Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Zacheüs

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Zacheüs

11 minuten leestijd

„En als Jezus aan die plaats kwam, opwaarts ziende, zag Hij hem, en zeide tot hem: Zacheüs! haast u en kom af, want Ik moet heden in uw huis blijven.” Luc. 19:5.
Op weg van de overzijde der Jordaan naar Bethanië, nabij Jeruzalem gelegen, ging Jezus door Jericho, een stad om meer dan eene reden, uit de oudheid bekend, vooral uit de geschiedenis van Israël Gekomen uit de woestijn, was deze de eerste stad, die Israël bij zijn intocht in Kanaan heeft ingenomen. Bij deze gelegenheid van Jezus’ doortocht door Jericho gebeurde het, gelijk de evangelist Lucas ons vermeldt, dat er een zeker man was met name Zacheüs, een overste der tollenaren, die Jezus trachtte te zien. Dit ging echter niet gemakkelijk, met het oog op de groote schare, die Jezus omringde, terwijl daarenboven Zacheüs klein van persoon was. Waar echter een wil is, heeft eens iemand gezegd, daar is een weg. Liefde en belangstelling zijn rijk in de vinding van middelen om hun doel te bereiken. Zoo ook ging het dezen man. Na kort en kloek beraad, loopt Zacheüs vooruit, en klom hij op een wilden vijgeboom, zooals deze in menigte aan den openbaren weg werden gevonden. Of dit nu met oog op zijn stand welvoegelijk was, om rijk als Zacheüs was, in een boom te klimmen, deed er niets toe. Zijn belangstelling om Jezus te zien was groot genoeg om een zoodanig bezwaar te overwinnen. En inderdaad, de onderneming gelukt, ja meer dan dit, want wat de man niet had kunnen vermoeden, gebeurt. Jezus opwaarts ziende zag hem, sprak hem aan en zeide tot hem: Zacheüs! haast u en kom af, want Ik moet heden in uw huis blijven.
Geeft dit stof tot verwondering voor Zacheüs, niet minder voor vele anderen, die getuigen waren, en boorden wat Jezus tot Zacheüs zeide. Zacheüs, zoo meenden dezen, was er de man niet naar, om met zulk een bezoek vereerd te worden, daarom murmureerden zij en zeiden: Hij is tot een zondigen man ingegaan om te herbergen. Dit beteekende in den mond des volks niet minder dan dat het een slechte man was, iemand die alles behalve gunstig onder hen bekend stond. En om wat oorzaak? De man was een tollenaar, en nog wel een overste der tollenaren, een soort ontvanger-generaal, die andere tollenaars als beambten onder zich had. Nog meer dan apderen was zoo iemand in gelegenheid om op velerlei wijze misbruik van zijn macht te maken. Berucht waren daardoor tollenaars onder de Joden, want zij waren in dienst bij de Romeinen, en óf om hun overheid te behagen óf om zichzelven te verrijken, maakten zij zich vaak schuldig aan ontvreemding en afpersing.
Niet zelden gebeurt het dan, zoo ging het vroeger, en zoo gaat het nog, dat mes dan al heel licht, alles wat van denzelfden naam of categorie is, met dezelfde minachting aanziet en bejegent. Had de Heere er reeds vroeger op gewezen, dat het voor een rijke bezwaarlijk is om in te gaan in het Koninkrijk Gods, thans zal Jezus het bewijs geven, dat toch de rijken daarvan niet zijn uitgesloten. Gekomen om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was, had Zacheüs dit gelijk met alle andere Adams-kinderen, dat hij in zichzelven aangemerkt, een verloren zondaar was. Zoo ziet Jezus de Heere hem aan, maar Hij ziet tevens in hem één van de Hem gegevene van den Vader. Daarom was het een zalig en een onvergetelijk oogenblik in het leven van dezen man, dat hij werd aangezien door Hem, die Hem riep met een roeping, die doordrong tot zijn hart, hem geheel en al innam/hem oogenblikkelijk en onvoorwaardelijk gehoorzamen deed aan de stem, die tot hem gesproken had. Nooit kan aan Zacheüs grooter eer, grooter weldaad te beurt vallen, dan Jezus in zijn buis te mogen ontvangen. Of nu krankheid bij den één, nieuwsgierigheid bij den ander, van ‘s menschen zijde gezien, aanleidende oorzaak was, doet er niets toe, wie Jezus ontvangt, vele voorbeelden leeren en bewijzen het immers, die ontvangt meer dan een aardschen Vorst, want Jezus is de Zoon des menschen niet alleen, Hij is ook de Zone Gods. Al ziet het volk hen slechts aan als een bijzonder Leeraar, als een Rabbi, zooals zij er nooit één gezien of gehoord hebben, Zacheüs, van af het oogenblik, dat hij door den Heere geroepen is, verlicht, ziet meer in hem dan een mensch, daarom sprak hij Jezus aan met den naam Heere (Kupios).
In het werk Gods komt geen dralen, geen redeneeren te pas, daarbij komt het op handelen aan. Vandaar dat zeggen van Christus tot Zacheüs; „haast u”. En ‘t geloof talmt en draalt niet. De man door Jezus opgeroepen uit den boom te komen, is aanstonds bereid. Geen onaangename blikken van bet volk, geen groote beschroomdheid, niets kan hem weerhouden. Meer dan in woorden kan worden uitgedrukt is er ongetwijfeld in het hart van dien man omgegaan, toen hij de Persoon in zijn huis ontving, dien bij zoozeer bad verlangd van nabij te mogen zien, zooveel toch had hij van Jezus geboord, wat zijn verlangen had opgewekt, om koste wat het ook kosten mocht, zoo immer mogelijk, persoonlijk hem te mogen zien. Veel meer dan hij daarmee verlangde valt hem nu te beurt, nu hij Jezus in zijn huis ontvangen en persoonlijk met hem spreken mag.
Bewust van de waardigheid en geheel eenige grootheid van Hem, die onder de schaduw van zijn dak is ingekomen, begint hij aanstonds te zeggen: „Heere! zie de helft van mijne goederen geef ik den armen, en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weder.”
Dit bewijst klaar als de dag, dat Zacheüs ofschoon een zondaar zijnde, een berouwhebbend zondaar was, en dat er niet slechts plaats was in zijn huis, maar ook in zijn hart voor den Heere Jezus. Hij is geen farizeèr die door zijn werken zoekt gerechtvaardigd te worden, maar een tollenaar, wel rijk naar de wereld, maar in eigen schatting een arme zondaar voor God. Zoo staat hij tegenover Jezus, in eerbiedige houding, en met een zeer besliste overtuiging, evenals iemand die tegenover zijn rechter staat. Hij gelooft in Christus, en dit zal zijn geloof in deszelfs vrucht doen kennen, werken der liefde zal hij doen, als bewijs ook, dat zijn hart veroverd is. Is het wonder, zoo mogen we wel vragen, dat Zacheüs Jezus met blijdschap ontving? Van achteren zien we hoe Gods Voorzienigheid alles wondervol bestuurt, want er geschiedt niets bij geval. Verlangde Zacheüs zoo zeer om Jezus te zien, de vraag is, was dit nu louter uit nieuwsgierigheid , naardien hij ongetwijfeld veel van Jezus had gehoord of zou het ook een heilbegeerig zien geweest zijn, waarmee het hart van dezen man was vervuld. Evenzoo staat het met de vraag, hoe heeft Jezus Zacheüs gezien. Was dit louter een willekeurig zien, iets zoo natuurlijk mogelijk, omdat de man in den boom geklommen, boven anderen uitstak en daarom als van zelf ieders aandacht moest trekken, of was dit zien nog een bijzonder zien. Volgens de oorspronkelijke taal mag men veilig lezen, dat Jezus opwaarts ziende, sloeg Hij het op hem. En ongetwijfeld heeft de man, die aldus aangezien werd, dit gevoeld. Er ging van dat zien kracht uit. Er zijn immers wel meer voorbeelden, die ons verklaren, dat louter het aanzien, zonder nog één woord er bij te spreken zooveel vermag. Denk slechts om dit ééne maar te noemen, aan Simon Petrus, van wien we lezen, hoe Jezus, staande voor het Sanhedrin, Petrus aanzag, nadat de haan bad gekraaid. Dat aanzien door Jezus bad zulk een kracht en invloed op Petrus, dat hij van daar heenging en bitterlijk weende. De haast welke Zacheüs maakte om te doen, wat de Heere hem gebood, bewijst, dat de zoekende reeds gevonden was. Van Jezus lippen te hooren : „Zacheüs,” dat is met zijn eigen naam aangesproken, was immers genoeg om verzekerd te zijn, dat de Heere den onbekende kende, niet slechts bij zijn naam, maar ook in al zijne behoeften. Zacheüs moest zich haasten, want Jezus maakte zijn laatste reis door Jericho naar Jeruzalem, en zou niet meer terug komen. Bij deze laatste reis moest nog dit treffend bewijs gegeven worden, dat de Heere tollenaren en zondaren zoekt en redt. ‘t Is opmerkelijk dat de Zaligmaker niet zegt ik wil, maar ik moet heden in uw huis blijven. Zoo spreekt de liefde, de eeuwige en ondoorgrondelijke liefde van Hem, die kwam om bet verlorene te zoeken. Dat is de reddende liefde van den grooten Herder, die als de goede Herder Zijne schapen kent en bij name roept. Neen Jezus komt niet te vergeefs tot dezen zondigen man om te herbergen. Hij treedt niet te vergeefs de woning binnen van den man, die niet slecbts klein van persoon, maar die ook klein voor God :is. De blijdschap, de geheel eenige blijdschap, welke het hart van Zacheüs vervult is daarvan wel een eerste bewijs. Zelfs geen overmatige schroomvalligheid, welke zou kunnen doen denken , ik ben te onwaardig voor zulk een bezoek, weerhoudt hem van de blijdschap. Integendeel de bewustheid zijner zonde en onwaardigheid, doet zijn blijdschap te grooter zijn, verwaardigd te worden, dat de Heere tot hem inkomt.
In de blijdschap van Zacheüs spreekt zich uit zijne innige en oprechte dankbaarheid , eene dankbaarheid die de vrucht is van waarachtige bekeering, en die gepaard gaat met belijdenis van zonde en vrijwillige liefde tot God en den naasten. Zulk een liefde bestaat maar niet in schoone en vleiende woorden, maar in daden, gelijk Zacheüs hier verklaart voor Hem, die in zijn hart kan lezen, en die Zijne bedoelingen kan doorgronden. Zonder door één woord daartoe geperst of gedrongen te worden stond Zacheüs, ootmoedig en vast beraden, en zeide tot den Heere: Zie, de helft van mijne goederen Heere! geef ik den armen, en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weder. Meer dan de wet eischt, meer dan het volk naar oud gebruik zou hebben durven vragen, en zonder dat Jezus zelf het van den man eischt, spreekt aldaar de liefde, waarmede het hart van Zacheüs is vervuld. En de Heere bevestigt Zijne belijdenis, en spreekt als het amen uit op zijne woorden met te zeggen : „Heden is dezen huize zaligheid geschied, nademaal ook deze een zone Abrahams is.” Welk een weldaad viel dezen mensch uit genade ten deel. Hoe wonderbaar gaat daarbij alles toe in onderscheiding van een Paulus op den weg naar Damaskus en van een Stokbewaarder in de gevangenis te Filippi. Zoo leert de Heilige Schrift, dat er geen eenvormigheid is in het werk Gods. De grootste verscheidenheid zien we daaromtrent, waarom het zoo verkeerd is alles onder één vorm te willen brengen, vooral als het de vraag geldt of iemand werkelijk genade bezit. Was nu, naar des Heeren woord, met de behoudenis van Zacheüs, dezen huize zaligheid geschied, ongetwijfeld zal de invloed van de groote verandering welke bij en met hem had plaats gehad, bij de huisgenooten van Zacheüs niet achter gebleven zijn. Velen onzer weten uit eigen ervaring , van welken invloed dit op anderen is, als de Heere uit één of ander gezin, een zondaar komt redden. Uit kracht van de vreeze Gods, welke in den zoodanige zich openbaart ligt er onwillekeurig beslag op anderen. Sommigen werden daardoor bijzonder tot jaloersheid verwekt. Niet zelden wilde de Heere dit tot een rijken zegen dienstbaar maken voor anderen. En wordt er eenmaal een bidder uit uw huis gedragen, denk dan maar altijd, dat daarmee veel uitgedragen wordt. Ach wat al droeve voorbeelden hebben we in ons leven gekend van gezinnen, waar slechts één bidder onder velen werd geteld en toen dezen gestorven en uitgedragen was, werd bet in zulk een gezin al minder en minder, tol er ten laatste, nauweljjks nog een schjjn van godsdienst was overgebleven. Een klein vuur steekt een grooten hoop hout aan brand, en ‘t verlies van één mensch, kan zeer verreikende gevolgen hebben.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 februari 1911

De Wekker | 4 Pagina's

Zacheüs

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 februari 1911

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken