Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Doop en Wedergeboorte - XXVIII

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Doop en Wedergeboorte - XXVIII

5 minuten leestijd

Wat de leer der onmiddellijke Wedergeboorte aangaat heeft de Synode te Utrecht 1905 geoordeeld: dat deze uitdrukking in goeden zin gebruikt kan worden in zooverre onze Kerken steeds tegenover de Luthersche en Roomsche Kerk hebben beleden, dat de wedergeboorte niet geschiedt door het Woord of de Sacramenten als zoodanig, maar door de almachtige en wederbarende werking des Heiligen Geestes; dat deze wederbarende werking des Heiligen Geestes echter niet in dien zin mag losgemaakt worden van de prediking des Woords alsof beide van elkander gescheiden zonden zijn; want al leert onze Belijdenis, dat wij aangaande de zaligheid onzer jonggestorvene kinderen niet te twijfelen hebben, alhoewel ze de prediking des Evangelies niet hebben gehoord, en aangaande de wijze, waarop deze wedergeboorte bij jonge kinderen geschiedt, nergens in onze belijdenisschriften uitspraak wordt gedaan, toch aan de andere zijde vaststaat, dat het Evangelie een kracht Gods is tot zaligheid een iegelijk die gelooft en dat bij de volwassenen de wederbarende werking des Heiligen Geestes de prediking des Evangelies vergezelt. Al betwist de Synode niet, dat God machtig is ook buiten de prediking des Woords om, met name in de heidenwereld, degenen die Hij wil tot wedergeboorte te brengen, toch oordeelt de Synode dat wij op grond van Gods Woord over de vraag of dit ook werkelijk geschiedt, geen uitspraak kunnen doen en daarom ons te houden hebben aan den regel, dien het geopenbaarde Woord ons geeft, en de verborgene dingen hebben over te laten aan den Heere onzen God.
Wie deze conclusie aandachtig leest, moet zeggen, dat zij het punt in geschil niet eens raakt, want hoe beslist had dan de Synode, die samengekomen was met last en macht om in alle voorkomende zaken overeenkomstig Gods Woord en de Formulieren van Eenheid te handelen, zich over dit punt niet kunnen uitspreken. Alle onduidelijkheid, alle slapheid en onbeslistheid had uit hare conclusie moeten geweerd zijn, daar immers én de Heilige Schrift én de Drie Formulieren, gelijk wij met tal van uitspraken bewezen hebben, geen onzeker geluid geven. De Synode had de leer van eene onmiddellijke wedergeboorte niet slechts kunnen, maar bepaald moeten veroordeelen als in strijd zijnde met hetgeen ons omtrent dit stuk in de Heilige Schrift en Belijdenis geleerd worden. Zij had moeten verbieden dat deze leer op den kansel of in geschriften verbreid werd en maatregelen moeten beramen tegen wie dit gevoelen durfden voor te staan. Dan had de Synode te Utrecht fier gehandeld. Dan had zij de erfenis der Vaderen ongeschonden bewaard en eene beslist gereformeerde conclusie genomen. Maar haar conclusie is toch niet ongereformeerd? zal iemand zeggen. De conclusie is niet ongereformeerd, maar evenmin beslist Gereformeerd. Want wat heeft de Synode gezegd: de uitdrukking onmiddellijke wedergeboorte kan in goeden zin genomen worden. Zeker onze vaderen hebben ook deze uitdrukking meer dan eenmaal gebruikt tegenover de Remonstranten, maar laat ons goed weten hoe. Wat deden de Remonstranten? Zij maakten de wedergeboorte, het geloof en de bekeering afhankelijk van eene voorwaarde die door den mensen vervuld moest worden, en die daad was: eene vrije toestemming van het verstand en eene vrije daad van den wil. Zij ontkenden daarom, zegt prof. Bavinck (B. en W. pag. 69), dat er bij het Woord nog eene bijzondere krachtdadige werking des Heiligen Geestes in het hart van den zondaar bij komen moest; zij loochenden eene werkzaamheid des Heiligen Geestes naast het Woord; en zij meenden dat de zedelijke werkzaamheid des Geestes in en door het Woord genoegzaam was, om den mensch, indien hij zelf wilde, te bekeeren en te vernieuwen.” Het Woord was dus volgens de Remonstranten wel een zaad der wedergeboorte, maar het werd dit eerst voor den mensch, wanneer die mensch zijnerzijds de beletselen wegnam en dat woord zedelijk op zich liet inwerken.
Tegenover deze Remonstrantsche leer bezigden onze vaderen nu de uitdrukking onmiddellijke wedergeboorte, die dus verstaan moet worden niet in den zin alsof God de wedergeboorte zonder eenig middel werken zon, maar die zóó moet verstaan worden, als onze Dordsche Vaderen die omschreven hebben in Hoofdst. III—IV § 11 en 12, waar zij zeggen: „Hij, nl. de Heere, dringt ook tot in de binnenste deelen des menschen met de krachtige werking deszelven wederbarenden Geest; Hij opent het hart dat gesloten is: Hij vermurwt dat hard is; Hij besnijdt dat onbesneden is. In den wil stort Hij nieuwe hoedanigheden, en maakt dat dezelfde wil, die dood was, levend wordt; die boos was, goed wordt; die niet wilde, nu dadelijk wil; die wederspannig was, gehoorzaam wordt; Hij beweegt en sterkt dien wil alzoo dat hij als een goede boom vruchten van goede werken kan voortbrengen. § 12. En dit is die wedergeboorte, die vernieuwing, nieuwe schepping, opwekking van de dooden en levendigmaking, waarvan zoo heerlijk in de Schriftuur gesproken wordt, dewelke God zonder ons in ons werkt; en deze wordt in ons niet teweeg gebracht door middel van de uiterlijke predikatie alleen, noch door aanrading, of zulke manier van werking, dat, wanneer nu God Zijn werk volbracht heeft, het alsdan nog in de macht des menschen zou staan, wedergeboren of niet wedergeboren te worden, bekeerd of niet bekeerd te worden; maar het is eene gansch bovennatuurlijke, eene zeer krachtige en tegelijk zeer zoete, wonderlijke, verborgene en onuitsprekelijke werking, dewelke naar het getuigenis der Schriftuur, (die van den Auteur van deze werking is uitgegeven) in hare kracht niet minder noch geringer is dan de schepping of opwekking der dooden, alzoo dat alle diegenen, in wier harten God op deze wonderbaarlijke wijze werkt, zekerlijk, onfeilbaar en krachtig wedergeboren worden en dadelijk gelooven,”

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 oktober 1908

De Wekker | 1 Pagina's

Doop en Wedergeboorte - XXVIII

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 oktober 1908

De Wekker | 1 Pagina's

PDF Bekijken