Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Vragenbus

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Vragenbus

4 minuten leestijd

J. V. te W. vraagt naar aanleiding van onze beschouwing over Jaël’s daad, wat dan gedacht moet worden van Ehud, dien richter die Eglon, der Moabieten koning doodde. J. V. vraagt of Ehud zich daar niet schuldig maakte aan moord of doodslag met voorbedachten rade.
Omtrent Ehud oordeelen wij geheel anders dan omtrent het dooden van Sisera door Jaël. Van Jaël toch is het niet noodzakelijk aan te nemen dat zij reeds bij het ontvangen van Sisera in hare tent het plan opvatte hem te dooden, gelijk wij dat aantoonden, doch van Ehud daarentegen blijkt het voorgenomen plan allerduidelijkst. Waar hij de schatting van de kinderen Israëls aan den Moabietischen koning zal overbrengen, grijpt hij de hierdoor hem gegeven kans, om Israël door sluipmoord van zijn verdrukker te verlossen, gretig aan. Dat reeds het plan wel overwogen is, blijkt uit de voorbereidende werkzaamheden. Ehud toch maakt zich een zwaard, dat twee scherpten had, en verbergt het onder zijne kleederen aan zijne rechterheup. Naar de gewoonte van de dapperen uit den stam van Benjamin (zie Richteren 20 vers 16) had hij zich geoefend om het zwaard met de linkerhand te hanteeren. Dat gaf hem gelegenheid om het zwaard op eene plaats te verbergen, waar geen argwanende blik het zoeken zou, aan de rechterheup namelijk. Zoo is bij Ehud alles wel overwogen. Hij geeft nu voor, een woord Gods aan den koning te hebben, zoodat de koning al zijn hovelingen verwijdert, Eglon staat op en wordt op verraderlijke wijze door Ehud doorstoken. Hierop verzamelt Ehud de Efraïmieten en wordt het leger der Moabieten verslagen en Israël verlost van zijn onderdrukker.
Wat van zulk een daad te zeggen? De Heilige Schrift zegt er ook weinig van. Wel wordt er gezegd in Richt. 3:15: „De Heere verwekte Israël een verlosser in Ehud, een zoon van Jemini” (een Benjaminiet), doch men leest nergens van hem bij het uitvoeren van zijn verlossingswerk omtrent Israël, wat men gedurig van andere Richters leest: „De Geest Gods was of kwam over hem”. Door zeker godgeleerde is deze opmerking over Ehud gemaakt: „hij vertoont ons den richter, die wel door den Geest Gods gesterkt wordt tot zijn werk, maar, in de keuze der middelen aan zich zelven overgelaten, zich maatregelen veroorlooft, die den goddelijken stempel niet kunnen dragen”.
Gruwelijk is dan ook de leer der Jesuïten, die Ehud ten voorbeeld nemen, om daarmede hun afschuwelijke zedeleer te verdedigen, dat het doel de middelen heiligt. Toen de Jesuïten besloten hadden koning Hendrik IV van Frankrijk om het leven te brengen en een laaghartig persoon op zich genomen had dien koningsmoord te volvoeren, predikte een Jesuit te Parijs in de kerk van St. Bartholemy over den moord, dien Ehud op den koning der Moabieten beging en riep hij daarbij uit: „Wij hebben ingelijks een Ehud noodig! hij moge dan een monnik, een soldaat of een herder zijn, dat doet er niet toe, wij hebben een Ehud noodig.” „Maar troost u,” liet hij er op volgen, „binnen weinige dagen zult gij een goddelijk werk beleven, en de hemel geve, dat dat wonder gelukkig volbracht moge worden,” daarmede doelende op den moord op Hendrik IV te plegen. Wij denken er dus niet aan Ehud’s daad goed te keuren, evenmin als de Heilige Schrift dit doet. Toch moeten wij ook niet uit het oog verliezen dat de Bijbel evenmin een verwerpingsoordeel over Ehud uitspreekt en wel, omdat hoe afkeurenswaardig die moord ook moge geweest zijn, Ehud daarmede geen voordeel of eer, maar alleen Israëls verlossing op het oog had. Geen lage bloeddorst dreef hem, maar Israëls heil. Ook vergete men niet den geest van dien tijd, het richtertijdperk, dat de Schrift kenmerkt als een tijdperk van zonde en genade, waarin geen koning in Israël was en ieder deed wat goed was in zijne oogen. In dit tijdperk hield men alles voor geoorloofd wat maar den vijand kon vernietigen. Dit rechtvaardig Ehud’s daad wel niet, maar doet ons toch dien moord beschouwen in het licht van dien tijd.

’s-Gr. ('s Gravenhage) d.B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 maart 1907

De Wekker | 4 Pagina's

Vragenbus

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 maart 1907

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken