Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Vragenbus

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Vragenbus

5 minuten leestijd

P. P. te A. vraagt waar de Heere bevolen heeft Hem een huis te bouwen, daar in 2 Sam. 7:7 de Heere zegt dat Hij dat vroeger reeds bevolen heeft. P. P. kan dat niet in de Schrift vinden, schrijft hij mij.
Wij willen dit wel gelooven, want nergens lezen wij dit bevel in de Schrift. P. P. heeft echter 2 Sam. 7:7 verkeerd gelezen en juist het tegenovergestelde uit dien tekst verstaan. In dien tekst toch lezen wij: „Overal waar Ik met al de kinderen Israëls heb gewandeld, heb Ik wel een woord gesproken met eenen der stammen Israëls, dien Ik bevolen heb, Mijn volk Israëls te weiden, zeggende: Waarom bouwt gij Mij niet een cederen huis?” Deze woorden heeft P. P. nu aldus verstaan, alsof de Heere overal tot de kinderen Israëls een woord sprak, bevelende Hem een cederen huis te bouwen. Doch er staat een vraagteeken achter dien tekst. De Heere vraagt: Overal waar ik tot de kinderen Israëls een woord sprak, heb ik daar een woord gesproken van den tempelbouw? 2 Sam. 7:7 zegt dus dat de Heere nergens van het bouwen van een cederen huis heeft gesproken.
Dit blijkt ook uit het verband waarin de woorden voorkomen. Nathan had eerst toegestemd in Davids voornemen tot tempelbouw. Op Gods bevel moet hij nu aan David zeggen: Zoudt gij den Heere een huis bouwen? Hij heeft van de uitvoering uit Egypte slechts een tent, een tabernakel bewoond (vers 6) en heeft Hij wel ooit bevel gegeven een cederen huis te bouwen? (vers 7). Wel sprak God tot Israëls stammen of richters, die Hij bevolen had Zijn volk te weiden, maar nooit vroeg Hij: Waarom bouwt gij Mij niet een cederen huis?
De Heere had dus nooit den tempelbouw bevolen, hoewel het in Davids harte was dit te doen.

Dezelfde vrager wenscht opheldering over Matth. 24:19 en 20: „Maar wee den bevruchten en den zoogenden vrouwen in die dagen. Doch bidt, dat uwe vlucht niet geschiede des winters noch op een Sabbath.”
De Heere spreekt in dit hoofdstuk over de komende verwoesting van Jeruzalem en haar tempel. Een bange tijd is aanstaande, zoo zegt Hij. Inzonderheid zal die tijd vreeselijk zijn voor de bevruchte en ook voor de zoogende vrouwen. Immers voor hen zal het vluchten zooveel moeilijker zijn. De geschiedenis heeft dit woord bevestigd. Tijdens de belegering van Jeruzalem was de honger in de stad zeer zwaar, zoo zelfs dat er voorbeelden zijn dat moeders hunne kinderen slachtten en aten om hun honger te stillen. Voor zoogende vrouwen, die van wege den honger noch voor zich noch voor hun zuigelingen voedsel hadden, waren die dagen dus dagen van vreeselijk wee. Daarom zegt Christus dan ook: Bidt dat uwe vlucht niet geschiede des winters, omdat dan in Kanaan de wegen zeer slecht en modderig waren, waardoor het vluchten zeer bemoeilijkt werd, en ook op een Sabbath, omdat dan slechts eene Sabbatsreize mocht gereisd worden en de cermonieele plechtigheden moesten volbracht worden.
Ook voor de Christenen goldt het woord: Bidt dat uw vlucht niet geschiedde op een sabbath. Er zouden toch in de dagen van Jerusalem’s belegering onder de Christenen uit Israël afkomstig nog velen zijn, die den sabbath op Joodsche wijze hielden en daarom bezwaar zouden hebben om de godsdienst plechtigheden te verzuimen en in plaats daarvan te vluchten. Immers zoolang de tempel nog niet verwoest was en daarmede de dienst in den tempel niet door God zelf kennelijk was afgeschaft, waren er altijd nog Christenen uit het Jodendom die zich aan de ceremonieele wetten hielden. Voor hen zou het dan heel bezwaarlijk zijn op den sabbath in plaats van naar den tempel op te gaan, te vluchten. Daarom zegt de Heere: Bidt dat uw vlucht niet geschiede op een sabbath.

P. J. te ’s Gr. vraagt hoe 2 Sam. 24 vers 18 met 1 Kron. 21 vers 12 te rijmen is, daar in eerstgenoemd en tekst van een honger van zeven en in laatstgenoemden van drie jaren gesproken wordt? David heeft het volk geteld en ontvangt door den profeet Gad het voorstel òf drie jaren honger òf drie maanden vluchten voor het aangezicht zijner vrienden of drie dagen pestilentie. Dat nu in 2 Sam. 24 van zeven jaar gesproken wordt is niets vreemds. Volgens 2 Sam. 21 was er drie jaar hongersnood geweest, die tot in het vierde jaar bleef voortduren, totdat David de zeven nakomelingen van Saul liet ophangen. Had David nu weer drie jaren hongersnood gekozen, dan waren het te saam zeven jaren geworden. Dat de kroniekschrijver die eerste vier jaren er niet bij rekent en alleen van drie jaren spreekt, is niets bevreemdends, daar hij van de eerste drie hongerjaren niets verhaald heeft; hij kon dus veilig in 1 Kron. 21 slechts drie jaar schrijven.

’s-Gr. ('s Gravenhage) d.B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 mei 1907

De Wekker | 4 Pagina's

Vragenbus

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 mei 1907

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken