Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het voortbestaan der Christelijke Gereformeerde Kerk (II)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het voortbestaan der Christelijke Gereformeerde Kerk (II)

6 minuten leestijd

Dit beginsel der Scheiding spreekt zich reeds zeer duidelijk uit in de acte van Afscheiding of wederkeering, door den Kerkeraad van Ulrum’s gemeente den 13den October 1884 onderteekend. Daarin toch wordt uitgesproken door de broederen te Ulrum,
„dat zij overeenkomstig het ambt aller geloovigen, art. 28 zich afscheiden van degenen, die niet van de kerk zijn, en dus geen gemeenschap meer willen hebben met de Nederlandsche Hervormde kerk, tot dat deze terugkeert tot den waarachtigen dienst des Heeren.”
In de dagen der doleantie heeft men menigmaal willen beweren dat Ds. H. de Cock in de acte van afscheiding geen afscheiding van de Hervormde kerk, maar opzegging van gehoorzaamheid aan de Hervormde kerkbesturen bedoelde. Het doel dat men hiermede beoogde, is duidelijk. Het beginsel der afscheiding moest geloochend en dat der doleantie er voor in de plaats gesteld worden. De zoon van Ds. de Cock, die de afscheiding mee doorleefde, de latere prof. H. de Cock komt tegen deze bewering dan ook met kracht op. In zijne rectorale rede den 18den December 1890 uitgesproken, getuigt hij op bladzijde 83:
„Te Ulrum toch werd niet reformatie „door doleantie, maar reformatie door separatie in practijk gebracht.
„Wat toch is er geschied? Op Maandag „den 13den October roept de leeraar den „kerkeraad bijeen, om hun mede te deelen, „dat hij zich heeft afgescheiden, en de „kerkeraad vereenigt zich er mee en verklaart, dat hij den onrechtmatig geschorsten „Predikant als zijn wettig geroepen en geordenden leeraar blijft erkennen. Ware „dit een doleerende daad geweest, dan had ,de kerkeraad moeten verklaren, dat hij „het juk had afgeworpen of de stolp had „weggenomen voor de geheele gemeente.
„Maar dit deed hij niet. Integendeel „zelfs. Hij roept den volgenden dag de „geheele gemeente bijeen en zegt aan die „gemeente niet: uw kerkeraad heeft u bevrijd van het synodale juk, maar hij legt „aan de leden de vraag voor: wilt ook gij „doen, wat wij gedaan hebben?”
Prof. de Cock zegt dan ook dat hij zich haast niet kan voorstellen, dat mannen, die de geschiedenis kennen, ooit hebben durven beweren dat in 1834 het beginsel der doleantie in plaats van dat der afscheiding zich geopenbaard heeft.
Neen, duidelijk sprak het beginsel: zich afscheiden van de valsche of Liberale kerk, om te blijven bij de Gereformeerde kerk van alle eeuwen.
De vaderen der afscheiding hielden aan dit beginsel vast en alleen de groep van Ds. Brummelkamp, die een tijd lang buiten de Christ. Afgescheidene Geref. kerk leefde, helde over naar het doleantie-begrip.
In 1851 heeft daarom de kerk haar beginsel tegenover die groep duidelijk omschreven. Ds. Brummelkamp toch verklaarde „zich nooit van het Hervormd Genootschap, maar wel van het onwettige Kerkbestuur te hebben afgescheiden en dat hij daarom zich verplicht acht met degenen, die zich nog in dat kerkgenootschap bevinden, samen te moeten werken, ware het mogelijk, om het onwettige kerkbestuur, hetwelk Ds. Brummelkamp zeide een dieven-bestuur te zijn, dat was ingedrongen, krachteloos te maken, en alzoo de Hervormde kerk, ware het mogelijk, te herstellen, zooals dezelve was vóór 1816.”
Tegenover dit van de broederen der scheiding afwijkend beginsel sprak de synode der Christ. Afgesch. Geref. kerk in hare acta van 1851 bladzijde 15 het volgende uit, dat wel waardig is, in onze dagen nog eens herlezen te worden:
„Ten aanzien van het kerkelijk standpunt tegenover dat van Ds. Brummelkamp c.s. verklaart de Synode:
1°. Dat zij zich, overeenkomstig Art. 28 onzer Geloofsbelijdenis, heeft afgescheiden van de Hervormde kerk, omdat deze de kenmerken van de ware kerk van Christus heeft verloren.
Uit het bovenstaande is het onderscheiden standpunt duidelijk.
Wij gelooven, door Gods vrije en ontfermende genade, overeenkomstig des Heeren Woord
2 Korinthe 6:17 in verband met Openbaring 18:4 „daarom gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heere, en raakt niet aan hetgene onrein is, en ik zal u aannemen,” verwaardigd te zijn geworden om een kerkgenootschap te verlaten, hetwelk het kenmerkende van de ware kerk geheel heeft verloren; ofschoon er ook sommige predikanten in zijn, die betuigen, de Gereformeerde leer in alle hare stukken en deelen aan te nemen, en die trachten de kerk in de kerk te herstellen, welk herstel onzes erachtens even onmogelijk is als in de tijden der Reformatie, omdat de fondamenten van onze Gereformeerde kerk dáár zijn weggenomen.
Indien wij dit in gemoede voor den Heere niet geloofd hadden, dan hadden wij ons, overeenkomstig onze formulieren van eenigheid, niet mogen afscheiden, en zouden derhalve ons tegenwoordig standpunt moeten verloochenen, hetwelk door ons bij dezen niet mogelijk is, omdat wij van harte gelooven, dat de Heere Jezus, als Koning der kerk. Zijn volk uit eene valsche Kerk gelieft uit te leiden.
2°. Dus beschouwt de Vergadering hen en allen, die het met hen eens zijn, om zich der gemeenschap van de Christelijke Afgescheidene Gereformeerde Kerk in Nederland te onttrekken, als zich buiten onze kerkelijke gemeenschap te bevinden, en
3°. Volgt hieruit, dat wij van nu af met hen, op hun standpunt, als zoodanig, geene kerkelijke gemeenschap kunnen oefenen, zoolang zij daarop blijven staan, en hen dus onder ons voorts ook niet kunnen opnemen, noch laten dienen als Gereformeerde dienaren, omdat zij zelven geweigerd hebben de vereeniging op die gronden te aanvaarden.” Uit dit besluit van 1851 spreekt klaar het beginsel onzer kerk. Omtrent dit beginsel openbaarde zich dan ook een volkomen overenstemming bij de afgevaardigden ter Synode. Men wilde niet weten van de sofistische voorstelling dat men wèl van het kerkbestuur, maar niet van de Hervormde kerk zich had afgescheiden, zooals Ds. Brummelkamp zeide. Neen klaar en fier getuigde men: De Hervormde kerk heeft de kenmerken der ware kerk volgens Art. 28 onzer belijdenis verloren en daarom moet zij verlaten worden.
Had de Synode der Christ. Geref. Kerk in 1892 te Amsterdam gehouden, nog op het standpunt der Synode van 1851 gestaan, de vereeniging ware niet gesloten. In 1851 toch verklaarde de kerk bij monde van hare Synode, geene kerkelijke gemeenschap te kunnen oefenen met hen, die verklaarden wèl van het Hervormd bestuur, maar niet van het kerkgenootschap zich te hebben afgescheiden, in 1892 daarentegen gaf men aan laatstgenoemd standpunt evenveel recht als aan dat der scheiding, ja meer: men verloochende het geheel en al en ging op de lijn der doleantie over, zooals wij later hopen te zien.
Toch is door ’s Heeren ontferming het beginsel der scheiding niet geheel vernietigd. De Christ. Geref. Kerk en haar beginsel leeft nog. Doch voor wij bij haar voortbestaan stilstaan, moeten wij haar beginsel nog toetsen aan Gods Woord, de Belijdenis onzer kerk en de geschiedenis van de kerk des Heeren buiten ons Vaderland.

’s-Gr. ('s Gravenhage) d.B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 september 1907

De Wekker | 4 Pagina's

Het voortbestaan der Christelijke Gereformeerde Kerk (II)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 september 1907

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken