwendige roeping een oor en gehoor zijn.
Bladz. 102—118 lezen wij dat God dat oor en dat gehoor werkt door het scheppend roepen Gods, hetwelk een onmiddellijk roepen heet, omdat het niet aan een of ander middel of instrument verbonden is. Dit scheppend of onmiddellijk roepen heeft de wedergeboorte in enger en zin tengevolge. Die heeft plaats bij de Verbondskinderen, want die zijn geroepen van de baarmoeder af. Daarom zijn de kinderen naar ons Doopsformulier ook geheiligd. Dus is de orde aldus: de Verbondskinderen zijn wedergeboren, want zij zijn onmiddellijk geroepen. Tot deze komt de uitwendige roeping. De dienaar roept dan ook tot die kinderen, die ooren en gehoor hebben; laat u met God verzoenen. Tot zooverre de schrijver.
Indenkende wat nu door hem geleerd wordt komen wij tot deze conclusie: De uitwendige roeping komt tot de wedergeboren verbondskinderen, die een oor en gehoor ontvangen hebben, omdat zij wedergeboren zijn; deze hooren met dat oor die roepstem en nu wordt die uitwendige eene krachtdadige roeping.
Deze voorstelling is tegen Gods Woord. Overal wordt ons geleerd dat de roeping des evangelies, de uitwendige roeping, komt tot dezulken die dood zijn in zonden en misdaden Ef. 2 : 1, tot vijanden en haters Gods Rom. 1 : 30, tot hen die verduisterd zijn in het verstand, Ef. 4 : 18. Als de Apostel aan de Efeziërs schrijft: „U heeft Hij mede levend gemaakt”, dan is die levendmaking geschied door middel van de prediking des Woords. Niet tot zulken die kunnen hooren, maar tot dooden, blinden, dooven, onmachtigen, vreemdelingen en die verre zijn, komt de roepende stemme.
Zij is tegen de Belijdenis. Art. 24 lezen wij dat het waarachtig geloof in den mensch gewrocht zijnde door het gehoor des Woords Gods en de werking des Heiligen Geestes, hem wederbaart en hem maakt tot een nieuwen mensch.
Art. 35 dat de wedergeborenen hebben een lichamelijk en een tijdelijk leven. Maar ook een geestelijk en hemelsch, hetwelk hun gegeven wordt in de tweede geboorte, dewelke geschiedt door het woord des Evangelies.
Catechismus Zondag 25 leert ons dat de Heilige Geest het gelooven in onze harten werkt, door de verkondiging des Heiligen Evangeliums.
Paragraaf 11 van cap. 3 en 4 der Dordtsche leerregels leeren ons hetzelfde.
Mocht iemand tegenwerpen dat in onze Formulieren van Eenigheid niet gesproken wordt over het vermogen, maar over de dadelijkheid des geloofs, dan zegt Dr. Bavinck daarvan in „Roeping en Wedergeboorte”, dat de onderscheiding tusschen vermogen en dadelijkheid des geloofs toen nog niet bestond. Wanneer onze vaderen zeiden, dat het waarachtig geloof wordt gewrocht door het gehoor des Woords, dan dachten zij volstrekt niet aan de ontwikkeling van het geestelijk leven tot de daden van geloof, maar dan vatten zij daarin het gansche nieuwe leven samen, het vermogen en de dadelijkheid. Dus deze twee niet gescheiden, maar deze beide gewerkt door middel van het Woord gebracht door de roeping.
De voorstelling van Dr. Kuyper is tegen hel oordeel der Dordtsche Synode. In „Roeping en Wedergeboorte”, zegt Dr. Bavinck: „volgens aller oordeel ging in den regel het Woord aan den Geest, de roeping aan de wedergeboorte vooraf.”
Eindelijk is zij tegen het gemeen gevoelen der Gereformeerde Theologen. Wij zouden eene menigte kunnen aanhalen, oude en nieuwe. Doch wij volstaan met een gezegde van Dr. Bavinck in Roeping en Wedergeboorte bladz. 75: „Maar het feit is voor geen tegenspraak vatbaar, dat alle Gereformeerde belijdenisschriften en evenzoo alle Gereformeerde Theologen bij de uiteenzetting van de orde des heils beginnen met de roeping en daarna tot de wedergeboorte (ook in engeren zin) overgaan.”
Wel leerden onze vaderen en is het ook het gevoelen van alle Gereformeerde Theologen, dat de wedergeboorte aan het Woord kan voorafgaan als uitzondering, omdat de Heere vrij is en Hem niets te wonderlijk is; dat dit ook werkelijk wel geschiedt. Maar zegt Dr. Bavinck bladz. 110: „de Gereformeerden hielden zich aan de Schrift en wilden niet wijs zijn boven hetgeen men behoort wijs te zijn. Zij handhaafden daarom algemeen, dat het Woord het zaad der wedergeboorte, het middel der genade was.”
Uit al het aangehaalde blijkt ons dat de voorstelling van Dr. Kuyper strijdt met de Schrift, de Formulieren van Eenigheid en onze Gereformeerde vaderen. Bij den geleerden schrijver is het een roepen tot dezulken die wedergeboren zijn, die hooren kunnen, die beschouwd moeten worden het vermogen des geloofs deelachtig te zijn. De predikant staat dus voor een wedergeboren schare, welke hij roept, opdat het geloof door de roeping ook dadelijk worde.
In het overige aangehaalde is de voorstelling geheel het tegenovergestelde. Schrift en Belijdenis met onze vaderen brengen de roeping tot dooden en onwilligen, opdat de Heere door Zijn Heiligen Geest die dooden levend make, de onwilligen gewillig. De prediker staat niet voor een wedergeborene schare, maar hij roept als Ezechiël tot de dorre doodsbeenderen. En dat is nu juist het groote wonder van vrije genade, dat God door dien weg roept en trekt tot Zijn gemeenschap, die Hij van te voren heeft gekend; dat de Heere dooden en onmachtigen door de krachtdadige roeping wederbaart. Dat iemand die een oor heeft ook hoort, is zulk een wonder niet. Maar dat dooden uit hunne graven opstaan, gelijk Lazarus op het machtwoord van Jezus, dat is een wonder van Gods almachtige genade, van Hem, die de dingen die niet zijn, roept alsof zij waren.
Ds. K. Zuidersma
Steenwijk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 19 October 1906

De Wekker | 4 Pagina's

Ingezonden

Bekijk de hele uitgave van Friday 19 October 1906

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken