Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De onzichtbare beschuldiger

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De onzichtbare beschuldiger

10 minuten leestijd

„En Davids hart sloeg hem, nadat hij het volk geteld had.” 2 Sainuël 24:10a

Welk een groot verschil, als we het eerste gedeelte van dit hoofdstuk vergelijken met het eerste gedeelte van het vorige hoofdstuk.
Wisten we niet beter we zouden allicht zeggen of denken, dat kart niet van één en denzelfden mensen worden gezegd.
Daaruit zien we, dat de Heilige Schrift niet eenzijdig is.
De Heilige Geest, die de Auteur van de H. S. is, teekent ons onder meer ook bet leven der Bijbelheiligen in volle werkelijkheid.
Wij weten welk een man David, de koning Israëls was, vanwien de Heere zelf getuigt, dat hij een man was naar Gods harte.
Een man met zeldzame gaven, met bijzondere genade, een dapper held, een man des geloofs bij uitnemendheid.
Hoe heerlijk is Davids belijdenis, als we in het voorgaande hoofdstuk lezen: „Hoewel mijn huis alzoo niet is bij God, nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld, dat in alles wel geordineerd en bewaard is; voorzeker is daarin al mijn heil, en alle lust, hoewel Hij het nog niet doet uit-spruiten”.
En als diezelfde koning Israëls, die ook een profeet des Heeren was, in zijn schoone psalmen zijne ziele uitstort voor God, om in boet-, en lofpsalmen, ook in zijn Messiaansche liederen, zijn innig geloofsleven te doen kennen, wie zou dan nog een oogenblik kunnen aarzelen om te erkennen, dat David groot was voor den Heere.
En toch, hoe groot en uitnemend hij overigens ook was, het is van dienzelfden man Gods, dat we lezen, dat bij zekere gelegenheid zijn hart hem sloeg. Dat had niet kunnen gebeuren, als er geen oorzaak ware geweest. Bij het onderzoeken naar die oorzaak zal blijken, dat David, welk voortreffelijk man hij overigens ook was, toch ook een mensch was van gelijke beweging als alle andere kinderen van Adam.
En het is gelukkig, dat we bet weten uit de Heilige Schrift en dat het op aanschouwelijke wijze’ in voorbeelden wordt aangetoond, wat zoo naar waarheid in onzen Heidelb. Catechismus wordt uitgesproken, dat ook Gods kind in zichzelven aangemerkt zoo zwak is, dat we geen oogenblik kunnen bestaan.
De allerheiligste heeft in dit leven nog maar een klein beginsel van die gehoorzaamheid, welke wij Gode schuldig zijn. Stond ook dit niet in Gods heilig en onfeilbaar Woord, dan, naar den mensch gesproken, zouden vele, toch begenadigde zielen bij oogenblikken wanhopen aan hun behoudenis.
Dat Davids harte hem slaat, is bet gevolg van zijne overtreding, waarmede bij tegen den Heere zijnen God heeft overtreden.
De koning Israëls heeft door Joab zijn krijgsoverste het volk laten tellen, en daarmee had hij gedaan, dat kwaad was in de oogen des Heeren.
Mocht dan een koning van Israël niet weten, hoe groot zijn volk was, mocht hij niet weten en onderzoeken, hoeveel manschappen hij kon uitbrengen als het land door een vreemden vorst de oorlog werd verklaard?
Zeker mocht dit.
De Heere had dit bij en onder Zijn Israël eer gewettigd dan verboden.
We lezen echter (Exod. 30; 12) dat de Heere tot Mozes had gezegd: als gij de som van de kinderen Israëls opnemen zult, naar de getelden onder hen, zoo zullen zij een iegelijk de verzoening zijner ziel den Heere geven, opdat onder hen geen plage zij, als gij ze tellen zult. Aan die opneming van het volk had Jehovah zoenoffers verbonden, opdat iedere Israëliet zich bewust zou zijn zijne onwaardigheid voor en zijne afhankelijkheid van God.
Zoo zijn er meer dingen, die op zichzelf genomen niet kwaad zijn, maar die kwaad worden, als zij geschieden met bijzondere, met verkeerde, zondige oogmerken. En dat dit juist bij David het geval was, is door de geschiedenis bewezen. Vooreerst was er geen aanleiding of oorzaak die deze volkstelling wettigde.
Vervolgens getuigt de wijze, waarop de koning Israëls Joab’s woord weerstond, volstrekt niet van ootmoedigheid op die oogenblikken.
Na verloop van negen maanden en twintig dagen kwam des konings dienaar terug naar Jeruzalem van den arbeid, dien hij tegen zijn wil en overtuiging had moeten volgen. Achthonderd duizend strijdbare mannen in Israël en vijfhonderd duizend in Juda, ziet daar de opgaaf door Joab aan zijn koning voorgelegd.
En nu?
Brengen die hooge cijfers nu den koning vrede, rusten tevredenheid?
Zijn hart sloeg hem.
Waarom ? Wat kwaad bad de man daarmee dan gedaan?
Niemand behoeft in dezen David te verontschuldigen.
Niemand behoeft als advocaat voor hem op te treden. Er is een onzichtbare beschuldiger, die waarheid getuigt, en wel zoo krachtig, zoo gevoelig, dat het ongerijmd zou zijn, dien beschuldiger te willen tegenspreken.
Het afdoend bewijs van schuld vernemen we van den man zelf, die daaromtrent belijdenis doet en zegt: Heere! ik heb zeer gezondigd in hetgeen ik gedaan heb…… Ik heb zeer zottelijk gedaan.
Het beginsel, waaruit het bevel aan Joäb gegeven voortkwam, was verkeerd. Daar zijn hoogmoed eenerzijds en wantrouwen in God anderzijds niet van af te denken.
Zoo geheel anders was David gesteld, toen hij uitging om den trotschen en gevreesden Goliath in de kracht des Heeren te verslaan.
Toen had de man geen duizendtallen, ja zelfs geen tientallen noodig om hem ter zijde te staan: Toen had hij aan zijn God genoeg.
Maar onder Gods toelating door den Satan aangepord, streelde hem de gedachte, toch eens te weten, hoe groot zijn macht en hoe machtig zijn legers wel waren, welke hij zou kunnen aanvoeren tot den strijd.
’t Was Davids geweten, dat hem sloeg en dat als onzichtbare beschuldiger tegen hem optrad. En hoe treurig de zaak als zaak ook was, gelukkig nog maar de mensch, die een werkend, een goed werkend geweten heeft. Er zijn menschen, die zooveel en zoo lang legen hun geweten hebben gezondigd, dat het geweten ten slotte aan een stilstaande kok gelijk is.
Zoo lezen we in Gods Woord van menschen, wier geweten als met een brandijzer is dichtgeschroeid. Zoo is het met David niet.
O neen, het is hem alsof het hem met een stem uit den hemel wordt toegeroepen: „gij zijt de man”. Iemand die zich aan een of andere misdaad heeft schuldig gemaakt en die zich vergrepen heeft tegen zijnen naaste, kan ook door zijn geweten beschuldigd worden.
Hij die meende, dat zijn kwaad verborgen was, en tevens hoopte, dat het verborgen zou blijven, ziet den gerechtsdienaar op hem aankomen, en ach eer diens hand hem nog.gegrepen heeft, zegt dat geweten al: mijn misdaad is bekend geworden.
Maar niet allen komen tot belijdenis van hunne overtreding tot den Heere. Kan onder Gods toelating ook Gods kind nog in zonde vallen, in de zonde leven is nog wat anders. Vandaar dat oprecht, dat hartelijk, dat met bitter leedgevoel schuldbeliiden, gepaard met de bede om schuldvergeving, dat we bij koning David en bij ieder oprecht geloovige steeds zullen waarnemen.
Verscheidene schriftuitleggers hebben gedacht, dat de 32ste psalm bijzonder zou wijzen op en doen denken aan de volkstelling van David. Met zekerheid is dit moeielijk uit te maken.
Maar al zag die psalm op een ander feit uit Davids leven, dan kunnen we toch uit dezen en uit andere boetpsalmen zien, van hoedanigen aard het berouw en het leedgevoel over de zonde bij de bijbelheiligen geweest is. Berouw te hebben over de zonde zelve is nog zoo geheel iets anders dan alleen berouw te hebben alleen wegens de gevolgen der zonde.
Zoodra Davids hart hem sloeg, worden we een tollenaarsgestalte in hem gewaar.
En al is het waar, wat men wel eens zoo heeft uitgedrukt, dat de vromen niet goedkoop zondigen, al is het waar, met andere woorden, dat ieder waar geloovige, die in zonde valt, ervaren zal, dat God de Heere in dit leven afrekent met Zijn volk, toch zeggen we: gelukkig als die onzichtbare beschuldiger maar geregeld zijn werk doet.
Het woord conscientie, waarvoor meestal het woord geweten gebruikt wordt, is een zinrijk woord van latijnschen oorsprong, samengesteld uit twee woorden, die letterlijk vertaald beteekenen : medeweten. Medeweten, niet met menschen, maar met God. Voor menschen kan veel, maar voor God kan niets verborgen zijn. Men heeft dan soms de conscientie wel genoemd „een stedehouderesse Gods”. Dat is heel wat anders dan het instinct van de dieren, dat soms ook ver gaat, maar waar geen rede bijkomt.
De mensch is een redelijk schepsel.
Door die rede bezit de mensch het vermogen om te onderscheiden tus-schen goed en kwaad, om te kunnen oordeelen over oorzaken en daaruit voortkomende gevolgen. Vandaar dat de mensch verantwoordelijk is voor zijne daden.
De zonde is echter van zoodanigen aard, dat zij den mensch hoe langer hoe ongevoeliger maakt. Iemand die in de zonde leeft, wordt zoo aan de zonde gewoon en door de zonde verhard, dat ten laatste de zonde niet meer wordt opgemerkt, veel minder er over wordt nagedacht.
Menschen, die alle dagen vloeken en Gods’heiligen naam lasteren, weten ten slotte niet eens meer dat zij zulks doen.
Zoo gaat het Gods kinderen niet, al is het waar, dat zij ook steeds tot hinken en zinken gereed zijn en altijd en in alles de bijzondere bewaring des Heeren van noode hebben.
Menig mensch sloeg bij het inslaan van een verkeerden weg, of bij het zich begeven in verkeerd gezelschap en bij het gaan naar verkeerde en door God verboden plaatsen, korter of langer het hart, bij werd aangeklaagd en beschuldigd door zijn eigen geweten.
Maar door telkens dit kwaad te herhalen, werd het zondigen steeds gemakkelijker, tot ten laatste dat geweten geheel verkracht was. Duizenden, waaronder zooveel jonge menschen, hebben, toen het te laat was, onder veel bittere tranen bekend: had ik maar geluisterd naar de stem in mijn binnenste, toen die onzichtbare beschuldiger nog luide tegen mij getuigde.
Davids hart sloeg hem. Dat slaan veroorzaakte een geweldige pijn.
Maar dat slaan bracht middellijker wijs David, waar men komen moet, om vergeving van zonde te verkrijgen. O hoe bang was het dezen man Gods, toen de profeet Gods hem het oordeel Gods aankondigde.
Maar hoe ontzettend en hoe bitter de gevolgen der zonde ook zijn, gelukkig die maar als een David in de handen des Heeren mag vallen. Om Christus’ wil vergeeft God de zonde en ongerechtigheid Zijns volks. Berouw en hartelijk leedwezen gaat dan vooraf.
Maar die .zijn zonde belijdt en Iaat, zal barmhartigheid geschieden.
Tot leering en waarschuwing staan zonden en zwakheden van Gods heiligen aangeteekend in de Heilige Schrift, opdat allen, die den Heere vreezen, toch met voorzichtigheid en bedachtzaamheid zouden wandelen als kinderen des lichts.
En wee den mensch, die de zonden der bijbelheiligen als een kleed zoekt te gebruiken om eigen zonde en schande te bedekken.
Elke waarschuwing, welke tot ons komt, ook de waarschuwing van dien onzichtbaren beschuldiger dient aangemerkt te worden als een bewijs van de bemoeienis des Heeren.
God heeft geen lust in den dood des goddeloozen, maar daarin, dat hij zich bekeere en leve.
Houden van binnen en van buiten de waarschuwingen op, dan zijt ge overgegeven aan uzelven, en wat is dan voor een zondaar te wachten, anders dan het eeuwige verderf, als de Heere bet niet genadig verhoedt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 22 July 1910

De Wekker | 4 Pagina's

De onzichtbare beschuldiger

Bekijk de hele uitgave van Friday 22 July 1910

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken