Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Doop en Wedergeboorte - XV

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Doop en Wedergeboorte - XV

5 minuten leestijd

De leer van het geloofsvermogen, zooals die door Kuyper is ontwikkeld en een fundamenteele beteekenis voor de Geref. Theologie gekregen heeft, wijzen wij dus af, en zeggen dat God in de ure des welbehagens den Zijnen het geloof inplant en die gave schenkt, welke Paulus in Efeze 2:8 het geloof noemt. Dat geloof bestaat naar zijn vezen in kennis en vertrouwen, het is dus geen vermogen om kennis te verkrijgen, maar het is kennis; evenmin is het een vermogen om te vertrouwen, maar het is vertrouwen van meet aan. Het is deze beide echter niet in zijn volkomenheid, maar in beginsel. Die kennis moet vermeerderd en dat vertrouwen moet toenemen.
Maar evenzeer wordt het duidelijk, dat de vergelijking van deze gave Gods met ons spraak- en gehoorvermogen volstrekt niet opgaat, en dat hoe eer hoe beter deze onjuiste vergelijking dient nagelaten te worden. Ons spraak- en gehoorvermogen zijn werkelijk vermogens, want noch onze spraak, noch ons gehoor komen uit deze vermogens op, maar zij zijn niet meer dan de instrumenteele oorzaak van ons spreken en ons hooren, zij zijn ons spreken en ons hooren zelf niet. Maar wat Kuyper het geloofsvermogen noemt, is ons geloof zelf. Het is, zegt hij zelf, een zekere kennisse en het is een zeker vertrouwen. Vandaar het onjuiste van de vergelijking.
Op één zaak moet hier echter onze aandacht worden gevestigd, zal alle misverstand of verkeerde gevolgtrekking uitgesloten zijn. Er zou toch kunnen gevraagd worden: indien het geloof van stonden aan kennis en vertrouwen is en ons dus in onmiddellijke relatie met zijn voorwerp brengt, hoe komt het, dat wij aanvankelijk daar niets van bemerken, zoodat het allen schijn heeft, dat het geloof niet is, wat. het is. En dan antwoord ik, dat wij menschen in alles aan ons bewustzijn gebonden zijn. Zoolang iets niet in ons bewustzijn ingaat, bestaat het voor ons niet. Wil het daarom zeggen, dat het niet is? Ganschelijk niet. Het zegt alleen dat het niet is voor ons, dat wij er geen rekening mede kunnen houden, om reden wij van zijn bestaan niet bewust zijn.
Hierop wordt maar veel te weinig gelet, en toch gaat juist daardoor zulk een heerlijk licht over het geloof in zijn oorsprong en wording op. Want als de Heere den zondaar het geloof in en door de wedergeboorte inplant, gaat de actus van dat geloof niet onmiddellijk in ons bewustzijn in, d. w, z. wij nemen aan het kennen en vertrouwen des geloofs met ons bewustzijn geen deel, gelijk het kind aanvankelijk met zijn bewustzijn geen deel neemt aan het leven dat het zelf leeft. Aanvankelijk gaat de actus van het geloof geheel buiten ons bewustzijn om. En zoolang heeft hij nu voor ons geen beteekenis, maar daarom is hij wel aanwezig. Het kind spreekt ook niet dadelijk als het geboren wordt, maar laat het niet onmiddellijk hooren dat het een spraakvermogen ontving? Later gaat het spreken, als het zich zijn gewaarwordingen en behoeften bewust wordt. Zoo ook is het met het geloof. Waar het ingeplant wordt, worden wij in relatie met het voorwerp des geloofs gezet en wordt er van stonden aan geloof ten opzichte van dit voorwerp geoefend.
Maar niet dadelijk met daden, die in ons bewustzijn ingaan en die wij ons zelven bewust zijn. Zijn ze er daarom niet? Terdege! Wij zouden, wanneer wij dit ontkenden, immers het wezen van het geloof vernietigen, dat naar luid van den catechismus én in een zeker kennen én in een zeker vertrouwen bestaat. En daarom zijn wij het met Kuyper niet eens, als hij zonder meer zegt: dat wij verreweg de meeste oogenblikken van ons leven niet gelooven. Wij gelooven dat na het moment waarin God ons het geloof inplantte, er geen oogenblik in ons leven meer is, waarin dat geloof de kennis van zijn voorwerp en het vertrouwen op zijn voorwerp verliest, maar dat die kennis er is en dat vertrouwen geoefend wordt. Wat anders is het, of het zich altijd aan ons bewustzijn mededeelt, of die geloofskennis zich in ons bewustzijn afspiegelt en dat vertrouwen met bewustheid geoefend wordt. Dan zeggen wij: op verre na niet. Dan gaat de actus van het geloof telkens buiten ons bewustzijn om, en ieder begenadigde weet het, hoe zeldzaam de oogenblikken zijn, dat hij met bewustzijn het voorwerp des geloofs kent en met bewustzijn op het voorwerp des geloofs vertrouwt. Dan smaakt hij den troost van zijn geloof. Dan geniet hij er de bate van. Dan kent hij zich in Christus het voorwerp des geloofs, rechtvaardig voor God en een erfgenaam des eeuwigen levens.
Dan jubelt hij met David: „Ik vreeze niet, al ging ik ook in een dal der schaduwen des doods. Ik zoude geen kwaad vreezen, want Gij zijt met mij. Uw stok en Uw staf die vertroosten mij.” Maar nauwelijks treedt de actus van het geloof weer buiten het bewustzijn, zoodat wij met ons bewustzijn niet meer kennen en vertrouwen, of dat alles gevoelen wij ons ontvallen. In de wetenschap houden wij het vast, maar in de dadelijkheid wordt het gemist.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 februari 1908

De Wekker | 4 Pagina's

Doop en Wedergeboorte - XV

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 februari 1908

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken