Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Mozes biddende op de hoogte

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Mozes biddende op de hoogte

12 minuten leestijd

En het geschiedde, terwijl Mozes zijn hand ophief, zoo was Israël de sterkste, maar terwijl Mozes zijn hand nederliet zoo was Amalek de sterkste. Exodus 17:11

Wij staan nog op den drempel van het jaar 1911, waar de echo van een aangrijpend verleden ons nog steeds in het oor trilt, maar vaar in nog aangrijpender kracht de toekomst ons aanstaart. Daar ligt zij voor ons de baan van drie honderd vijf en zestig dag reizen lang, waarop het „strijd om in te gaan” steeds als wachtwoord geldt. Wij weten niet wat de toekomst in haar schoot verbergt, hier is veel in nevelen gehuld, doch één ding weten wij zeker, dat ons alleen strijd wacht. Wie zich anders voorstelt, zal dra uit zijn zoete sluimering worden gewekt, en zijn droombeeld zal vluchten voor een harde werkelijkheid. „Heeft niet de mensch een strijd op aarde” zal ook in dit jaar de grondtoon van het dagboek onzes levens zijn. En wat is nu uw wapen, waarmede gij, lezer, in het strijdperk treedt? Gij bouwt op uw kracht, maar is de sterkste niet enkel ijdelheid; op uw verstand en overleg, maar faalt niet menigmaal bet scherpst verstand; op schoone vooruitzichten; zou bet voor’t eerst zijn dat deze in rook verdwijnen? Arme mensch, die zijn wapenen zoekt in het tuighuis dezer wereld en niet in dat van Gods Woord, als het eenig arsenaal, waar de Christen zijn wapenrusting vindt. Wat wapen zal hij grijpen? Hier hangt het schild des geloofs en ginds de helm der hoop en daar het harnas der waarheid, Laat Mozes u leeren in zijn strijd tegen Amalek wat wapen gij bij voorkeur hebt te kiezen ook in dit nieuw begonnen jaar.
In de woestijn van Sin kruisen Israels legerscharen ’t zwaard met Amalek, die het op den ondergang van Israël heeft gemunt. De strijd wordt met steeds wisselende kans gevoerd, Nu eens schijnt de victorie aan de zijde van Israël te zijn en wordt reeds de eerste toon van een overwinningslied gehoord, dan weer schittert de zon der hope over Amalek’s leger. Nu eens rukt Jozua met ’t zwaard in de vuist aan ’t hoofd van zijn dapperen vooruit, dan weer keert de kans en wordt Israël terug gedreven.
Vanwaar dien afwisselende strijd te verklaren. Ziet heen naar gindsche heuveltop en dra wordt u dat raadselachtig verschijnsel duidelijk. Terwijl Jozua het zwaard zwaait in de vlakte, zwaait Mozes op de hoogte bet zwaard des Geestes. Wij lezen toch, dat Mozes de hand ophief. Nu is het „opheffen der hand een omschrijvende uitdrukking voor het gebed en indien ooit ergens de kracht des gebeds in den strijd des levens heeft uitgeblonken dan voorzeker was het in die ure. Het ongeloof zou gezegd hebben wat helpt het u, Mozes, of gij al rustig op dien heuvel neerzit; is het niet veel beter dat gij vooraan staat in de rij van Israels leger en door woord en daad de strijders aanmoedigt.” Neen, Mozes, die de kracht van de verborgen gemeenschap met zijn God kent, heft de handen omhoog — d. i. bidt en — verrassende uitkomst — die ééne opgeheven hand van Mozes is meer dan al de handen dier strijdbare helden, dan al de wapenen van Israël.
Wie geen gebed kent, voorwaar hij mist het beste wapen in dien strijd. Voorzeker het werken zal door den Christen niet vergeten worden evenmin als Jozua ophield te strijden ook al bidt Mozes op de hoogte. Maar hierin schuilt de fout, de zonde onzer dagen dat men wel werkt maar het bidden heeft verleerd. Doch wat baat alle arbeid, alle strijd zonder gebed? Evenals als een strijdend Israël maar zonder een biddende Mozes. Dan verliezen wij, dan overwint Amalek, dan worden wij met al onzen arbeid, al verder van den Heere afgevoerd en

Wie ver van God de weelde zoekt,
Vergaat eerlang en wordt vervloekt.

En toch, zoo ook zelfs de Christen er van doordrongen is dat het gebed de kracht in zijn strijd moet wezen en hoezeer hij dat ook van ganscher harte zal willen toestemmen, toch verkoelt ’t gebed zoo spoed’g, de handen zijn zoo gauw vermoeid; één ure met Christus te waken in de hitte van den strijd is zoo moeilijk, zoo zwaar. Merkt ge wel dat ge niet leest dat Jozua’s handen, die het zwaard droegen, maar dat Mozes handen zwaar werden. Is het geen treffend beeld dat de mensch in het natuurlijke veel sterker is dan in het geestelijke, dat wij tot arbeiden ons veel meer aangetrokken gevoelen dan tot gebed. Wij zijn nog veel eerder te vinden om met Petrus met ’t zwaard te slaan, om als de Farizeër met onze gave te pronken, om te spreken, te prediken, te vermanen, om een schitterend pleidooi te voeren voor de dingen van het Koninkrijk Gods, dan tot gebed. Hoe dit verschijnsel te verklaren? Eenvoudig omdat een gebedsleven, een gebedsstrijd voor onze zelfzucht zoo zwaar is. Wanneer wij preeken, arbeiden, vele krachten doen, dan wordt daardoor allicht onze zondige hoogmoedige natuur gestreeld, maar wanneer wij bidden, bidden in de eenzaamheid, worstelen van voor ’t oog der wereld met onzen God alleen, dan moet het „Ik” er onder, dan valt eigen kracht weg, dan wordt bet „wachten op den Heer” de ademtocht der ziel. Maar velen gaat het als Petrus in den hof, die wel het zwaard kan opheffen, maar niet biddend kon waken met Christus; a’s Mozes, dat wij moede worden, de handen worden zwaar, het gebed vei koelt en Amalek, wereld, Satan, onze zondige natuur is de sterkste. Mijn lezer, in wiens hart het gebed is verkoeld, wiens geestelijk leven gelijk is aan een ontbladerd geboomte in den winter, het kan u tot troost zijn dat gij in dezen niet alleen staat: Mozes, Elim, David, elk van Gods kinderen kenden die ure van verkoeling, van uitputting, van verachtering ook. Maar laat het u nu wezen aan ’t begin van deze nieuwe jaarkring alsof Mozes u van den heuvel toeroept: niet gewanhoopt, uwe handen werden zwaar, de mijne evenzeer; richt nu op de trage handen en de slappe knieën.

„Voedt het oud vertrouwen weder
Zoek in ’s hoogsten lof uw lust.”

Zie Aaron en Hur — zij namen een steen en legden dien onder Mozes en hij zat daarop en vond rust. Maar is er niet een betere steen, een levende hoeksteen in Sion gelegd, waarop menige uitgeputte pelgrim, menige bestreden ziel een betere rustplaats vond dan Jakob op zijn steen in Bethel, dan Mozes op de hoogte! Als wij ons eens mogen laten zinken op het volbrachte werk, op die alles betalende gerechtigheid van onzen Heere Jezus Christus — wie telt mij dan het getal der kinderen Gods, die ervaren hebben dat de Heere den moeden kracht geeft en de sterkte vermenigvuldigd van dien, die geene krachten heeft. Dat is voor het geloof de hoogtijd des geestelijken levens als het ’t anker van de levensboot mag laten zinken in de diepte van Christus gerechtigheid. Wij zoeken zoo dikwerf rust in ons zelf, in onzen weg en leiding, en geestelijke genietingen; de Christen staat bij ons veel meer op den voorgrond dan de Christus, eigengerechtigheid wil er bij ons veel beter in dan borggerechtigheid. Wij hebben voortdurend te leeren, dat de ankergrond niet in ons maar buiten ons ligt, en hoe meer, hoe dieper, hoe inniger nu de Christen in den Christus mag inleven als de rank in den wijnstok , hoe meer, hoe dieper, hoe inniger Christus ook in den Christen zal leven. Daar hebt ge die gezonde mystieke eenheid, waarvan de Schrift op tal van plaatsen spreekt en die de spankracht des geloofs staalt, het vuur der ware liefde op ’t altaar des levens aanwakkert. Laat ons, als Mozes op den steen, alzoo rusten op den Christus Gods, die mei ééne offerande den schuld van zonde, de klove dempt, en nu Zijn geest ons wil schenken, op het ootmoedig smeekgebed. Dan is Amalek niet de sterkste, dan keert de kans, dan gaat er zelfs in de dorheid en stervensnacht een heldere ster op, waar wij toch met Christus eens meer dan overwinnaar zullen zijn.
Wie Mozes op de hoogte ziet, rustende en biddende op een steen, ontwaart tegelijk Aaron en Hur, die de handen van Mozes ondersteunen en alzoo waren zijne handen gewis totdat de zon onderging.
Gevoelt ge hier niet de kracht van het gemeenschappelijk gebed; stroomt daar niet iets van den Pinkstergeest’, toen zij allen eendrachteiijk bijeen waren. Vraagt ge hoe de verhouding tusschen gemeente en leeraar behoort te wezen, zie dan heen naar dat drietal: Mozes, Aaron en Hur biddende op de hoogte! Zal de gemeente bloeien, zal de leeraar de kruisbanier niet laten zinken, dan moeten de Aarons en de Hurs worden gevonden, die steunen, die mededragen door hun eenparig gebed. Zulk een biddend eendrachtelijk samenzijn kan de band versterken, zal ter overwinning leiden, zal de roos der liefde ontsluiten en Amalek, die ook wel eens in de gemeente rondwandelt, moet het verliezen, dan wordt zijn moed, zijn kracht gebroken, dan wordt zijn lastertong gebonden en al kan het soms schijnen, dat hij voor een oogenblik de vaan der victorie denkt te voeren, straks zal hij als Amalek in de woestijn van Sin zekerlijk het onderspit delven. Veel, ja alles hing van Mozes af, of hij de staf, die rustte in zijne hand, hoog zou opheffen. Wat hoog gewichtige roeping is aan elk getuige van den Christus opgedragen om ’t kruis van Christus als zijn levensbanier hoog te houden, want daarvan hangt ook voor hem den zegen en het leven tot in eeuwigheid af. Laat dan Amalek woeden, de wereld strijden, maar alom waar het kruis van Christus wordt geplant, daar worden zondaren bekeerd, daar wordt een Lydia’s hart ontsloten en een stokbewaarder gered; daar wordt de geheele heidensche wereld op frissche paden gevoerd, daar roept een heidensche Keizer uit: „zoo hebt gij dan toch overwonnen Galileeër”. Wat overwinningen zijn er al niet behaald, wat zegen is er al niet geoogst en dat alleen door het opheffen van een vloekhout. Heel de wereldgeschiedenis staat in het teeken van Golgotha’s kruis en zonder dat kruis zou er naar ’t woord van Pascal geen wereldgeschiedenis zijn. De hand biddend aan het kruis van Christus geslagen, gelijk Mozes de staf biddend omklemd hield en gij hebt het wapen, waarmede ge al de vurige pijlen van satan, ja de gansche wereld, zult overwinnen. Toen Alexander de Groote eens had gezegd: „vreest ge voor de Perzen niet; als zij den boog spannen, vliegen er zooveel pijlen, dat zelfs de zon er door verduisterd wordt,” antwoordde de held: „het is heerlijk om in de schaduw te vechten.” Hoeveel te heerlijker is het dan om te strijden in de schaduw van Christus’ kruis, daar is de plek, waar wij elke adder van de hand schudden, zonder dat die ons deert, waar Amaleks legerscharen worden ge veld, waar wij ’t kruis uit ijzer gesmeed gewillig leeren dragen, waar de hel met haar veroordeelend vloekwoord zwijgt, en waar de psalm des levens aanzwelt: zoo is er dan geen verdoemenis meer voor degenen, die in Christus Jezus zijn. En nadert een tijd der volkomen overwinning voor de gemeente des Meeren, wanneer de laatste snik van Amalek zal worden gehoord, ’t laatste zwaard van dien vijand worden versplinterd, en het fel bestreden Sion de aarde erfelijk zal bezitten. Wanhoopt ge? Maar hebben wij dan geen Koning, die meer is dan Jozua en Mozes, want Christus is beiden tegelijk. Hij is voor ons de Jozua, die als koning aan ’t hoofd van Zijn volk voorttrekt; Hij is de Ruiter op het witte paard voortgaande en overwindende; maar Hij is ook de meerdere dan Mozes. Het gebed van Mozes is verstomd op de hoogte, maar wij juichen van onze Heiland: Alzoo Hij eeuwig leeft om voor Zijn volk te bidden. Een strijdende Koning voor ons en een biddende Hoogepriester boven ons, dat is de kracht voor het Israël der twintigste eeuw. Werden Mozes handen eens zwaar, verkoelt het gebed in ons hart, wordt het waak en bid vergeten, waardoor het hart een open vesting gelijk wordt, gelukkig, dat steeds het oog van Christus op de hoogte des hemels geopend is over zijn strijders in zijn bezwijkend schaap in de vlakte en hij bidt, opdat ons geloof niet ophoude. Christus’voorbede is gelijk aan de onbreekbare lijn waaraan de schipbreukeling wordt vastgehouden! Zulk een schipbreukeling dobbert, worstelt, zinkt en schijnt door de branding te worden verzwolgen — maar de lijn houdt en door kokende golven heen brengt die lijn hem behouden op het strand. Dat is uw beeld, discipel van Christus, gij strijdt, gij dobbert, gij zinkt, gij dreigt te vergaan, de lijn houdt, de bede van den Meerdere dan Mozes grijpt u vast, en brengt u op den rustigen oever der zalige eeuwigheid.
Bouwt dan als Mozes uw altaar en griffelt daarop: „De Heere is mijn banier” en uw levenszang zij:

Want deze God is onze God
Hij is ons deel, ons zalig lot
Door tijd noch eeuwigheid te scheiden
Ter dood toe zal Hij ons geleiden.

K. (Kampen) S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 januari 1911

De Wekker | 4 Pagina's

Mozes biddende op de hoogte

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 januari 1911

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken