Bekijk het origineel

De Christelijke Gereformeerde Kerk (XCV)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Christelijke Gereformeerde Kerk (XCV)

De Afscheiding

6 minuten leestijd

De kerkeraad van Almkerk zond bericht aan het Klass. Bestuur van hetgeen het in deze zaak gedaan had, maar moest tot zijn leedwezen constateeren, dat men geen gevolg gegeven had aan de vermaning van den predikant om het hoofd te ontblooten onder het zingen van een gezangvers. Den volgenden zondag had de predikant deze vermaning herhaald, maar zonder eenige vrucht. Daarop had de predikant in den namiddagdienst het gezangvers op het nagebed laten volgen, waarop het grootste gedeelte de kerk verliet, drie bleven echter met gedekten hoofden zitten, zonder verder eenigen aanstoot te geven. De kerkeraad had daarop dit drietal geroepen, hun gedrag hun onder het oog gebracht en hen vermaand dat zij in het vervolg het hoofd zouden ontblooten.
Wij zouden nu denken, dat het Klass. Bestuur hiermede de zaak zou beëindigen en het verder aan de bevoegdheid van den plaatselijken kerkeraad overlaten, deze onwilligen in het rechte spoor terug te brengen, maar spoedig daarop ontving de kerkeraad een nieuwe missive van het Klass. Bestuur van den volgenden inhoud:

N°. 27/18. „Heusden, den 1sten April 1835.
Het classicaal bestuur van Heusden heeft uit uwe laatste missive met leedwezen gezien, dat enkele personen, die het hoofd onder het godsdienstig gezang gedekt houden, op de vermaningen van UEerw. geene acht slaan, en alzoo voortgaan met het verachten der godsdienstige gebruiken bij de openbare godsdienst en het geven van liefdelooze ergernis. Hetzelfde meent UEerw. reeds genoegzaam te hebben ingelicht aangaande het onbetamende van zulk een gedrag, en de noodzakelijkheid, dat de godsdienstige gebruiken bij de openbare godsdienst door elk, daarbij tegenwoordig, geëerbiedigd worden. Het is op dien grond, dat het classicaal bestuur voornoemd UEerw. verzoekt en gelast, om voort te gaan met de onwilligen ernstig te vermanen, en, bij volharding, met opgave hunner namen, de hulp der plaatselijke policie in te roepen. Indien UEerw. hierin eenige zwarigheden mogen maken, zal het classicaal bestuur verpligt zijn te doen hetgeen des kerkeraads is, en zich vervoegen ter plaatse, waar zulks behoort. Het classicaal bestuur verwacht hierop, binnen acht dagen na het ontvangen dezer aanschrijving, het antwoord van UEerw. in.
Het classicaal Bestuur voornoemd,
Get. T. VAN SPAL, Praeses.
C.W. PAPE, Scriba.

Zulke stukken spreken voor zichzelven en openbaren genoegzaam met welk een geest het Classikaal Bestuur vervuld was.
Van geheel anderen toon was het antwoord des kerkeraads, dat wij hieronder laten volgen.
Hierop hebben wij geantwoord:
„De kerkeraad van Almkerk en Emmichoven, ontvangen hebbende eene aanschrijving van het classicaal bestuur van Heusden, om voort te gaan met de onwilligen, die hunne hoofden onder het godsdienstig gezang gedekt houden, te vermanen, en, bij volharding, de hulp der plaatselijke policie in te roepen, berigt aan voornoemd bestuur, dat nog maar één man in onze gemeente, onder het zingen der Evangelische gezangen tegenwoordig zijnde, zijn hoofd gedekt heeft gehouden, die echter aan den predikant reeds den 30sten Maart jl. beloofd had, zulks niet meer te zullen doen, en ook ll. zondag met de anderen de kerk heeft verlaten, hoewel hij mede vóór de classicale aanschrijving eene dagvaarding naar ’s Hertogenbosch had ontvangen en aldaar over dezelfde zaak aangeklaagd en gehoord is geworden.
De kerkeraad van Almkerk en
Emmichoven, namens denzelven,
(Get.) G. F. GEZELLE MBERBURG, 
Pred.

Er was nu geen mensch meer in het kerkgebouw te Almkerk, die onder het zingen van het gezangvers zijn hoofd gedekt hield; de Class. bevelen waren uitgevoerd, de leeraar liet het gezangvers als slotzang zingen en aanvankelijk was alles dan weer rustig. Maar toen kwam de predikant zelf tot het besluit dat hij geen gezangen meer moest laten zingen en zijn besluit rustte op de volgende overwegingen: „Ik kon en ik mocht, zegt hij, geen gezangen meer laten zingen; ik mocht niet langer tegen Gods Woord handelen en de harten des Heeren kinderen bedroeven; en niet te rade gaande met vleesch en bloed, hetwelk van nabij en van verre mij toeriep: doe het niet! en mij alle gevolgen van de ergste zijde voorstelde, vermocht ik niets tegen, maar voor de waarheid, en liet geen gezangen meer zingen. Van dat oogenblik af was er een gewenschte orde en stichting, hetgeen een ieder, die gedurende dien tijd onze godsdienst bijwoonde, zal moeten toestemmen al behoorde hij ook onder de ijverigste voorstanders der Evangelische Gezangen.”
Het schijnt dat in die dagen de omgang tusschen van Rhee en Gezelle Meerburg een bijzonder vriendschappelijke was. Want te samen besloten zij een adres aan de Synode te richten, waarin zij openlijk betuigden niet in te stemmen met hen die de afgezette predikanten de Cock en Scholte hielden voor dweepers en bedervers der gemeente. Zij verklaarden daarin dat ook zij wenschten in de mogendheid des Heeren Heeren met allen Christelijken ijver en gemoedelijke trouw de waarheid te leeren en te handhaven en voor dezelve op eene wettige, moedige en rondborstige wijze te ijveren, om alzoo dienstbaar te zijn aan de ware geestelijke belangen der Herv. Kerk in ons dierbaar Vaderland, en vroegen de Synode:
„1°. Dat de Hoog Eerw. Synode opentlijk aan de Nederlandsche Hervormde Kerk gelieve te verklaren, of zij de drie Formulieren van eenigheid onzer Kerk, de Geloofsbelijdenis vervat in de 37 Artikelen, inhoudende de hoofdsomme der leere van God en der eeuwige zaligheid der zielen, den Heidelbergschen Catechismus en de leerregels van de Dordrechtsche Synode, al of niet in alles met Gods heilig Woord overeenkomende en verbindende beschouwt? Zoo ja, dat de Synode dan ook
2°. Opentlijk verklare, dat alle Predikanten in de Gereformeerde Kerk van ons vaderland, zoo in hunne predikatiën als in de bijzondere onderwijzingen van hen, die zich tot de gemeente begeven willen, mitsgaders in de oefening der kerkelijke tucht, niet alleen mogen, maar ook verbonden zijn, om te leeren te handelen overeenkomstig de in onze kerk aangenomene Formulieren van eenigheid.
3°. Dat de Synode ons vrijheid verleene tot het niet meer afgeven van de zoogenaamde Evangelische gezangen, en ons ontsla van de verpligting tot het voorstellen der vier vragen bij de voorbereiding of bij de bediening des H. Avondmaals; want zoo wel het eene als het andere bevordert, in onze gemeenten, niet alleen geene orde, eendragt en stichting in de godsdienst, maar integendeel èn het afgeven der gezangen, èn het voorlezen der vragen, ontsticht vele godvreezenden, strekt tot verwarring en ergernis, en zal, zoo hierin niet voorzien wordt, hoe langs zoo meer eene treurige verdeeldheid der gemoederen te weeg brengen.”

Q.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 september 1907

De Wekker | 4 Pagina's

De Christelijke Gereformeerde Kerk (XCV)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 september 1907

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken