Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Gestorven zijn en leven

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Gestorven zijn en leven

10 minuten leestijd

„Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zoo gelooven wij, dat wij ook met Hem zullen leven.” Rom. 6:8.

De groote en alles omvattende weldaad, door het geloof voor God gerechtvaardigd te zijn, is van rijkgezegende en uitgebreide vruchtgevolgen. Reeds met het vijfde hoofdstuk is Paulus in dezen brief begonnen, om op die vruchtgevolgen te wijzen van des zondaars rechtvaardiging, door den apostel in de eerste hoofdstukken van den brief aan de Romeinen zoo kernachtig ontwikkeld. Niet slechts in betrekking tot de leer der zaligheid, maar ook in betrekking tot het leven, wordt dan in hoofdst. 6 en vervolgens de vrucht der rechtvaardiging aangetoond.
Uit de éénheid der geloovigen met Christus besluit de apostel, dat de geloovigen niet alleen met Christus gekruist, maar ook met Hem zijn opgewekt. Het antwoord op de vraag, wie met Christus leeft, is afhankelijk van een andere vraag, namelijk: wie met Christus gestorven is. Vandaar de stelling uitgesproken in bovenstaande woorden: Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zoo gelooven wij, dat wij ook met Hem zullen leven.
Dat „gelooven” beteekent hier maar niet een algemeene gedachte, alsof Paulus wilde zeggen: ik denk het, ik meen het, ik houd het er voor, dat het wel zoo zijn zal. In veel sterker zin spreekt de apostel zich uit, gelijk duidelijk blijkt uit het geheele redeverband. Er staat dan ook niet slechts: ik geloof, maar wij gelooven, „Nu” wil zeggen: waar het vast staat, dat we door ’t geloof voor God gerechtvaardigd zijnde, ééne plante met Christus zijn geworden in de gelijkmaking Zijns doods, zoo moet daaruit volgen, dat we het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding.
Christus, die gestorven is, leeft. Hij leeft in heerlijkheid, en Zijne geloovigen zullen ook eeuwig met Hem leven. Dat nieuwe, dat heerlijke leven openbaart zich reeds nu, zij het dan ook slechts in beginsel, als een leven, niet uit Adam, maar uit Christus. En omdat dit leven uit Christus is, wat de oorsprong betreft, kenmerkt dat leven zich door deszelfs bijzondere eigenschappen en vruchten. Dit doet den apostel aan het begin van dit hoofdstuk vragen: Wij, die der zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in dezelve leven? Zijn van een dooden boom geen vruchten te wachten, even dwaas is het te denken of te meenen, dat de mensch zonder geestelijk leven vrucht zou kunnen voortbrengen, die Gode welbehagelijk is. Om volkomen zeker te zijn, dat men leeft en eeuwig met Christus in heerlijkheid leven zal, is het vóór alle dingen de vraag: Zijt ge met Christus gestorven? Gestorven namelijk, gelijk in vers zes is omschreven: dat onze oude mensch met Christus is gekruisigd. Is dit geschied, dan kan de zonde niet meer heerschen, want dan treedt het leven van Christus in den wedergeboren mensch op met heerschappijvoerende kracht. Ge blijft dan, zoolang ge nog op aarde zijt, wel een lichaam der zonde, een natuur, die verdorven is, omdragen, maar als vrucht van de geloofsvereeniging met Christus zal een ander leven dan uit Adam zich in u openbaren.
Wel blijft dat leven nog in vele opzichten een in God verborgen leven, maar eenmaal, als Christus zal geopenbaard worden, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid. Te besluiten uit den dood tot het leven mag voor velen raadselachtig schijnen, doch in de Heilige Schrift wordt ons dit zoo duidelijk mogelijk geleerd. Wie van dat gestorven zijn met Christus niets weet en daar niets van verstaat, ook niet de minste bewijzen daarvan geeft, hoe zal deze op deugdelijke gronden kunnen hopen te leven. Toch kan men helaas overal dit treurig verschijnsel waarnemen. Vreemd zien niet zelden zulke menschen op, die op allerlei droggronden bouwen, als men hun de vraag ernstig voorhoudt, of zij ook weten wat het is, met Christus gestorven te zijn.
Dood of leven, welk een ontzaglijke tegenstelling. Die tegenstelling vinden we in des Heeren Woord op de meest stellige wijze geleerd en tegen allerlei bedenkingen gehandhaafd. Nooit en nergens leest ge in dit opzicht van dood en leven in één en denzelfden mensch. Eén van beiden: ge zijt dood door de zonden en misdaden, of ge zijt met Christus levend gemaakt. Alle voorstelling alsof dit beide in één en denzelfden mensch kan bestaan, is valsch, onwaar en met geheel de Godsopenbaring in strijd. Vraagt men, hoe het dan toch komt, dat zooveel van die valsche, onware voorstelling van het leven zich kan openbaren, dan is dit alleen te verklaren uit de geestelijke blindheid der zoodanigen.
Natuurlijk is er geen grooter, geen vreeselijker dwaling denkbaar, dan te meenen en te gelooven, dat men leeft, geestelijk leeft, terwijl men in werkelijkheid dood is en geen enkel levensteeken openbaart.
’t Is dan ook niet te zeggen, waarvan menschen al een grond maken voor de eeuwigheid. Vooral in den tegenwoordigen tijd, nu zoo velen in een valsche leer worden onderwezen en opgevoed. Er zijn kringen, en niet weinige, waar men u met vreemde oogen aanziet, als men spreekt over onbekeerde menschen, Van zeer vele predikstoelen wordt het openlijk geleerd, dat al wat gedoopt is, voor wedergeboren moet gehouden worden.
Zulk een leer wil er in, die trekt aan, dat is een evangelie naar den mensch. Dat is geheel wat anders dan Zondag op Zondag te moeten hooren, dat noch onze doop, noch een rechtzinnige belijdenis, noch een onberispelijk leven genoeg is voor de eeuwigheid. Toch, hoe goed, hoe uitnemend en prijzenswaardig alle uiterlijke dingen zijn, nooit kunnen zij, op zichzelf genomen, grond zijn voor de zaligheid. Die niet wedergeboren is, zal het Koninkrijk Gods niet zien. Die niet met Christus is gestorven, hoe zal die met Hem kunnen leven. Met Christus gestorven zijn alleen zij, die door de teedere, door Gods Geest gewerkte geloofsvereeniging, zoodanig met Christus vereenigd zijn, dat zij, gelijk de Schrift zegt, ééne plante met Hem geworden zijn. Is dit werk der genade eenmaal geschied, dan kan het niet anders, dan zal het zich in de vrucht openbaren.
Om zich hierin niet te bedriegen is niet alleen noodig te letten op de openbaring naar buiten, maar bijzonder ook op het beginsel, dat daaraan ten grondslag ligt. De Farizeër en de tollenaar kunnen beide naar den tempel gaan, beide hebben dus, naar het uiterlijk geöordeeld, éénzelfde openbaring. Maar anders wordt het, als we die beiden volgen en hooren wat ze in den tempel bidden. Allen, die met Paulus door Gods genade kunnen zeggen: wij gelooven, dat we met Christus zullen leven, die spreken alzoo niet, alsof zij eens dat leven hier namaals zouden verwachten. Wel wachten zij de volle heerlijkheid daarvan eerst na dit leven, maar in beginsel zijn zij reeds hier op aarde dat leven deelachtig. In oorsprong, in aard, in openbaring en vrucht teekent zich en onderscheidt zich dat leven als een werk Gods. Er mag, alleen naar het uiterlijk geöordeeld, veel zijn, dat daarop gelijkt, doch bij nader onderzoek zal blijken, dat er in het wezen der zaak groot verschil is tusschen schijn en zijn.
Menigmaal moeten we de kunst bewonderen, dat ze zoover gaat, om ’t leven na te bootsen. Men maakt menschen van was, zoo sprekend, zoo juist gelijkend, dat ge inderdaad zoudt meenen, dat ge levende wezens voor u zaagt. Men schildert bloemen en vruchten zoo schoon en zoo prachtig, dat ge er de hand naar zoudt uitstrekken om ze te grijpen, en toch is het geen werkelijkheid, geen leven. Historische kennis, verstandelijke ontwikkeling en een goed oordeel kunnen op dezelfde wijze een mensch den schijn doen geven van geestelijk leven te bezitten, doch als men onderzoeken gaat naar oorsprong, aard en vrucht, vindt men den dood in den pot.
Is daarentegen het werk Gods aanwezig, ach hoe gering dan kennis en gaven ook kunnen zijn, dan wordt men toch aanstonds iets gewaar van hetgeen men bij anderen mist. Leven is altijd zeer gevoelig. Leven is nooit denkbaar zonder behoefte. Leven, geestelijk leven, hoe onderscheiden ook wat de trap of graad van dat leven betreft — altijd vinden we verwantschap. De hand is de voet, en de voet is de hand niet van het lichaam, maar ieder lid van het lichaam staat in verband met het hoofd.
Spreekt Paulus over de dierbare en heerlijke vrucht des geloofs, welke Gods kinderen deelachtig zijn, hij legt als een wijs bouwmeester eerst een goed en deugdelijk fondament. Daarop voortbouwend wijst hij hier met een enkel woord op ’t einde van ’t werk, op hetgeen niet alleen voor het tegenwoordige, maar op hetgeen ook in de toekomst der geloovigen zaligheid zal uitmaken. Met Christus te zullen leven — met die weinige woorden wordt de rijkdom der genade omschreven, waarin zij zich zullen verlustigen, die hier op aarde leerden verstaan, wat het zegt, met Christus gestorven te zijn.
Christus, uit de dooden opgestaan, leeft in heerlijkheid en heeft geene verandering meer te wachten. Verheerlijkt aan de rechterhand des Vaders, leeft Hij als de Overwinnaar van dood en graf tot in alle eeuwigheid.
Zullen de geloovigen hiernamaals met Hem leven, dan houdt dit in, dat zij met Hem in Zijne heerlijkheid zullen deelen. Nu zijn wij kinderen Gods, zegt Johannes, maar het is nog niet geöpenbaard, wat wij zijn zullen, doch wij weten dat als Hij zal geöpenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen, want we zullen Hem zien, gelijk Hij is.
Christus gelijk zijn — wie gevoelt niet, dat dit alle beschrijving te boven gaat. Leven met Christus, leven uit Christus, en ten laatste leven bij Christus en Hem gelijk zijn. Daaruit volgt hoe groot de verandering tusschen het tegenwoordige en het toekomende leven der geloovigen zal zijn.
Waren we alleen in dit leven op Christus hopende, dan waren wij de ellendigste van alle menschen. Moeiten, zorgen en allerlei lijden houden in dit leven niet op. Doodvijanden houden niet op ons aan te vechten.
Dit land zal de ruste niet zijn. Uit kracht der verdorvenheid onzer natuur uit Adam houdt de zonde niet op. En zoolang deze niet geheel en al is te niet gedaan, kunnen ook de gevolgen der zonde niet ophouden. Maar met den dood houdt de natuur van Adam op te bestaan. Met den dood wordt het lichaam der zonde niet gekruisigd, dan sterft het. Dan volgt de openbaring van het leven in al deszelfs kracht, glans en heerlijkheid. Wij gelooven, zegt de apostel, dat wij ook met Christus zullen leven. Dat geloof is geen fantasie noch inbeelding. Het is een zeker weten en vertrouwen, dat niet rust op de verklaring van eenig schepsel, maar dat gegrond is op het eeuwig en onfeilbaar Woord van God. Bijgevolg, wat ook twijfelachtig kan zijn, maar dit niet. Wat ook kan teleurstellen, maar dit onmogelijk. Het leven van Christus kan niet sterven, en daarom ook het leven van de leden Zijns lichaams niet.
Is op het einde, op de volmaking van dat leven het oog gevestigd, dan grijpt ge moed, zelfs in en onder de moeielijkste omstandigheden van het leven. Immers, dit weet Gods kind: de reis door dit tranendal duurt maar kort. Er komt weldra een eind aan al het zuchten en worstelen van hen, die hun aangezicht naar Sion hebben gewend. Het evangelie der opstanding ruischt als een psalm des vredes over de graven onzer in Christus ontslapenen, want Christus de Vorst des Levens heeft verklaard: die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven.
Leven, eeuwig leven, leven met Christus, leven tot in eeuwigheid, is in Christus voor allen, die in Hem gelooven, verzekerd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 mei 1908

De Wekker | 4 Pagina's

Gestorven zijn en leven

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 mei 1908

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken